Australië, Reisverhalen
Alice Springs in wonderland
Daar zijn we dan eindelijk. In het midden van dit continent. Alice Springs. Een kleine 1450 kilometer naar Darwin en zo’n 1250 kilometer naar Port Agusta (net boven Adelaide). Veel rood zand en ook nog wel wat groen langs de weg. Een hele grote rug van rotsgesteente met daar tussen een gat waar je doorheen rijd om de “stad” binnen te komen. Het rode hart word Alice ook wel genoemd. En die rotsenpartij zijn de MacDonnell Ranges.
Met een inwoner aantal van zo’n 27.000 mensen is het de tweede stad van het Northern Territory. Een tiende deel van de inwoners is van aborigine afkomst, en dat is in de stad te zien ook. Veel van deze bevolkingsgroep is laag geschoold of werkloos en hangt dan de gehele dag een beetje rond het centrum. Degene die de mazzel heeft gehad is werkzaam in de aboriginal art. Het winkelgebied van Alice is dan ook voor een groot gedeelte bezet met art galleries. Veel schilderijen en andere kunstvoorwerpen met die van deze streek zo aparte schilderingen.
het landschap van Alice Springs
Rivier Alice Springs
De eerste blanken hebben zich rond 1871 hier gevestigd. Toen werd het Telegraaf station gebouwd bij een bron. In die tijd bepaalde water het gaan en staan van de mensen. De rivier die door Alice Springs loopt, is genoemd naar Dhr. Charles Todd die de grondlegger was van de telegraafverbinding tussen Adelaide en Darwin. De bronnen die in de rivier bedding werden ontdekt, zijn vernoemd naar zijn vrouw Alice. Echter de rivier de Todd is de meeste maanden van het jaar een droge stoffige zandgleuf.
De telegraaflijn verbond de Australische steden in het zuiden met het noorden en de rest van de wereld; Singapore naar Birma naar India en Europa met het hoofdkwartier in Londen. In 1925 telde Alice Springs nog maar 200 inwoners maar vier jaar later met de komst van de Ghan (treinspoor vernoemd naar de Afghaanse karavaandrijvers) kwam daar verandering in.
Etensmaaltje wordt van de weg geplukt door een roofvogel.
Natuurpark
Omdat we midden in het rode hart liggen, willen we ook wat van de omgeving zien. En zijn er gelukkig genoeg mooie natuurparken te verkennen met alleen maar een normale auto in plaats van een 4 WD. Allereerst gaan we de westkant van de stad bekijken. De weg is goed begaanbaar en de parken staan perfect aangegeven.
Standley Chasm is een breuk in de rotsformaties waar je een goed beeld krijgt van de rotspartijen in het centrum van Australië. Een leuke wandeltocht (waar jammer genoeg veel meer toeristen naar te gekomen zijn) om dit natuurschoon te aanschouwen. Er dat je een plaatje hebt zonder van die schreeuwerige lui erop, ben je al weer een half uurtje verder. Maar de moeite waard.
In de middag rijden we naar Simpson’s Gap. Een soortgelijke doorgang maar stukken mooier dan die van vanmorgen. Hadden we gelijk moeten doen. Veel minder toeristen. we genieten van de rooie omgeving en de stilte van de natuur. Al het rood dat we zien wordt gevormd door de ijzeroxide die zich in het steen bevindt en door het roesten het steen een rode kleur geven. En dat is een mooi gezicht. (zeker na een buitje…).
De Simpson's Gap.
Royal Flying Docters
De volgende ochtend staan we met regen op. We wilde naar de oostkant van de MacDonnell ranges gaan om nog een park te bezoeken, maar het water komt met bakken uit de lucht. Dus we besluiten in ieder geval voor de ochtend ons programma te vullen in de stad.
Een bezoekje aan het kantoor van de Royal Flying Docters (RFDS). Jullie weten wel; die tv-serie met zuster Kate, Doc. Geoff, Vic achter de bar. Wij worden ontvangen door Sonja. Een uit België geëmigreerde dame die ons een rondleiding door het centrum geeft. Een film met een korte historie over het ontstaan en het reilen en zeilen van de organisatie. We zien de radiocontrole kamer, die op dit moment druk in gebruik is omdat er zojuist een vliegtuig opgestegen is om een levensbedreigende situatie te gaan ondersteunen ergens in de outback…
Arthur Affleck
De RFDS is ontstaan in 1912 toen Eerwaarde John Flynn in afgelegen gebieden een soort van hospitaal wilde bouwen om voor een goede medische opvang te zorgen. Er waren echter wel veel problemen met afstanden en communicatie waardoor er toch nog mensen stierven aan een tekort van medicatie of het te laat arriveren van een dokter. Om dit op te lossen probeerde Flynn met behulp van anderen een vliegdienst op te zetten.
Op 15 mei 1928 was de Areal Medical Service gestart en op 17 mei maakte Arthur Affleck de eerste vlucht met twee chirurgen aan boord. Dit alles ging echter zonder radio verkeer en er werd gevlogen op landmarkeringen zoals afrasteringen en waterbronnen en gebouwen. Het eerste jaar was een probeer tijdperk. Waarin 50 vluchten, 18000 miles gevlogen en 225 patiënten waren geholpen. Niet veel later kwam er het radiocontact en ging het allemaal al een stuk gemakkelijker.
Het gebied wat nu bedekt wordt is zo groot als west Europa. Met een aantal van 19 radiobasissen en 50 vliegtuigen. Nog steeds een non profit organisatie. Knap hoor als je ziet wat er door die jaren heen allemaal bereikt is.
De flying doctors service.
School in Australië
Later bezoeken we nog de Alice Springs School of the Air. Het grootste klaslokaal van de wereld. Deze radioschool was opgericht in 1951 om de kinderen in de afgelegen gebieden niet achter te laten lopen. Het is een afstandsonderwijsorganisatie met onderwijzers, ondersteunend personeel en twee klaslokalen waar tegenwoordig door middel van webcams les gegeven wordt. Vroeger ging dit alles via de radio en later wat persoonlijker per telefoon. Maar tegenwoordig gaat alles per computer.
Vanaf viereneenhalf jaar oud tot aan veertien jarige kunnen les krijgen via de school. Een gebied van 1.3 miljoen vierkante kilometer. Oftewel een gebied 10 keer de grootte van Engeland (!). Het kind dat nu het verste weg les krijgt, woont een anderhalve dag reizen vanaf Alice Springs. Op een kaart zien we de omgeving waar alle 133 leerlingen van dit moment wonen. Drie tot vier gebeurtenissen worden er per jaar door de school georganiseerd zodat alle leerlingen naar Alice Springs komen en elkaar dan ook nog eens in het echt zien.
Zo zijn we weer wijzer geworden over het leven in de outback. Het regent hier nog steeds gigantisch en de vooruitzichten voor de komende drie dagen zijn bedroevend. Voorons dan natuurlijk, want voor de bewoners hier mag er water vallen. Wij laten Alice voor wat het is en gaan morgen weer verder met exploren naar het Noorden. Een kilometer of 600 a 700 op de teller zetten, want de volgende bestemming is nog een eindje weg.
Devils Marbels
Verder naar het Noorden. Vanuit alice Springs kachelen we door naar boven richting het plaatsje Katharine. Om daar te komen passeren we de “Devils marbels”. Ronde rosten die op elkaar gestapeld lijken, maar in wezen zijn ze zo ontstaan. Niets door mensen handen gemanipuleerd. Grappig om te zien, ook al komt het water met bakken uit de hemel. Ja, ook hier kan het regen hoor. Eigenlijk is het nu het winterseizoen hier en hoort het niet te regenen. Pas weer in december. Maar nu komt er toch echt wel veel water naar beneden, meer dan normaal.
De Devil's Marbles
En het eerste wat ons hier in dit centrum van de Aborigionals opvalt is de hoeveelheid politiewagens die door het dorp rijden. Ook nog eens motoren en politie te voet. Dat zegt wel genoeg over de gesteldheid van dit plaatsje. Na een bezoekje aan de plaatselijke VVV wordt het ons duidelijk dat we hier wel een paar daagjes kunnen bij komen maar bijna geen tours gaan doen. We kregen nog de tip om de Katharine Gorge te gaan bekijken per schip. Ja leuk hoor. De VVV-man wilde wel even informeren maar vanwege de schoolvakanties hier was de tour voor de komende drie dagen volgeboekt. Langer dan twee nachten willen we echter niet blijven dus geen tour deze keer.
Eerst wilde we nog naar boven rijden richting Darwin. Dat is toch maar een kleine 300 kilometers verder. Maar daar zien we toch vanaf. We zijn gekomen om naar de Westkust te rijden en dat doen we dan ook. We vervolgen onze weg richting Kununurra.
De hotspring in Kununurra...
Kununnura
In Kununnura zit een hele mooie camping en ook hier weer gelukkig nog een klein plaatsje voor een kleine camper. We hebben tijd zat want we zijn een uurtje ervoor over de staatsgrens met West-Australië gereden en kregen daardoor vanwege de tijdzone anderhalf uur terug in de tijd. Het koste ons wel al ons fruit en groente. Ja bij die grens wordt je streng gecontroleerd en wordt alle groente en fruit ingenomen. Bang voor fruitvliegjes hier. Nou die kunnen toch ook gewoon door de lucht hier naartoe komen vliegen. Alles gaat de kliko in. En een paar uur later koop je gewoon dezelfde appels in dezelfde verpakking. Te gek voor woorden.
Maar goed. We staan de middag lekker met een windje in het zonnetje en plannen de route voor de volgende dag. We kijken druk op het internet naar de wegcondities, want het heeft in de hele kop van West-Australië flink geregend en meer dan normaal. En in het regenseizoen worden er wel eens wegen afgesloten. Veel wegen bovenin zijn gravelwegen en die rode klei kan wel glibberig worden. Wij zoeken voornamelijk de asfalt wegen op. Niet dat we de rode klei niet leuk vinden, maar we komen liever niet vast te staan. Want erg veel telefonisch contact is hier niet en hulp roepen word allemaal wat moeilijker.
Dirtroad
We rijden naar Williare Bridge roadhouse. Een benzinepomp, met een huis met daarachter en een restaurant en camping. Dit huis staat voorbij het punt Ellendale. Dat zou het hekelpunt in deze trip kunnen worden. Daar zijn namelijk wegwerkzaamheden die ervoor zorgen dat alle verkeer via een dirtroad oftewel rode gravelweg omgeleid wordt, wel met begeleiding van lokale hulpverleners, maar dan moet die weg natuurlijk wel open zijn. De vorige dag hebben ze dat stuk voor 24 uur gesloten vanwege wateroverlast. En dan sta je dan. Het is een lang stuk, zeker 650 kilometers , maar we zijn er. Het konvooi van toeristen staat klaar en een half uur later komt de auto aan die ons er door heen moet loodsen. We volgen samen met 12 andere auto’s de koploper. De weg is redelijk begaanbaar, alhoewel onze auto er een beetje erg rood uit gaat zien….
Het is al donker als we weer op de normale rijbaan komen en geven gas om de laatste 150 kilometer af te leggen. We willen er overnachten omdat we dan het ergste stuk achter de rug hebben. Geen afsluitingen meer en nog maar een paar honderd kilometers om dan de volgende dag in Broome aan te komen. Om eindelijk weer eens de zee te kunnen zien.
Onderweg komen we de Flessenboom tegen, een stam die de vorm van een fles heeft. Jammer genoeg nu nog zonder blad. Het lijkt op een Baobab.