Albanië, Reisverhalen

Bunkers, Mercedessen en slechte wegen

Ernest Claassen reisde door Albanië, Macedonië en Kosovo. Balkanlanden. Twee gebieden in het voormalige Joegoslavië, waar een burgeroorlog littekens heeft achtergelaten. Albanië schurkt tegen deze landen aan, het blijft arm maar met rijkdom opgestuurd vanuit het Westen. Hij brengt zijn impressies onder woorden als hij van stad naar dorp en van het platteland en weer naar de stad reist. Hij is getuige van de overblijfselen van het communistische bewind, komt tijdens de verkiezingscampagne de premier van het land tegen en ziet het kapitalisme ontluiken in de vorm van in het buitenland gekochte auto’s en wasmachines.

Auteur - Ernest Claassen

Durrës. Overal troep, kapotte straten, bestormd worden door vage geldwisselaars en bedelende kindertjes. De omgeving van de haven was precies zoals je je Albanië voorstelt in een Hollywoodfilm. Na de overtocht met een veerboot uit Italië werd ik met een flinke schok verwelkomd in de Albanese realiteit. In een hoek van de haven van Durrës lagen een stuk of zes halfgezonken verroeste schepen bij elkaar. Nadat ik 10 euro aan een van die wisselaars had gegeven – een officieel wisselkantoor was er niet – verdween hij ergens, maar kwam vrij snel weer terug. Omdat hij van zijn tussenpersoon blijkbaar iets te weinig leks, de Albanese munt, had gekregen, gingen de zwarthandelaren met z’n allen staan vergaderen op straat en legde een andere wisselaar geld bij om het tekort aan te vullen.
En dat was geen toeval. Nee, de Albanezen zijn een gemoedelijk en vriendelijk volkje. Al is de taal wel een probleem, maar verder wil iedereen me graag helpen. Als je op straat de weg vraagt (straatnaambordjes doen ze niet aan), halen ze al hun vrienden erbij en voor je het weet duurt het vijf minuten voordat je iets te horen krijgt. Een meisje in een bank stuurde me naar de concurrent, omdat die een gunstiger wisselkoers rekende.

Tirana

Al met al is Tirana een arme maar prettige stad. Veel wandelende mensen, die gezellig lopen te keuvelen. Ook overal terrasjes. Ik zat trouwens in een restaurant een paar tafeltjes verwijderd van niemand minder dan de premier van Albanië, Fatos Nano. Ik herkende hem aan z’n ringbaardje, want hij hangt metersgroot op drie verkiezingsaffiches bij het centrale Skanderbergplein. Op een van zijn posters staat de slogan ‘Per ne Shqiperi qendryshon’ (Voor een ander Albanië). Ja ja, en ondertussen de duurste wijnen drinken in een chique restaurant.

Albanië Het Nationale Historische Museum in Tirana Het Nationale Historische Museum in Tirana. De communistische ster in het midden van het mozaïek is in 1994 weggehaald.

Bouwplaatsen

Tirana kende ik na twee dagen al zo goed dat ik een stelletje Engelse toeristen met gemak de weg kon wijzen naar hun hotel. Dus ben ik met de bus naar Berat gegaan, mijn eerste reis over het Albanese platteland. Daar valt op dat alles stoffig en vies is. Misschien logisch na een lange droge zomer. Verder worden overal nieuwe huizen gebouwd. Maar omdat ze er gemiddeld zo’n vijf jaar over doen voordat een huis klaar is, lijkt het hele land een grote rommelige bouwplaats. Ze bouwen volgens het principe: is er weer wat geld verdiend, bouwen we nog een muur. Volgend jaar weer wat geld, zetten we er een dak op. Vaak wordt de onderste verdieping al kant en klaar bewoond terwijl daarboven alleen nog maar het betonnen geraamte van de geplande verdiepingen te zien is. Traditioneel wappert op al die huizen-in-aanbouw de Albanese vlag. Die huizen worden vooral betaald door de Albanese gastarbeiders in het buitenland en door de misdaadbendes die hun geld ergens in moeten steken. Overigens ben ik hier nog geen mafioso of andere boef tegengekomen.
Natuurlijk zag ik ook dat typisch Albanese verschijnsel van de halfronde eenpersoonsbunkertjes die de communisten bij honderdduizenden in het land hebben neergezet om de gevreesde invasie te weerstaan. Erg grappig om te zien, maar ook wel zielig dat ze hun zuurverdiende lekjes aan die nutteloze betonbolletjes hebben kapotgeslagen.

Albanië Straatverkeer Tirana Straatverkeer Tirana.

Berat

Berat is een hoge berg met daarop een historisch kasteel. Erg mooi. De berghelling is bebouwd met mooie oude huisjes waar je over kronkelpaadjes langs kunt lopen. Lekker toeristisch maar zonder andere toeristen. In de verte was op een berg nog het woord ‘Enver’ te lezen: de voornaam van oud-dictator Hoxha (zeg Hodzja) van wie alle gouden standbeelden allang zijn verdwenen. Maar zo’n naam op een bergrug slijt blijkbaar minder snel.

Albanië loden moskee Berat De 'loden moskee' (1555) in Berat.

Fier

Verdergegaan naar Fier, een onopvallend provinciestadje van waaruit je naar de beroemdste Grieks-Romeinse opgraving in Albanië kunt gaan: Appolonia. Je moet ervan houden, van die stapels oude stenen en scheefgezakte pilaren, maar het had zo zijn charme. Bijzonder is dat deze historische havenstad bovenop een berg is gebouwd, zodat je in de verte de zee ziet. De beheerder wilde me nog een ‘oude Byzantijnse munt’ verkopen. Vriendelijk afgeslagen, omdat ik had geen zin had om mee te doen met het leegroven van Albanië. Later zei iedereen dat die munt natuurlijk vals was – had ik niet eens bij stilgestaan.

Toen ik in Fier klaarstond om in een minibus richting havenstad Vlora te stappen, hoorde ik iemand een toespraak houden. Als dat de Albanese premier Nano niet was! Het gebouw waar hij zijn kiezers toesprak, stond naast het busstation en ze hadden een geluidsbox uit het raam gehangen zodat de speech ook buiten te volgen was. Na een paar minuten kwam Nano zelf naar buiten, maar toen ik hem wilde fotograferen, werd ik door brede Oostbloktypes weggestuurd. De eerst nog vriendelijke omstanders waren mij ook opeens vijandig gezind: als de politie zich tegen je keert, schieten ze blijkbaar nog in de oude reflex van tijdens de communistische dictatuur. Stelletje meelopers. Verder met een sisser afgelopen, maar toch tekenend vind ik. De premier op straat fotograferen? Dat gaat zomaar niet. (Iedereen die ik over Nano vraag, noemt hem overigens een zakkenvuller die erg buddy-buddy is met de mafia.)

Albanië Berat Oude stad van Berat (Mangalem).

Vlora

Vlora is een havenstad aan de zee waar nauwelijks een strand te zien is en die verder ook niet veel soeps is. Het viel nogal tegen. De reisgids die ik gebruik (The Blue Guide Albania) had deze stad ontraden, omdat de mafia er een paar jaar geleden nog de baas was. Nu is daar niet veel meer van te merken. Wel zijn ze gek op de Mercedes: echt ongelogen 50 procent van alle auto’s is hier van dat merk. In het hele land trouwens: je bent in Albanië pas echt een man met een Mercedes onder je kont, dat is wel duidelijk.
Van Vlora wilde ik naar Saranda, maar om half elf ‘s ochtends ging er al geen bus meer! De trein is hier sowieso geen optie want enorm verwaarloosd en afgeragd. De spoorrails worden vooral gebruikt als wandelpad.

Albanië DeSaranda De baai van Saranda.

Himara

De verst mogelijke bestemming was Himara: een stadje aan zee dat iets noordelijker ligt dan Saranda. Die busreis was schitterend door enorm steile berglandschappen. Wel in een gammele derdehands Griekse bus, die soms akelig dicht langs de afgronden scheerde. Toen plotseling een noodweer uitbarstte en het zicht nog maar twee meter was, begon ik hem wel een beetje te knijpen. Ik ging er maar vanuit dat de chauffeur de route inmiddels blind kon afleggen. Soms moet je je angst loslaten door het gevaar te verdringen.

De kust is werkelijk schitterend hier, maar helaas ook grondig verziekt door oude en nieuwe huizen in langzame staat van aanbouw dan wel verval. Een klein beetje ruimtelijke ordening zou hier geen kwaad kunnen. Himara ligt ontzettend mooi in een baai, midden tussen de ongerepte woeste bergen. Wel een middle-of-nowhere gevoel, vooral toen de stroom geregeld wegviel en het opeens een verduisterde spookstad werd. Een man in de bus wilde me wel helpen en uiteindelijk kon ik bij hem en zijn ouders overnachten. Een oud boerderijtje op de berg: ze hadden geen stromend water, geen gas en geen WC. Ze hebben me wel lekker eten en gratis onderdak gegeven, dus ik klaag verder niet.

Albanië Gjirokaster Westelijke muur van de citadel in Gjirokaster, met uitzicht op de Drinos-vallei.

Saranda

Na een vroeg vertrek om zes uur kwam ik aan in Saranda, een relaxte kustplaats helemaal in Zuid-Albanië. Er lopen hier meerdere Westerse toeristen rond, die vanaf Korfu een dagtripje maken. Ik hoorde zelfs Nederlands. Zelfs na een week al een ‘schok’ om die toeristen ongegeneerd in hun blote bast te zien rondbanjeren in ‘mijn’ Albanië. Superoverdreven natuurlijk, maar je vervreemdt opmerkelijk genoeg erg snel van het ‘Westerse leven’ als je hier een paar dagen rondreist.

Vanaf het strand van Saranda zie je in de verte Korfu liggen. Vroeger voeren hier Albanese patrouilleboten om de arme zielen tegen te houden die naar Korfu probeerden te ZWEMMEN. De straf die daar op stond: acht jaar. Voor een dagtripje in de beschaafde wereld ben ik met een veerboot naar Korfu gevaren. Als EU-burger mocht ik gelijk van boord, de Albanezen moesten waarschijnlijk langer wachten.

Albanië Korça. Verkeersplein in Korça.

Dagtripje Korfu

Korfu was een schok: de hoofdstad van het eiland is een mooi stadje met een leuk oud centrum. Alleen waren in alle straten huis-na-huis-na-huis winkeltjes met toeristische koopwaar. Van petjes, vlaggetjes, ‘handgemaakte’ snuisterijen tot allerlei ringen en juwelen. Echt te veel van het goede, toeristischer dan Korfu is onmogelijk. Ik zag een ‘typische Griek’ rondlopen die me door zijn druilerige snor een beetje aan een zeeleeuw in de dierentuin deed denken. Hij werd continu bekeken door de andere toeristen maar dat had hij op een treurige manier niet eens meer in de gaten. Gelukkig kon ik enkele Westerse kranten kopen waaronder een twee dagen oud AD. Bericht op de voorpagina: Berlusconi zegt dat zijn vrouw vreemdgaat. Lekker belangrijk.

Terug naar Saranda

Vervolgens met de veerboot terug naar Albanië. Aan boord gesproken met een Amerikaan die voor een financiële firma werkte en met zijn grote baas op weg was naar Saranda voor een conferentie. Hij wist me een en ander te vertellen dat ik niet wist, bijvoorbeeld dat de Albanezen in het buitenland elk jaar in totaal zo’n 600 miljoen dollar naar huis sturen. Alleen koopt de familie daar vooral spullen van in het buitenland (wasmachines, Mercedessen) in plaats dat het voor ‘nuttiger’ dingen gebruikt wordt zoals wegen en zo. Op die manier wordt het natuurlijk nooit wat! Die avond in Saranda heb ik voetbal gekeken: Albanië won met drie-een van Georgië. (Nederland verliest weer eens van Tsjechië, hoorde ik later op de Wereldomroep.) Ik wil nog steeds een officieel Albanees voetbalshirt kopen als souvenir, maar dat is nergens te krijgen.

Volgende ochtend vertrok ik naar Gjirokaster, dat een heel mooi uitzicht vanaf het beroemde kasteel op een bergtop moet hebben. Bij de ‘bushalte’ in Saranda stonden zo’n veertig werkloze Albanezen te wachten op iemand die ze zou inhuren, maar er stopte niet één keer een busje van een louche aannemer of zo. Wel een sneu gezicht. Gjirokaster (geboorteplaats van de vroegere communistische president Enver Hoxha en schrijver Ismail Kadare) was erg gaaf. Veel rondgelopen op de supersteile straatjes en in dat mooie kasteel dus op die bergtop. Totaal verwaarloosd, dat wel. En af en toe keek je langs de rand zonder hekje zo de onpeilbare diepte in. Je kon uitkijken op de complete vallei tussen de twee bergruggen: ik schat zeker 30 tot 40 kilometer uitzicht.
Ik wilde door naar Korça, maar omdat het bread & breakfast-hotelmeisje de verkeerde tijd had doorgegeven, was de bus al weg. Mensen geven heel vaak verkeerde informatie, dat is wel jammer. Trouwens als je een landkaart laat zien om te vragen waar welke straat is, merk je dat ze meestal niet kunnen kaartlezen. Was natuurlijk ook verboden om überhaupt een kaart te bezitten in de communistische tijd.

Toen maar gekozen voor de verst mogelijke bestemming op de route: Permeth. Dat bleek een slaperig provinciestadje, gelegen langs een schitterende bergrug. Lekker in de zon gezeten op het balkon van mijn hotel. Ik keek uit op de brug over het riviertje; de resten van een oude stalen brug lagen nog in het water, waarschijnlijk al tientallen jaren. Ook vlakbij het hotel een groot monument voor de partizanen die in de oorlog tegen de Duitsers hadden gevochten. Heel Albanië staat vol met zulke monumenten en dan zijn de communistische elementen er altijd afgesloopt. Soms zijn ze een beetje doorgeslagen met hun zuiveringswoede en dan staat er alleen nog het betonnen skelet van een monument. Op een dergelijk monument in Permeth stond nog een tekst die flink was gehavend, maar waarvan de ontbrekende letters merkwaardig genoeg met piepschuim waren aangevuld. Maar die begonnen alweer af te brokkelen.

In Korça, de volgende stad, werd ik bij mijn hotel opeens in het Nederlands aangesproken. Was een meisje dat met haar broer in Rotterdam had gewoond en nu in Engeland studeerde. Ze was op bezoek bij haar vader in een dorpje vlakbij. Of ik het leuk vond om met ze mee te gaan. Natuurlijk! Was een gezellige middag. Haar vader liet me nog zijn enige koe zien, die altijd binnenstaat in een donkere schuur. Bij het huis is er geen groot genoeg grasveld om het dier te laten grazen.
In het dorpje was overigens door Arabieren een moskee neergezet, die tot schrik van de dorpelingen opeens vijf keer per dag vanuit de luidsprekers tot het gebed opriep. Een hele andere islam dan ze in Albanië gewend zijn. Gelukkig, zo zeiden ze, had de moskee geen geld meer om de imam te betalen.

Korça werd door een paar regenbuien een grote moddertroep, mijn hotel was bij een grote armoedige, stinkende en lawaaiige markt en ik kreeg opeens een beetje genoeg van Albanië, hoe aardig al die mensen ook zijn.



Plaats reactie of reistip





* verplicht invoerveld

Facebook RSS Feed