Egypte, Reisverhalen
De ongenaakbare Sinaï als achtertuin
Juliette Schneijderberg maakt de vijftien uur durende treinreis naar zuidelijk Aswan. ‘Met mijn neus tegen het raam gedrukt volg ik de wereld langs het spoor. Mensen wandelen tussen de rails, hordes Caironezen die bij de onbewaakte overgangen zwaaien naar de passerende trein en bepakte ezeltjes bepalen tot nu toe het spoorbeeld, terwijl we het zinderende Cairo uitrijden.’
De airconditioned tweedeklas-trein die ons van Caïro naar Aswan zal brengen is een luxe. Zeker na de dodemansritten in de levensgevaarlijke, altijd claxonerende taxi´s in Caïro. Een paar Amerikanen merkt op dat je van de tweepersoonsbankjes, vierpersoons kan maken. Na een paar minuten zijn ze klaar met het luidruchtige ínstalleren en keert de rust weer terug in de coupé.
Ik heb me erg verheugd op de 15 uur durende treinreis naar zuidelijk Aswan.
En eindelijk is het zover. De trein rijdt langzaam de miljoenenstad uit. Met mijn neus tegen het raam gedrukt volg ik de wereld langs het spoor. Mensen wandelen tussen de rails, hordes Caironezen die bij de onbewaakte overgangen zwaaien naar de passerende trein en bepakte ezeltjes bepalen tot nu toe het spoorbeeld, terwijl we het zinderende Cairo uitrijden. Plotseling komt de roestige derdeklas-trein voorbij. Mensen springen erin, hangen eraan en springen er vervolgens weer af terwijl de trein al vaart maakt. Hebben we het in Nederland over wantoestanden op het spoor…
Palmboom
Het schouwspel wordt alleen maar mooier als we Caïro achter ons laten; groene papyrusvelden, trossen dadels aan de palmbomen, nostalgische boertjes en dito werktuigen. Welcome to the Land of Civilisation, zoals er op de blauwe borden langs de weg staat in heel Egypte. Mag ik even lachen? Ondertussen denderen we door bolwerken van de fundamentalisten; Minya, Mallawi en Asyut. Er stappen wat maïsverkopers in. Het lijkt wel of ze ruiken dat er een handjevol toeristen in deze coupé zit want binnen een paar tellen staan de collega’ s; een frisdranken “mannetje”, een suikerriet (gebel)”mannetje” en het kranten ”mannetje” in het gangpad met hun waar. Ze doen goede zaken bij de Amerikanen. Altijd. Een ramp zijn ze eigenlijk, die gulle toeristen. Ze verzieken de hele economie en die verkopers worden steeds opdringeriger.
Als de donkerte invalt, is de lol er een beetje af. Ten eerste zitten we al 12 uur in de trein en ten tweede is het donker geworden dus valt er weinig te koekeloeren buiten. We dommelen wat en drie uur later stappen we uit. M´n neusgaten schroeien dicht. Wat een hitte. Wanneer ik uitadem is het alsof er een miniatuurföhn op m´n bovenlip zit.
Na 1 dag zijn we gewend aan de warmte. En verliefd op Aswan. Als een parel ligt zij aan de kronkelende Nijl, moeders mooiste en groenste van ‘t hele land! Aan weerszijden groene stroken en daarachter weer de woeste zandduinen. Midden in de Nijl ligt Kitcheners Island (een eiland vol met bijzondere planten) en Elephantine Island en felluca´s (Egyptische roeibootjes) varen de hele dag af en aan. Het lijkt wel een openluchtmuseum!
De Nubiërs zijn vriendelijk en voor het eerst worden we een beetje met rust gelaten door de vaak opdringerige verkopers. Elke dag struinen we wel even over de souk. Al die vreemde luchtjes goed opschuiven. Op de enorme High Dam hebben we een prachtig uitzicht. Aan de ene kant de Nijl en aan de andere kant het 60 meter hoger gelegen Nassermeer. De Dam zorgt voor een constant niveau van de rivier. Hierdoor is het toenmalige eiland Philae, waarop de tempel van Isis, Osiris en Horus zich bevindt, onder water komen te staan. Evenals tempelcomplex Abu Simbel. Deze gigantische bouwwerken zijn steen voor steen afgebroken en met een afwijking van 1 mm herbouwd op een droge locatie. Je staat paf als je het resultaat ziet.
Juliette in egypte...
Nubische kapitein
Aswan is ook de Nijl afvaren. Met een felucca doen we dat na 4 dagen genieten op het vastland. Een ontspannende bezigheid. Dit vaartuig dobbert langs weides aan de Nijl waar beige kamelen grazen, vrouwen de was doen én zichzelf wassen in de rivier. Ook zie ik een drijvend kadaver voorbij komen. De lunch word klaargemaakt door de zwijgende Nubische kapitein. Het theewater haalt hij uit de Nijl, de aardappels worden erin gekookt, de tomaten worden erin gewassen en de vaat wordt erin gedaan. Het brood wordt tenslotte op de loopplank gesneden.
De avond valt, het wordt donker. Pikdonker. Tamtam muziek en gillende gebeden uit nabijgelegen dorpjes vullen de zwoele avondlucht. De sterrenhemel is indrukwekkend. Geen ander licht in de verte die de grillige sterrenhemel onderbreekt. Na een onrustige nacht in de buitenlucht schijnt om 5.30 uur een zwak zonnetje in mijn ogen. Alleen een log cruiseschip verstoort het plaatje rimpelloos water- opkomende zon- volstrekte stilte.
De wind steekt op, de zeilen worden gehesen en na twee uur komen we aan op de plaats van bestemming; Kom Ombo. De tip vond de captain duidelijk te weinig (´Me good captain, baksheesh, give me baksheesh´) dus we konden niet de boot af. Na een schandalig hoge tip kunnen we ook nog eens zelf de kant op krabbelen met zo´n 17 kilo wegende rugzak op onze rug…
Galabiyya´s
Met rode verhitte gezichten tempelcomplex nummer zoveel gezien. We zijn de tel kwijtgeraakt. Ze zijn prachtig maar als je er 18 hebt gezien (!) ben je ze even zat. Ondanks dat is de Horustempel intens mooi en zijn de gemummificeerde krokodillen een lust voor het oog. Per gewapend konvooi vervolgen we via Edfu onze weg naar Luxor. Het armzalige konvooi stelt geen bal voor (blauwe pick-up met 1 magere soldaat maar indrukwekkend schietgerei) en bij alle formaliteiten onderweg zet ik mijn vraagtekens. Naar mijn idee is het gewoon een hoop geniks om de paar uur. We moeten helemaal lachen als ons zogenaamd konvooi halverwege de rit afhaakt en doodleuk een kop koffie gaat drinken. Geen bewaking meer, zijn we nu overgeleverd aan de woestijnnomaden?
Niet veel later komen we aan in Luxor. Waar is de schoonheid? Luxor is vies, armoedig en opdringerig.
We snellen gauw de volgende dag naar de overkant; de Westbank oftewel de oever van de doden, daar waar de zon ondergaat. De farao’s lieten hier hun graven in het diepste geheim in de rotsen uithakken. Betoverend is de rode gloed die over de heuvels valt. Valley of the Kings ligt er nog slaperig bij. Het is 06.00 uur maar wij hebben in ieder geval kaartjes voor de tombe van Nefertari, het mooiste graf van Valley of the Queens. Intens gelukkig loop ik de nog uitgestorven heuvels tegemoet. Ik zou wel even in de huid van Thomas Carter willen kruipen. Het gevoel wanneer je zoiets betoverends ontdekt, moet fantastisch zijn. De schilderingen in de tombes zijn prachtig, zo echt, zo onaangetast bijna. Boven op de heuvel ziet de vallei onder mij eruit als een wit poppenhuis. Overal trapjes, gangetjes die de diepte ingaan en popjes in galabiyya´s (lange gewaden).
Mozesberg.
Gordijntjes dicht
Luxor heeft ons naast een indrukwekkende Luxor-tempel, het enorme Karnak complex en grappige Bananen-eiland weinig meer te bieden. We vervolgen onze reis richting Hurghada. Ondanks de voorschriften kiezen we voor lokaal vervoer; de bus. Geen konvooi dus. Maar… wel de gordijntjes dicht. Dachten wij eerst nog dat dat nodig was vanwege de brandende zon, nee; “Police you know. Keep the curtain down till Hurghada”. Zo geschiedde. De gehele busreis worden we blootgesteld aan oorverdovende Hindi-films waar de Egyptenaren geboeid naar kijken. Halverwege zie ik recht voor ons een pick-up waar slechts ranke kamelenhalzen uitsteken. Door de slechte weg wiebelen ze van de ene kant naar de andere kant en lijken het net gele potloodjes die in een ijzeren blikje tollen. We passeren en de tranen lopen over m´n wangen van het lachen.
De reis verloopt een stuk sneller en binnen 6 uur zitten we weer 350 kilometer oostelijker. Sinai, here we come!
Sigala, Hurghada´s oude havengedeelte, is de afschuwelijkste plaats die we tot nu toe hebben gezien. De straten zijn vies, ratten in het koshary-restaurantje en de wc op onze budget hotelkamer 1 bruine brij. Sowieso is Hurghada een wereld apart. Plastic. Flikkerende lampen van uit de grond gestampte ressorts, ratten tussen de koshary en de Russische maffia lijkt verhuisd van Marbella naar Hurghada.
Gelukkig zijn we hier alleen voor de oversteek naar Sharm el Sheikh. Om 08.00 uur varen we de haven van Hurghada uit en een anderhalf uur later zet de superjet ons af in Sharm. Mini busjes met gretige chauffeurs staan alle backpackers al op te wachten. Allemaal naar Dahab? Instappen maar. De rit door de pure desert fascineert me en beloof mezelf een dezer dagen een kameelsafari te boeken.
Eindelijk Dahab na 3 uur rijden. Geschikt camp zoeken en uitblazen op kussens onder een palmboom. Slapen in een betonnen hut op het strand, de hele dag met vissen zwemmen, spannende duikplekken uitproberen, eten, drinken en met de jeep de desert in. Dat is Dahab. Een hippie-walhalla van weleer, al loopt niet iedereen meer op leren sandalen en tie-dye shirts.
Waar we gepland hadden er vier te blijven word al gauw tien. Ik ben verliefd geworden op Dahab.
De welbekende piramide.
De welbekende piramide.
Sinaï
De ongenaakbare Sinaï als achtertuin lokt en de camel-jeepsafari is al gauw werkelijkheid. Gewapend met een antieke four-wheeldrive en geschikte desert-gids rijden we de woestijn in. De helft van de tijd hangen we in de lucht en de andere helft worden we met een smak weer teruggesmeten. Van de zenuwen gieren we het uit. De kleuren van de Canyons zijn verbluffend en wanneer we allemaal een eigen kameel ter beschikking krijgen en zo de weg vervolgen kan deze dag niet meer stuk. Op zo´n drie meter hoogte heb ik een prachtig zicht. De zachte pantoffels van het “schip van de woestijn” lijken geen moeite te hebben met de onwennige wiebelende passagier boven op hem. Erg comfortabel is het na 2 uur rijden niet meer. Het wordt weer interessant als de kamelenpoten met bijna piepende tenen de rotsachtige heuvel afdalen. Even zie ik mijzelf boven op een plat kameel liggen, zoals de pluche mascotte van Camel. Deze reus heeft echter ervaring met afdalingen. Elke stap wordt zorgvuldig gezet. Hebben deze beesten ook ogen onder aan hun lange benen?
De oase komt in zicht en we worden ontvangen door de Bedoeïenen. We lunchen bij deze wonderlijke familie en klimmen weer op onze trouwe lang-bewimperde viervoeters. We mogen los, wat inhoudt dat je je kameel zelf in toom mag houden en dus ook bestraffend moet toespreken als ze aan de kruidige plantjes onderweg knabbelen. Een rukje aan het touw is voldoende. Niet te hard want anders verdwijn je hard galopperend de woestijn in…
De avond valt en na veel omzwervingen bereiken we de jeep. Nog snel scheuren we naar een heuvel om de zonsondergang te zien. Iets te haastig want met een grote plof begeeft de achterband het. Nee hè. Het is bijna donker en de temperatuur daalt snel. De mannen zitten rondom het wiel. De vrouwen wandelen wat om de auto. Het verouderde gereedschap laat me even denken dat we hier over 3 uur nog steeds staan. Gelukkig. Na een uur rijden we weer.
Schade aan backpackers kamp.
Palmenboulevard
Nog net bekomen van dit avontuur staat Mount Sinai de volgende dag op het programma. In de middag starten wij de klim. Het is heet. De zon schijnt onverbiddelijk op onze bol en om de 200 meter sta ik te hijgen. Mijn verdomde nicotineverleden speelt op. Toch staan we twee uur later op de berg. Om alvast verzekerd te zijn van een mooi uitzicht installeren we ons op het randje. De mensen druppelen binnen. Rood, hijgend en uitgeput. Na wat thee en prachtige uitkijkjes zitten we klaar. Laat die zon maar ondergaan. Langzaam rolt de gloeiende bol onder terwijl er onheilspellende luchten boven de ondergaande zon samenpakken. Ik realiseer me dat het fantastisch is hier.
Tot die laatste avond. Een watervloed uit de bergen heeft ons verrast. En het hele dorp. Half acht ‘s avonds gebeurde het. Veel mensen op de eenvoudige palmenboulevard. Ze wandelen, shoppen of eten. We waren rustig aan het eten tot we iets over een flood hoorden. Flood? Wij lopen richting rampgebied. Tweeënhalve meter hoge golven beuken dwars door het dorpje. Er staan nog mensen bij te schreeuwen, restaurant-eigenaars halen hun kussens binnen, we kijken vol ongeloof naar dit natuurgeweld wat eng dichtbij is. Op hetzelfde moment hoor ik riet kraken, cement kapotslaan, een geluid wat ik niet kan thuisbrengen maar wat later kolkend water blijkt te zijn. Ik sta er middenin!!! Binnen een paar seconden staat het al tot aan m´n knieën en moet ik rennen voor m´n leven. Er is maar 1 weg; de boulevard afrennen. Mensen gillen, het licht valt uit, Arabische kreten die ik niet versta vullen de zwoele avondlucht. Er word aan me getrokken. De paniek en angst overheersen overal.
De dreigende bergen aan de ene kant en de zee aan de andere kant geven me het gevoel niet meer te kunnen ontkomen op wat er eventueel volgt. Er volgt niets, blijkt na een avond ´slapen´ op ´de andere kant´. Die avond: geen hulp. Alleen maar hysterisch afwachten wat er komen zou. Geen boot, geen zoeklichten. Er zijn mensen verdronken. Camps zijn 2 meter onder de modder verdwenen en de Bedoeïenen stelen uit de backpackers rugzakken. Het meest dubieuze is dat de politie het een uur van tevoren wist en nul komma nul heeft gedaan. Geen warning, geen evacuatie. Welcome to the Land of Civilisation!
Dahab in tweeën gedeeld, gezien vanaf woestijn, richting zee.