Chili, Reisverhalen
Een eiland in het zand: San Pedro
Koen van de Wiele was in Chili en bezocht er een ‘eiland in het zand’: San Pedro. Een dorp aan het einde van de wereld. Hij vond er alle hoogtepunten van de Atacama woestijn op een hoopje: fraaie zoutvlaktes vol flamingo’s, de Maanvallei, maar bovenal het plateau van El Tatio, na Yellowstone de grootste geiservlakte ter wereld. ‘Alles is hier ver van alles – van elke stad of dorp, van elke hoofdweg. San Pedro bereiken is eigenlijk al heel wat.’
Het is aardedonker wanneer José z’n bestelwagen over de stenige Chileense weg loodst. De weinige planten slapen hier niet in de vroege ochtend, maar zuigen met hun lange wortels dankbaar het weinige vocht, de in de grond gedrongen mistdruppels, naar zich toe – hun laatste maal tot de volgende ochtend. ‘Geen volle maan vannacht, señor. Goeie keuze dat u nog even wacht om de Valle de la Luna te bezoeken.’
José heeft het tegen de Amerikaan die de passagierszetel naast hem heeft ingenomen, voortdurend indommelt en wegzakt om slechts af en toe recht te krabbelen en José‘s bemerkingen te bevestigen: ‘Si, si, hoy, El Tatio.’ José gaat gewoon door: “Ja ja, jullie je Death Valley, wij onze Valle de la Luna. Jullie Yellowstone Park, wij onze El Tatio geisers. Maar bij ons liggen beide wel op minder dan 100 kilometer van elkaar.”
Zonder maanlicht lijkt de sterrenhemel boven de Atacama op een zwart doek vol flikkerende diamanten. Wie hier in het holst van de nacht de lucht instaart, snapt plots waarvan de melkweg z’n naam heeft. Achterin zitten nog vier andere nieuwsgierigen. Een smoorverliefd Engels koppeltje laat zich intiem verstrengeld verleiden door de geheimen van de nacht, veilig veraf buiten José‘s bestelwagentje. De twee jonge Duitse studenten voor me zetten een boompje Heidegger-Schopenhauer op alsof het de voetbaltopper Bayern Munchen – Borussia Dortmund betrof. Zelfbewust en luidruchtig, maar niet verwaander dan ander westers jong volk. M’n vriendin slaapt voort op m’n schoot, dromend van de geisers als waren het donzen wollen schaapjes, te zien aan haar gelukzalige glimlach. Het zijn niet meteen mensen met een zwakke conditie die een tripje naar het plateau wagen, want El Tatio vergt heel wat van een mens – rustig blijven is al een hele sport bij dergelijke bruuske overgang naar grotere hoogte en ijlere lucht. Het schrikt de ‘gevoelige’ toeristen af die in San Pedro verblijven, en terecht.
Steenwoestenij
Bovendien liggen het geiserplateau en de Salar de Atacama, nog een andere trekpleister, nu niet bepaald in een transitzone, maar verlaten, op de grens van Chili en Bolivië, in de barre steenwoestenij die naar verluidt ook nog eens bezaaid ligt met mijnen. Alles is hier ver van alles – van elke stad of dorp, van elke hoofdweg. San Pedro bereiken is eigenlijk al heel wat.Wie, zoals de meeste toeristen, landt in Santiago, moet zich reppen om binnen het etmaal het dorp te halen. De trip is sowieso uitputtend. Een enkeltje Santiago-Antofagasta valt nog mee voor wie kiest voor binnenvlucht of salon cama bus met slaapzetels. Maar de stoffige kruisvaart via Calama per minibus is er net iets teveel aan. De lokale bevolking schuift ook steevast de raampjes open, zodat je na een uur werkelijk gelooft dat zand je laatste avondmaal wordt.Tussen de nacht en de woestijn wringt zich reeds een pril ochtendlicht. De twee Duitsers worden onrustig. ‘We komen toch niet te laat?’ vraagt er één. ‘Don’t worry,’ schiet de Amerikaan plots wakker en blikt over zijn schouder achteruit: ‘je mist geen minuut van het spektakel – José heeft een perfecte timing.’ ‘Ah, is hij die Chileen met de perfecte timing?’, moppert de Duitser sarcastisch: ‘laatst vroeg ik een Chileens indiaan aan de bushalte hoe lang de bus nog op zich zou laten wachten. De Mapuche stak twee vingers in de lucht. Twee minuten, mmm, kan er best mee door, vond ik. Het bleken twee uren te zijn.’ José giert het uit. ‘Dat is een uitzondering, señor. Excepción’ , repliceert hij.
De Duitser lijkt José het laatste woord te laten, keert zijn blik verontwaardigd van hem af en mompelt vaag nog enkele wraakwoorden, waarvan de betekenis me eerst enigszins ontgaat, tot ik merk dat ze de lach van José‘s gezicht hebben afgehaald, wat me er eensklaps van overtuigt dat één van de sneren ‘Pinochet’ moet zijn geweest, zoals ik al dacht. José reageert laconiek met ‘Què?’, en beetje zoals het niet overmatig met intelligentie bedeelde hulpje Manuel uit John Cleese’s ‘Fawlty Towers’, maar dan aangescherpt met een ietwat uitdagende ondertoon.Wanneer het niet tot een antwoord komt, stelt José de vraag opnieuw: ‘El General, señor Falken?’ De expliciete aanspreking met familienaam geeft aan het luchtige gesprek meteen een grimmige wending. ‘Met die naam maak je me niet gek, señor. En laat die ouwe toch. Ze doen maar, daar in Santiago. Dit is de Atacama. Jullie schijnen precies meer van de hele kwestie af te weten dan wij, met de TV 24 op 24 uur op CNN. Televisión del mundo. Pero … voor ons is de wereld hier, señor. Ik heb geen tijd om me heel dat toneel aan te trekken. De dag heeft zo al weinig uren om voldoende pesos te verdienen. De geisers hebben namelijk de vervelende eigenschap maar één keer per dag te spuiten. En als jouw busje niet voor zonsopgang op het plateau is, doet dat gerucht snel de ronde, en raak je de volgende nacht met moeite nog aan volk. Toeristen, señor, ze …’ – maar hij slikt zijn laatste woorden in, beseft eensklaps dat hij één van die toeristen vóór zich heeft.
Zuidamerikaanse naamsverering
José lijkt de Duitser in gedachten met een spons van een bord te vegen, en zet z’n verhaal voort tegen de Amerikaan naast hem. ‘Zeg maar Jeff, José. Ik ben geen señor.’ ‘Josef? Como José? We hebben dezelfde naam! Geen toeval.’ En uit deze nietsbetekenende band besluit José: ‘Aan jou kan ik m’n verhaal wel kwijt.’ Het moet vast de sterke Zuidamerikaanse naamsverering met katholieke inslag zijn.Ik laat m’n vooroordelen jegens Amerikanen, die ik vaak als lui en ongeïnteresseerd beschouw een mens moet toch een beeld van een volk hebben deels varen, want Jeff krikt zich recht en vraagt schouderophalend en bezorgd: ‘Problemas, José?’ De gedrongen Chileen blikt even besluiteloos overhoeks uit het raam de koude en stoffige nacht in.Niet dat daar meteen het antwoord te rapen valt, want hoewel het landschap meer begint te glooien, blijft de grens tussen lucht en land even wazig als een schilderij van Monet, en voelen we ze alleen maar, zonder ze echt te zien. We stijgen constant, voel ik aan de druk in mijn oren.
Ik dommel langzaam in, maar schrik op van de korte en minieme geluidsverandering door het huis dat we passeren. Een huis, dat was alweer een poos geleden. Ik heb mezelf na het eerste uur ongemak bij gebrek aan zicht, bijgevolg aan veiligheidsgevoel maar ook aan keuze, volledig toevertrouwd aan de chauffeur, die wonder boven wonder de weg lijkt te vinden in dit niemandsland zonder echte wegen.José verandert z’n greep op het stuur van een nonchalant-zuiderse ‘één hand’ naar een stevige klem, alsof hij zich schrap zet voor het vertellen van z’n eigen verhaal, en er niet van overtuigd lijkt dat het hem niet zal doen schrikken of tenminste emotioneren. Hij plaatst de linkerhand op halfelf en de rechter symmetrisch op halftwee, als was zijn stuur een klok. Met de linkerwijsvinger tikt José de seconden weg en haalt diep adem. ‘Drie jaar geleden is in San Pedro cholera uitgebroken.’ Hij doet cholera eigentijds klinken als ‘dolle koe’. ‘Mijn vader, …’ gaat José verder, en dan stokt zijn stem, en frunnikt hij met beide duimen tegelijk ongemakkelijk aan het gummy van zijn stuur. ‘Gouwe ouwe Enrique…,’ treurt hij, ‘m’n garagist’. Hij fikste de bus in een oogwenk, gaf niet wat er aan mankeerde. De woestijn was een speeltuin – er kon ons niks gebeuren.
Nu lijkt het soms meer op een puzzel, met te veel ontbrekende stukken. Hij ging ‘s morgens altijd mee naar El Tatio, en wiegde de woestijn en de passagiers wakker met z’n mondharp, tien kilometer voor aankomst op het plateau.’ De vertrouwelijkheid waarmee José aan Jeff z’n verhaal doet, brengt me enigszins in de war. Jeff lijkt bijlange niet de zoveelste anonieme toerist die José deze nacht oppikt voor z’n hospedaje in San Pedro om hem vervolgens naar de geisers te brengen en dan weer netjes, als de sightseeing honger is gestild, in z’n hotel te gaan droppen. Nee, een Spanjaard spreekt zo vrijelijk tegen ‘vreemden’, een Braziliaan, maar geen Chileen, nee, niet de Portugees van Latijns-Amerika. Misschien hebben ze gisteren samen in ‘La Esteka’, de meest levendige bar in het dorp, wel te diep in de pisco sour gekeken. Misschien houdt daar hun ‘band’ ook op. Maar dan vraagt Jeff: ‘En Irena?’
Spaans
José leunt vermoeid enkele tellen achterover, z’n ogen naar boven gericht, alsof hij antwoord zoekt in de helderste sterrenhemel ter wereld, en dwars door het dak van zijn ‘desert star transporter’ kijkt. ‘Enrique heeft Irena nooit gekend.’ José en Jeff gaan er ongetwijfeld vanuit dat ik geen Spaans spreek, want behalve hen ben ik de enige die nog overeind zit en wakker is, en hun gesprek wordt hoe langer hoe intiemer.En het is inderdaad zo dat ik geen jota Spaans spreek, behalve natuurlijk ‘vamos a la playa’, verplichte kost voor wie vertrekt naar een land met meer kustlijn dan binnenland. Hun gelaatsuitdrukking, en vooral dan die van José, spreekt echter boekdelen. ‘Enrique stierf terwijl ik Irena ben gaan halen in de stad om ze aan hem voor te stellen en tegelijk afscheid te nemen. Het was zijn laatste wens. Haar eenmaal te zien. Te zien wie zijn bloed had gedragen. ‘Ze was in Calama?’ José schudt het hoofd.‘Nee, anders hadden we het nog net gehaald – Anto. Tegen de tijd dat we er waren, had Enrique reeds de geest gegeven.’ De maan verzilvert de traan in José‘s ooghoek. De mensoogdruppel die vervolgens glijdt, valt en uiteenspat op de versnellingspook is als een miniatuur van de Chileense sterrenhemel. Magie is realiteit op de donkerste plek ter wereld.
Brandstofmeter
Jeff, ongemakkelijk bij zoveel emotie, giet onhandig een beker koffie uit voor José, met de bedoeling hem zo duidelijk te maken dat hij het gesprek, of liever – de monoloog, wil afronden. José zucht: ‘Ach, het leven. Todo es mentira. Eén grote leugen.’ Ik moet meteen aan het gelijknamige liedje van Manu Chao denken, dat Jorge telkens weer opzet ‘s morgens, als hij met een ouderwetse heksenbezem het stof keert uit de vrijgekomen kamers van onze Residencial Rayco.‘Hé, je brandstofmeter staat in het rood, driver. No mentira! Halen we met dit vehikel El Tatio?’ Jeff blikt minachtend neer op de Duitser om hem de giftige opmerking te doen inslikken: ‘we rijden gewoon op een helling, man. Dan is dat toch normaal? De meter gaat zo weer omhoog. En we halen El Tatio. José haalt altijd El Tatio. Elke dag.‘Op hetzelfde moment schiet het busje links achteraan omlaag, schuurt de kist nog een twintigtal meter verder door het stof en komt dan tot stilstand. ‘Scheisse’, klinkt de ochtendgroet van de Duitser, die iedereen wakker schokt die dat nog niet was van de schok. ‘José?’ vraagt Jeff met een bang hartje. ‘Gebroken achteras…’ klinkt het, ‘en geen Enrique in de buurt’, voegt hij er nog aan toe, als plots achter ons twee lichtbundels opduiken.‘Gott mit uns’, slaat de Duitser tevreden een kruis en vervolgens de armen in de lucht, en loopt de transporter alvast tegemoet om z’n zitplaats voor de geisers op te eisen. Z’n vriend volgt hem op de voet, als een kip zonder kop, ook letterlijk, want wegens de koude heeft hij z’n thermovest over z’n hoofd getrokken. Wanneer het tweede busje halt houdt naast het onze, neemt de chauffeur poolshoogte en overlegt hij met José. Hij blijkt zopas halsoverkop uit San Pedro vertrokken te zijn, en geen tijd gehad te hebben om reparatiemateriaal te laden. Vervolgens wenkt hij ook ons, de resterende ‘drenkelingen’, om plaats te nemen in zijn op één koppel na lege bus.
Het verliefde koppeltje ziet meer heil in thermische baden en geisers dan in een nachtje krikken en lassen in de barre Atacama, en aarzelt geen moment. Jeff klinkt vastberaden: ‘Ik blijf bij José tot de eerste transporter met reparatiekit terug hierlangs komt.’ José glundert. M’n vooroordelen tegenover Amerikanen krijgen opnieuw een flinke knauw, een zodanige zelfs dat ik zin heb om Jeff rond de hals te vliegen en z’n voorbeeld te volgen, maar hij is me te vlug af en wimpelt ons af naar het busje: ‘Go,’ moedigt hij ons aan, en wijst dan naar m’n vriendin, ‘it’s her dream – let it come true. Laat haar droom uitkomen – ga El Tatio zien.’
Met een wee gevoel in m’n buik knik ik Jeff en José bemoedigend toe, draai me om en loop naar het busje, m’n halfwakkere woestijnprinses ondersteunend. M’n hoofd is bij haar droom, maar m’n hart bij José. Zou ik die geisers nu niet laten voor wat ze zijn en José helpen? We kunnen tenslotte toch elke dag naar El Tatio? Maar ik draai me niet meer om.