Kenia, Reisverhalen
Een slopende rit per matatu
Josine van der Wal deed vrijwilligerswerk in een missieziekenhuis in Kenia. Naast haar werk had ze ook ruim de gelegenheid om te reizen. Ze trok er opuit met haar vriendinnen en maakte enkele fantastische reizen, waaronder een slopende rit per matatu. Ze is nog maar een paar dagen in Kenia. ‘Vanochtend om half 7 lagen de meeste Kenyanen nog op één oor en kon ik me in relatieve rust begeven in de straten van Nairobi, maar nu is het land overduidelijk ontwaakt en op het busstation van Nakuru heerst de chaos die zo typerend is voor die van grote Afrikaanse steden.’
De dominee in het gangpad van de Eldoret Express vuurt onafgebroken zijn preken af op het nog maar amper ontwaakte Kenyaanse volk dat zo te zien onaangedaan blijft onder de prediking. De één kletst met zijn buurman, een ander zit slaperig voor zich uit te staren of is meer geboeid door het ochtendnieuws in de krant.
De dominee verheft zijn stem, maait met zijn lange armen door de lucht en doet vergeefse pogingen wat drama in zijn stem te leggen, maar slaagt er niet in emoties of ook maar de geringste blijken van interesse op te roepen. Na drie kwartier stopt de oorverdovende waterval van woorden en loopt de dominee met de collectezak door de bus; blijkbaar is de preek afgelopen. Ik haal opgelucht adem en kan eindelijk toegeven aan de slaap die me al uren parten speelt.
Nairobi
Drie uur na vertrek uit Nairobi maken we een tussenstop in Nakuru, na de hoofdstad de grootste stad van Kenya. Vanochtend om half 7 lagen de meeste Kenyanen nog op één oor en kon ik me in relatieve rust begeven in de straten van Nairobi, maar nu is het land overduidelijk ontwaakt en op het busstation van Nakuru heerst de chaos die zo typerend is voor die van grote Afrikaanse steden.
Ik heb er meteen de volle aandacht zodra ik m’n witte hoofd buiten de bus laat zien en krijg niet eens de kans al die behulpzame jongens die buiten staan te wachten te vertellen waar ik heen wil. ‘Karibu mzungu! How are you?’ ‘Where are you going?!’ Dit laatste blijkt meer een onderdeel te zijn van het welkomstritueel dan vragen waarop een antwoord wordt verwacht; ik wil m’n mond al open trekken en zeggen dat het niet slecht met me gaat en dat ik een matatu zoek die mij via Njoro en Elburgon naar Kericho kan vervoeren, als de overijverige horde zich al heeft ontfermd over mijn rugzak en zich door de mensenmassa voortbeweegt.
Ik hol achter de jongens aan want ze moeten toch weten waar ik eigenlijk naar toe wil, anders draait deze tocht nergens op uit. ‘Deze mevrouw wil naar Njoro!’ schreeuwt er één tegen de matatului. Hij heeft blijkbaar toch iets opgevangen. ‘Nee, ze wil naar Elburgon!’ roept een ander er achteraan. Al mijn pogingen orde te scheppen in deze chaos lopen op niets uit en het lijkt mij verstandig me nu alleen nog maar bezig te houden met de vraag wie hier eigenlijk het opperhoofd is, zodat ik daadwerkelijk een gesprek aan kan gaan en te weten kan komen waar deze matatu heen gaat, of niet heen gaat.
De bus in Nairobi.
[Foto: Josine van der Wal]
Zweterige lijven
‘Enough space, madam, no problem!’ Ik weet niet waar ik de ‘space’ moet zoeken en in het halfduister van de matatu kijk ik hulpzoekend in het rond; is er iemand die misschien mijn rugzak van me over kan nemen zodat ik tenminste twee handen vrij heb om over alles en iedereen heen te klauteren zonder mijn evenwicht te verliezen en me een weg te banen door de wirwar van armen, benen, zweterige lijven, zakken rijst en kinderen op de vloer?
Grote, donkere ogen ontmoeten de mijne, maar niemand doet een poging een millimeter voor me op te schuiven zodat ik gedwongen ben mezelf tussen de passagiers te storten zonder me daarbij af te vragen of ik per ongeluk niet boven op een kip, een tros bananen of een boodschappentas terechtkom. Ik ben niet onbekend met het fenomeen ‘matatu’; vorig jaar was ik in Tanzania en daar maakten de duizenden Nissanbusjes of omgebouwde pick-ups de wegen ook onveilig, met als enig verschil dat de Tanzanianen deze voertuigen geen matatu noemen maar Dalla Dalla. Er is altijd plaats en dat is wel het voornaamste dat ik er in die drie weken geleerd heb. Altijd kun je mee, al blijft het ook altijd de vraag hoe je er weer uit komt na afloop van de rit.
Naarmate de kilometers vorderen op weg naar Kericho, neemt ook het aantal matatu’s toe waar ik continu op over moet stappen om redenen die voor mij onduidelijk zijn. Ik heb dan ook vrij snel spijt van de alternatieve route die ik heb uitgestippeld. Als ik gewoon in de Eldoret Express was blijven zitten, had ik deze avond al in Eldoret kunnen zijn maar ik moest zonodig van de gebaande wegen af en daar moet ik nu voor boeten. Voor al het geduw, geschreeuw en gedoe ben ik nu veel te moe en genieten van de mooie omgeving zit er dan ook niet in.
Het Plateau ziekenhuis waar Josine
werkte. [Foto: Josine van der Wal]
Molo
Molo is een armoedig dorpje waar mannen werkeloos en doelloos rondhangen op de hoeken van de straten en totaal vervuilde kinderen in de modder spelen. De drukte van de stad kent men niet en zelfs de chauffeur van de zoveelste matatu van vandaag lijkt absoluut geen haast te hebben. Hij heeft al drie keer de motor gestart en soms een stukje gereden, maar dan komt hij weer een maat van ‘m tegen waar hij vervolgens uitgebreid de laatste nieuwtjes mee uit lijkt te wisselen.
Ik merk dat de anders zo aanstekelijke vrolijkheid en het geduld van de Afrikanen door mijn slaaptekort nu aan effectiviteit dreigt te verliezen. In mezelf zit ik te schelden en te mopperen op van alles en nog wat en ik heb al helemaal geen zin meer om met mijn buurmannen en -vrouwen de gebruikelijke matatugesprekken aan te gaan.
Een Keniaanse vriendin.
[Foto: Josine van der Wal]
Dodemansrit
Tot overmaat van ramp begint het ook nog te regenen. Op zich is dat niet erg, maar gelet op alle mankementen die deze matatu vertoont, zou de rit naar Kericho nog wel eens een hachelijke onderneming kunnen worden. De linkerruitenwisser doet het prima, alleen heeft deze niet veel nut aangezien de chauffeur rechts zit.
De rechterruitenwisser heeft er ooit ook wel gezeten; de metalen staaf die dwaas mee zwiept is daar het bewijs van. Zo’n gek zwiepende staaf voor je ogen is ook maar niks, dus maken we een korte stop om deze eventjes om te buigen zodat hij niet meer de voorruit raakt maar nu – nóg dwazer – recht naar voren uitsteekt en daar verder mee zwiept. Ik zit deze keer voorin en daardoor heb ik prima zicht op alle technische hoogstandjes op en onder het dashboard.
Als ik op dit moment nog een greintje vertrouwen had in deze dodemansrit, is dat nu compleet weggeslagen. De snelheidsmeter staat continu op nul terwijl we toch echt met een rotgang over het asfalt scheuren. De benzine is op (maar dat klopt niet volgens de chauffeur) en alle wijzertjes die normaal gesproken iets aanwijzen, hangen werkeloos naar beneden.
M’n voet trapt regelmatig op een denkbeeldige rem als we op het allerlaatste nippertje inhalen en een tegenligger met een noodgang aan komt scheuren en ik knijp m’n ogen dicht als we vrolijk door enorme kuilen en gaten in het wegdek denderen, waarvan ik dacht dat onze chauffeur z’n best wel zou doen ze te ontwijken.
Duidelijk een ziekenhuisbord.
[Foto: Josine van der Wal]
Ongure types
De straten van Kericho zijn door de regen veranderd in modderige glijbanen en het valt niet mee om overeind te blijven met twintig kilo op m’n rug. Mensen staren me ongegeneerd aan en roepen me na. Wie ben ik, hoe gaat het met mij, waar kom ik vandaan en waar ga ik naar toe? Het klinkt niet onaardig, maar toch voel ik me hier niet op m’n gemak.
Een paar ongure types duiken wel erg regelmatig op in mijn buurt en totdat ze voorbij gelopen zijn doe ik net of ik hevig geïnteresseerd ben in een verzameling potten en pannen op de markt. Na tien lange minuten ontdek ik een uithangbord met het opschrift ‘Lodge’ en ik ga op onderzoek uit. Ik glibber voorzichtig een stukje naar beneden en het rumoer van de markt sterft langzaam weg.
Het hotelletje zonder naam blijkt in feite niet meer te zijn dan één lange, sombere gang met aan weerszijden een eindeloze rij deuren. Het geheel doet nogal deprimerend aan en net op het moment dat ik me afvraag of er zich nog wel een levende ziel bevindt in dit uitgestorven kot, wordt de stilte doorbroken. Een vrouwtje op teenslippers komt aangesloft en een beetje onzeker vraag ik haar of ik hier misschien kan overnachten. De vrouw op teenslippers sloft me voor naar mijn kamer.
Ik schenk geen aandacht aan de walgelijke stank die vanuit het sanitair de gang op walmt. Een bed, een halfvergane stoel en een paar teenslippers is alles wat zich in mijn kamer bevindt. Ik verlos mezelf van mijn loodzware rugzak en val neer op het bed. Nu in slaap te vallen en de volgende ochtend pas weer wakker te worden..! Maar het is pas vier uur in de middag en ik moet op zoek naar iets eetbaars.
Internetcafé
Het lijkt wel of Laurent met een trofee door het stadje loopt te banjeren. Aan al zijn vrienden, familieleden en bekenden – en dat zijn er helaas nogal wat – wordt ik voorgesteld en we kunnen onze weg pas weer vervolgen als alle verplichte vragen zijn gesteld en door mij beantwoord. Laurent is de officer van het hotelletje zonder naam en net toen ik op weg wilde gaan, kwam ik hem tegen in de gang. Een joviale, vriendelijke man die me wel even wegwijs wilde maken in Kericho.
Bij nader inzien is hij nogal vermoeiend en ik voel me opgelaten door de manier waarop hij met me door het stadje sjouwt. Voor hij me het internetcafé wijst, gaan we nog even langs zijn kantoor. Hij moet er nog even wat regelen en het is toch op de route. Hij neemt er plaats achter een bureautje en begint druk te telefoneren en notities te maken. Ik zit er een beetje verloren bij en word ondertussen weer aan allerlei mensen voorgesteld die nieuwsgierig om de hoek komen kijken. Laurent probeert een telefoonverbinding met Nederland te maken zodat ik ze thuis kan vertellen dat het goed met me gaat, maar het lukt niet. Oké, opstappen en wegwezen dan maar, richting het internetcafé en de markt.
Maar Laurent maakt geen aanstalten om op te staan en ik besluit het dan maar over een andere boeg te gooien. ‘U heeft het vast heel erg druk en ik leg alleen maar beslag op uw kostbare tijd. Als u het niet erg vind stap ik op en dat internetcafé vind ik wel’. Ik put me uit in dankbetuigingen en verontschuldigingen en slaak een zucht van verlichting als ik weer buiten sta. Ik besluit vanaf nu alles zelf uit te zoeken en iedere toenaderingspoging die ik op mijn weg tegenkom, vriendelijk doch beslist af te kappen.
Overdreven vriendelijkheid
De volgende ochtend sta ik bepakt en bezakt voor het kantoortje om te betalen. Ik heb twaalf uur aan één stuk geslapen en kan er weer tegen. Gelukkig is Laurent er niet en neemt iemand anders voor hem waar. Ik heb meer dan genoeg van zijn overdreven vriendelijkheid en een ontmoeting met hem zou mijn hele reisprogramma van vandaag door de war gooien.
‘Ik zal u naar het busstation brengen, dan kunt u daar een matatu nemen naar Kapsabet en daarvandaan eentje naar Eldoret. Vindt u dat een goed idee?’ Na de ervaring van gisteren sta ik op het punt te bedanken voor de eer, maar besef op hetzelfde moment dat ik geen flauw idee heb waar ik een matatu kan vinden naar Eldoret en dat het waarschijnlijk verstandiger is om zijn aanbod aan te nemen.
Deze man maakt het helemaal bont als we op weg zijn naar het busstation. ‘I married a mzungu!’ roept hij lachend naar zijn vrienden. En ik? Ik doe net of ik achterlijk ben, volg lijdzaam en verlang hevig naar het moment waarop ik niet meer op reis zal zijn. Voor ik arriveer bij het Plateau Hospital moet ik nog vier keer van matatu wisselen, zit ik zowat op schoot bij een dronken medepassagier die onder algemene hilariteit de matatu wordt uitgezet omdat hij niet weet wie hij is en waar hij heen moet, doorsta ik doodsangsten als gaandeweg steeds meer snelheidsmaniakken de wegen onveilig maken, overleef ik een ongelukje waarbij het linkervoorwiel van de matatu terecht komt in één van de kraters in het wegdek en wacht ik een half uur langs de kant van de weg op vervoer naar het ziekenhuis.
Schoolkinderen staan stil en nieuwsgierig voor de ramen van mijn huisje, hun neusjes platgedrukt tegen de ruit. Er is een ‘mzungu’ in Plateau..! Ik loop naar buiten; de laagstaande zon verwarmt mijn gezicht, vogels zingen een lied en magere koeien grazen in mijn groene tuin. Voorlopig blijf ik thuis.