Ecuador, Reisverhalen

Een zondag in El Oriente

Praten met mensen is een manier om een land te leren kennen. Toch is observeren ook een manier om reizen te ervaren. Gertie Rutten zit in de bus naar de junglestad Coca in het oosten van Ecuador.
‘Zondagmiddag in een onbekend dorp ergens in El Oriente. De mis is uit, de voetbalwedstrijd is afgelopen, de boodschappen zijn gedaan. De mannen hebben zich lazarus gezopen, het geld is op. Tijd om naar huis te gaan.’

Auteur - Gertie Rutten

Op zondag vertrek ik uit Baños, nog in de duisternis van de nacht. Op weg naar Puerto Francisco de Orellano. Deze stad in El Oriente van Ecuador heet in de volksmond Coca.
In de uitlopers van het Andesgebergte rijdt de bus over smalle, modderige wegen naar beneden, naar het Amazonelaagland. Mistflarden hangen tegen de bergwanden en in het rivierdal. Op verschillende plaatsen kletteren watervallen op het dak van de bus. We nemen haarspeldbochten en ontwijken gaten in de weg. Het grijze ochtendlicht maakt plaats voor de steeds feller schijnende zon. De weg licht op als een gele lijn in het diepgroene landschap. We passeren dorpen, huizen en mensen. ‘Kaas te koop’ staat er in vervaagde witte letters op een vervallen huis. Er is niemand. Nog geen rondscharrelende kip.

Halverwege de route, in de vochtige warmte van het dorp Tena, stap ik over op een andere bus. Kleiner en krakkemikkiger dan de eerste. Nog minder been- en zitruimte. Ik deel een tweezitsbank met een moeder en twee kleine kinderen. Dan zie ik dat de stoel achter de chauffeur nog leeg is. Die plek neem ik. Geen bank, niemand die naast mij kan zitten.
Het blikken omhulsel rijdt Tena uit. De bus is vol. De mensen in het Amazonegebied zijn tenger, hebben fijne gelaatstrekken en kleine, donkere ogen. Ze zien er bijna Aziatisch uit. Heel anders dan de indiaanse bevolking in de bergen, die breder en grover van bouw zijn. Het gezette bushulpje wurmt zich door het gangpad. Hij wringt zich in bochten om de buskaartjes uit te schrijven en het geld in ontvangst te nemen.
Ik schuif het raam een beetje open. Verkoeling. Een laagje stof vermengt zich met het zweet op mijn voorhoofd.

Twee dames
In een dorp stappen mensen uit. En in. Twee dames in mantelpakjes en een bijbel in de hand krijgen een zitplek naast de chauffeur. Een jongetje met een zware rijstzak neemt plaats bij de uitgang. Hij likt aan een knalroze aardbeienijsje. De bultige zak beweegt. Jonge mannen in glimmende voetbalshirts en shorts schuiven door naar achteren. Een enkeling met echte voetbalschoenen, de meesten dragen dunzolige gympen ‘Made in China’. Aangeschoten supporters vullen de leemtes in het gangpad. Een van hen, een magere man, hangt half tegen een passagier, half tegen de rugleuning aan. In de slappe houding die dronkaards typeert. Ik ben blij dat ik daar niet zit. Ik vermoed een sterke alcoholwalm.
Een indiaanse vrouw stapt in. Ze heeft een jerrycan met benzine in haar ene hand, een kapmes en een kunststoftas met levensmiddelen in haar andere. Haar echtgenoot, spierwit overhemd, terlenka broek in rubberen laarzen, volgt. Wankelend en met een wazige blik. IJsverkopers wurmen zich door de bus met opgeheven arm. ‘Helados! Helados!’ Kinderen omsingelen de bus en zoeken oogcontact om hun fluorescerende frisdranken en flesjes water te verkopen. Af en toe verschijnt een van die kinderen in de deuropening. ‘Agua?’
Zondagmiddag in een onbekend dorp ergens in El Oriente. De mis is uit, de voetbalwedstrijd is afgelopen, de boodschappen zijn gedaan. De mannen hebben zich lazarus gezopen, het geld is op. Tijd om naar huis te gaan.
Maar waar staat hun huis? We volgen opnieuw de uit het oerwoud gekapte zandweg.
‘Bajada!’ De chauffeur wordt gemaand te stoppen. Op een plek waar niets is. Er stapt niemand uit. Achter in de bus is gerommel. De voetballers praten druk. Ze proberen de dronken magere man uit de bus te helpen. Het hele gangpad staat volgepakt en met geen mogelijkheid krijgen ze hem langs de mensen en de boodschappen. ‘Wil iedereen even uitstappen?’ roept een van hen. Even later heeft de zatlap een vrije doorgang naar de deur. ‘Hij moet nog betalen,’ zegt de kaartjesverkoper. De voetballers helpen de man het voertuig uit. ‘Hij hoeft niet te betalen,’ zegt er een, ‘hij is de eigenaar van de bus.’ Gelach. Iedereen stapt weer in. De jongen dringt niet aan en tikt op de metalen stang als teken voor de chauffeur dat hij weer mag rijden. Ik kijk om. De dronkaard staat eenzaam langs de weg. Nog op de plek waar de voetballers hem hebben neergezet.

Dichte jungle
De chauffeur scheurt verder. Voor zover dat mogelijk is op een weg met losse stenen en gaten. De busjongen hangt uit de deuropening. Zo nu en dan rijden we door een nederzetting. Huizen op palen. Spelende kinderen. Houten keten waar zakjes chips, frisdrank en plastic emmers te koop zijn. Paarden grazen in de berm. Een kip spurt naar de overkant en haalt het.
De meeste tijd is de dichte jungle het enige uitzicht.
Een nieuwe stop. We staan stil bij een zijweg. Weer zo’n rechte lijn het oerwoud in. De indiaanse vrouw met de jerrycan, het kapmes en de volle boodschappentas komt naar voren. Haar echtgenoot in het witte overhemd volgt. Met moeite. Hij is zo dronken als een tor. Zij stapt uit en loopt zonder omkijken de lege zijweg in. De man zoekt met zijn voet de grond. Hij tuimelt de bus uit, maar blijft op de been. Hij tolt om zijn as, gedesoriënteerd. De vrouw wordt steeds kleiner. Haar zware last draagt ze met rechte rug.
We passeren steeds meer huizen en mensen, de weg wordt breder. ‘Hoe ver is het nog?’ vraag ik het hulpje. ‘Nog een half uur.’ We komen in de buurt van Coca, de bewoonde wereld. In een flauwe bocht ligt een man in de berm, zijn bovenlichaam op de weg. Iemand heeft een halve cirkel stenen om hem heen gelegd als waarschuwing voor de weinige automobilisten en buschauffeurs. Solidariteit onder mannen. Ik vraag me af waarom ze hem niet helemaal in de berm hebben gesleept. Wilden ze hem rustig zijn roes laten uitslapen? Is dit mannenlogica?

We rijden Coca in door grote regenplassen en kuilen. Alleen de Avenida Central is geasfalteerd. Fietskarren en blinkende Toyota’s maken daar snelheid. Wij stoppen. De chauffeur legt mij uit waar het hotel is. Ik stap uit. Het hulpje haalt mijn rugzak van het dak en wijst welke kant ik uit moet.
Na tien minuten lopen kom ik aan bij het hotel, mijn T-shirt doorweekt van het zweet. Het is drukkend benauwd. Uitgeput zak ik in een stoel op het terras. Ik kijk uit op de rivier Napo. Het water stroomt sloom. De zon gaat onder. Oranjegeel. Een typische zondag in El Oriente.



Plaats reactie of reistip





* verplicht invoerveld

Facebook RSS Feed