Albanië, Reisverhalen

Er is helemaal niets in Albanië

Ernest Claassen reisde door Albanië. Hij brengt zijn impressies onder woorden als hij van stad naar dorp en van het platteland en weer naar de stad reist. Hij gaat het noorden van het land verkennen. Hij besluit waarschuwingen van de lokale mensen ter harte te nemen en zijn reis aanpassen. Hij sluit zijn vakantie in de Balkan af in de havenstad waar zijn verhaal begon: Durrës. ‘Eigenlijk wilde ik naar de meeste noordelijke stad, Bajram Curri, maar dat kon niet in een dag. Dus bleef ik eerst in Kukës (zeg Koek’s), echt een arme stad niet ver over de grens met Kosovo.’

Auteur - Ernest Claassen

Het werd tijd om nog een keer de kleine bunkertjes in Albanië van dichtbij te bekijken. Ik had een boek gelezen van Ismail Kadare (Een breuk in april) over de bloedwraak in het noordelijke gebergte en dat landschap wilde ik heel graag nog zien: volgens mijn reisgids de ‘onbedorven Albanese Alpen’ waar nog wolven en beren wonen.
Eigenlijk wilde ik naar de meeste noordelijke stad, Bajram Curri, maar dat kon niet in een dag. Dus bleef ik eerst in Kukës (zeg Koek’s), echt een arme stad niet ver over de grens met Kosovo. En verdomd, ik werd gewoon blij toen ik weer de kleine ronde ‘bunkeri’ langs de weg zag staan. Kukës was de stad waar ze 150.000 vluchtelingen uit Kosovo hebben opgevangen in 1999. Nu is het een slaperige plek aan een schitterend stuwmeer, waar ze tussen 9 en 15 uur geen elektriciteit hebben en waar je ‘scharrelkoeien’ ziet rondlopen die de vuilnisbakken leegvreten.

Kukës

Hier ontmoette ik een jongen die erg goed Engels sprak en die me een rondleiding door Kukës gaf. Hij had tijdens de Kosovo-crisis voor een Deense hulporganisatie gewerkt. Nu was hij radiomonteur. Elke dag ging hij naar zijn werk, maar omdat ze maar één radio hadden die het toch altijd deed, mocht hij na vijf minuten weer naar huis. Dat was zijn baan. ‘s Avonds nog gebiljart, doen de Albanezen veel, in holle lokalen met witgekalkte muren. Daar zitten dan tientallen mannen de verveling te verdrijven. Samen in een café-restaurant gegeten, met een paar van zijn vrienden erbij. Ze schrokken erg van mijn voornemen om naar de stad Bajram Curri te gaan. Daar wemelde het namelijk van de criminelen, die elkaar zouden verdringen om mij van mijn eigendommen te ontdoen. Ook mijn Blue Guide reisgids raadde me trouwens in hevige bewoordingen af om er heen te gaan, maar dat leek me lichtelijk overdreven. Alleen toen ik hoorde dat Albanese vrachtwagenchauffeurs een gevarentoeslag eisen als ze naar Bajram Curri moeten, dacht ik, laat ik toch maar verstandig zijn en voor een keer al die onheilsberichten geloven. De volgende dag bleek er overigens sowieso geen verbinding te zijn: de buslijn was opgeheven.

Albanië Sultan Mehmet Fatih moskee Pristina Mannen bij de Sultan Mehmet Fatih moskee in Pristina.

Peshkopia

Dan maar ietsje zuidelijker, naar Peshkopia. Het ging me vooral om de rit ernaartoe, door een schitterend berglandschap. De weg was ontzettend slecht, het busje moest soms stapvoets rijden en je werd steeds op en neer geschud. We kregen een lekke band en de hele tijd klonk er keiharde, jengelende Albanese popmuziek. Maar de omgeving was inderdaad schitterend, van die hele ruige bergen en kleine dorpjes waar de tijd stilstaat. Hoewel, tijdens een rustpauze werd ik in het Engels aangesproken: een jongen die zei dat hij in Engeland woonde maar even ‘op vakantie’ was ‘in this shit country’. Er was helemaal niets in Albanië, wie wilde hier nou blijven! Hij trakteerde me op een blikje limonade. Daar zat ik dan, in een dorpscafé met twee oude boertjes erbij, glimlachende heertjes met van die witte vilthoedjes. Die jongen jaagde me nog de stuipen op het lijf met de waarschuwing dat ik vooral nooit geld en paspoort bij me moest dragen, want ze vermoorden je hier zonder met hun ogen te knipperen. Makkelijker gezegd dan gedaan in een land waar je nergens geld op kan nemen. Op een gegeven moment liep ik met ongeveer 500 euro op zak. (Hier was mijn theorie dat emigranten psychologisch geneigd zijn hun vaderland af te zeiken om hun vertrek onbewust goed te praten.) Maar ja, zo’n opmerking zorgt er toch weer voor dat je een beetje de zenuwen krijgt.

Albanië Meisjes in Pristina Meisjes in Pristina.

Peshkopia zelf is een geïsoleerde stad, omdat de wegen zo miserabel zijn. Er was dan ook erg weinig te doen. Meer dan in andere Albanese steden was er een algehele sfeer van verval. Gebouwen die vroeger waarschijnlijk goed werden onderhouden, zoals het theater en een grote school, waren nu totaal verwaarloosd. Het hotel had geen stromend water, overal was het stoffig en het riviertje door de stad lag helemaal vol met vuilnis.

De volgende dag ben ik vroeg vertrokken: ik moest maar weer eens op huis aan. Peshkopia ligt ten oosten van Tirana en Durrës en de busrit naar de havenplaats duurde ruim zes uur. Omdat ook nu weer de bus zo op en neer hoste, moesten verschillende mensen meerdere malen overgeven. Dat deden ze in gele plastic zakjes, die eerder waren uitgedeeld. Als ze zo’n zakje volgekotst hadden, gooiden ze het uit de bus en vroegen een nieuw zakje. Zo werkte dat. Ik kon me gelukkig op andere dingen concentreren en werd niet misselijk.

Albanië haven van Durrës Schip wordt geladen in de haven van Durrës.

Opnieuw Durrës

Begin van de middag kwam ik aan in Durrës, de havenstad waar ik ruim drie weken eerder het land was binnengekomen. Ik bleek dezelfde avond nog met een veerboot naar Italië mee te kunnen. Tja, misschien een beetje overhaast, maar waarom nog een hotel betalen om de volgende ochtend vroeg met de boot te gaan? Dus een ticket gekocht en nog tijd genoeg om de stad te bekijken. Trouwens zag je hier weer hoe massaal Albanezen zich ergens op storten als ze denken dat het geld oplevert: in Durrës heb je wel 150 reisbureautjes voor de veerboottickets, die met een beetje mazzel elk twee of drie klanten per week hebben.

Albanië haven van Durrës Voor de haven van Durrës.

In Durrës hadden ze best een aardig stukje strand en daar heb ik genoten van de laatste paar uurtjes van mijn Albanese vakantie. Heerlijk weer, een prachtige zonsondergang en ook nog een kermisje op de boulevard met grappige, knullige kinderattracties. Je kon luchtbuks schieten en in een treintje langzaam kleine rondjes rijden. Dit alles in de schaduw van een groot bronzen standbeeld van een woeste verzetsstrijder.

Via Rome naar Rotterdam

Er vertrokken die avond drie veerboten uit Durrës en er waren veel reizigers. Omdat de paspoortcontrole erg streng was en ze maar twee loketten hadden, moest ik lang wachten. Helaas was er geen snelle rij voor EU-burgers. In het licht van het universele gelijkheidsbeginsel natuurlijk lovenswaardig, maar op dat moment vond ik het bijzonder jammer.
Op de kade hadden ze drugs gevonden in een auto, die nu omcirkeld werd door tientallen agenten. Aan boord werd ik opnieuw getroffen door de verregaande onvriendelijkheid van de Griekse bemanning. Gelukkig maakte een schitterende zonsopkomst veel goed.

Op Italiaanse bodem kwam ik via Bari aan in Rome. Daar was ik nog nooit geweest en nu lag het op de route. Rome valt eigenlijk niet mee als je er om acht uur ‘s avonds zonder enige voorbereiding aankomt. (In Bari waren nergens Engelstalige reisgidsen te koop.) In twee dagen heb ik er veel gezien: het Vaticaan, de Sint Pieter, het Pantheon, de Trevi-fontein en het Collosseum.
‘s Avonds stond een donkere man bij de Spaanse Trappen wat tegen de menigte te roepen. Duidelijk een geval van iemand die de weg kwijt was en niemand luisterde dan ook naar hem, temeer omdat hij in het Nederlands sprak. Ik kon niet goed horen wat hij allemaal zei, maar ving wel flarden op als ‘Noordplein’ en ‘Weena’. Ik vatte het op als een Teken. Een teken dat mijn vakantie afgelopen was en dat ik terug moest naar Rotterdam.



Plaats reactie of reistip





* verplicht invoerveld

Facebook RSS Feed