Kenia, Reisverhalen

Het vergeten noorden van Kenia

‘Uren en uren rijden we door een leeg, woestijnachtig gebied. De enige afwisseling die het landschap te bieden heeft, is af en toe een eenzame boom of wat nomaden met hun kuddes.’ Josine van der Wal reist door het vergeten noorden van Kenia, dwars door de woestijn. De reis is lang, maar ontzettend spannend! Ze schrijft: ‘Het wordt heter en heter naarmate de groep vordert op de weg richting de woestijn. De bestuurders voeren heftige discussies. De auto houdt het nog, maar voor hoelang?’

Auteur - Josine van der Wal

Het wordt heter en heter naarmate we vorderen op de weg richting de woestijn. Maar daar zijn we nog lang niet, volgens Paul. Voor ons voeren Sammy en Paul heftige discussies. Nou ja, eigenlijk is alleen Sammy constant aan het woord en het enige dat Paul toevoegt aan het gesprek is af en toe een instemmend ‘gehum’. Hij moet zijn aandacht bij de weg houden. Sammy doet zijn inspiratie op uit de kranten die voor hem op het dashboard liggen. De verkiezingen komen eraan en de dagbladen staan bol van de mooie woorden van politici en ontwikkelingen op politiek gebied.
Regelmatig zit Sammy zich in z’n eentje te verkneukelen en als hij grinnikt, worden z’n dikke minioortjes bijna dubbelgevouwen tegen z’n ronde hoofd en zijn enorme buik (een kok die niet van lekker eten houdt is tenslotte geen echte kok) schudt mee.

We blijven dit boeiende tafereel gadeslaan en genieten minstens zoveel als zij. Het leidt ons ook een beetje af van de angstaanjagende gedachten die door ons hoofd spelen. De weg tussen Isiolo en Marsabit staat namelijk nog altijd bekend als gevaarlijk en in onze voorstelling is elke tak of steen op de weg daar neergelegd als wegversperring voor eenzame reizigers. Zogenaamde Shifta’s, Somaliërs die aanspraak maken op dit gebied, maken de route onveilig en alleen al de gedachte aan deze bandieten bezorgt ons kromme tenen.

Woestijn

Uren en uren rijden we door een leeg, woestijnachtig gebied. De enige afwisseling die het landschap te bieden heeft, is af en toe een eenzame boom of wat nomaden met hun kuddes. Geiten sabbelen aan verdorde struikjes waar met wat geluk nog een mals blaadje aan hangt. Een magere jongen komt van ver, zo snel als zijn lange benen hem kunnen dragen, naar onze jeep gerend. Een brede lach verschijnt op zijn gezicht, want reizigers in dit afgelegen oord, dat betekent water! En wat is hier van meer waarde dan water?! De lach verdwijnt niet meer van zijn gezicht als hij een paar slokken van onze voorraad heeft genomen. Hij tovert een viezige fles tevoorschijn die hij aan het koord om z’n middel heeft hangen. Of we daar ook nog wat in willen doen?
Er hangt een A4-tje op de muur van onze kamer, waarop Jey Jey Center zich verontschuldigt voor ‘the long, bumpy and dusty drive’ maar ze belooft dat ze er alles aan zal doen om ons de afgelegde 280 kilometer snel te laten vergeten. Het hotelletje staat midden in Marsabit en onze kamer biedt uitzicht op het straatleven. Ik heb nu niet meer het idee in Kenya te zijn, maar in een of ander Islamitisch land. Zwaar gesluierde vrouwen lopen op straat en ergens vlakbij schalt geluid uit een moskee. Daar tussendoor ontdek ik ook wat Samburu en Turkana en een enkeling die ik zo gauw niet thuis kan brengen. Onder een afdakje naast het hotel is Sammy boven wat hete kooltjes aan het kokkerellen geslagen. We zitten onder de blote sterrenhemel te rillen van de kou, maar hebben een superknusse avond met z’n vijven. De ongelofelijke herrie uit de moskee zal de hele nacht doorgaan, weet Sammy ons te vertellen. Er was vandaag een bruiloft in de stad en het feest is nog lang niet afgelopen…

Kenia

Chalbi Dessert

Een dik pak van grijze wolken houdt Marsabit gevangen in een gure kou. Het heeft vannacht flink geregend en de laatste druppels vallen uit de hemel. De inwoners van de stad hebben in alle vroegte hun huizen verlaten en zijn in het schemerdonker op weg naar de enige waterpomp van de stad. Fietsen, handkarren en ezeltjes zijn beladen met plastic watervaten. Het zal niet lang meer duren of er vormen zich lange rijen bij de waterpomp, zoals we gisteren zagen toen we de stad binnenreden.
We kunnen de truien weer uittrekken en de pijpen van onze broeken ritsen zodra we Marsabit uit zijn. De zware bewolking is spoorloos verdwenen en al snel loopt het zweet in straaltjes over mijn lijf. Genadeloos is de zon en dor is het landschap. De kamelen van de Gabbra’s, een nomadenvolk uit Ethiopië, schijnen er niet veel last van te hebben. Deze stam leeft erg op zichzelf en heeft het niet zo op vreemdelingen. Sommige mannen lopen met een enorm geweer over de schouder. Af en toe gebaren ze ons te stoppen, maar Paul rijdt liever door. Je weet maar nooit.

In Kalacha, een dorp waar zo’n 6000 Gabbra’s leven, slaan we onze tentjes op voor de komende nacht. Na zonsondergang gaan Paul, Heleen en ik op weg naar het huis van de ‘chief’, de burgemeester van het dorp. Zijn zoon Titus heeft deze blanke vreemdelingen uitgenodigd wat te komen drinken. Het schijnsel van de maan is voldoende om te zien waar we onze voeten neerzetten en het werpt een bijna spookachtig licht over de hutjes van Kalacha. Alles is er in diepe rust. De ergste hitte is voorbij en de altijd aanwezige warme wind lijkt nu voor wat verkoeling te zorgen. Het huis van de chief is ongetwijfeld de mooiste en grootste van het hele dorp. Het is volledig opgetrokken uit leem en afgewerkt met houten balken. We vleien ons neer op de bank en Titus haast zich om wat drinken voor ons te halen. De chief heeft ook nog een aantal dochters die nieuwsgierig maar bedeesd om een hoekje komen kijken; gracieuze meisjes met fijne gelaatstrekken, omhangen met rinkelende armbanden en gekleed in lange, sierlijke gewaden. Pas na tien minuten ontdek ik in de schemerige kamer ook het broertje van Titus. Roerloos en zeer geboeid zit hij ons op te nemen. Alleen zijn oogwit is zichtbaar en zijn witte tanden lichten af en toe op.
“Volgende maand moet ik worden geopereerd aan mijn linkeroog.” Titus valt even stil en gaat dan verder. Toen hij vorige week op stap was met de kudde, kwam er een doorn in zijn oog en dat deed erg veel pijn. Nu kan hij er haast niets meer mee zien. Gelukkig kan hij in Marsabit geholpen worden en zal een vliegtuig hem op komen halen. Een vliegtuig?! Een uur later wandelen we in het donker terug naar de tenten, een onvergetelijke ervaring rijker. Titus vergezelt ons. Hij komt wat dichter naast me lopen en fluistert: “Please pray for me.” Natuurlijk wil ik dat! Maar dat is niet genoeg voor Titus. Of ik misschien ook duizend shilling voor ‘m heb om de operatie te betalen. “Please?” Grote, donkere ogen kijken me dwingend aan. Wat is er waar van zijn verhalen?

Kenia

Lake Turkana

Hete wind blaast met enorme kracht de jeep in en het lijkt wel alsof de hitte hier een climax bereikt heeft. De weg is definitief weg en in plaats daarvan moeten we zwart lavagesteente trotseren, willen we ons einddoel bereiken. Een aantal Turkana’s in de verte is het eerste teken van leven na deze vermoeiende reis door niemandsland. De jeep bonkt en schudt aan alle kanten als we de top bereiken van een heuvel. Plotseling houdt de hoogvlakte op en ik kan mijn ogen niet geloven. Daar beneden ligt Lake Turkana als een enorme, blauwgroene deken, als iets dat hier niet thuis hoort. Zoveel water in deze ongelofelijke woestenij waar alles wat een poging doet te leven door de zon verschroeit wordt? John Hillaby noemde Lake Turkana in zijn boek de Jade Sea. Jadegroen – een betere omschrijving voor de kleur van het water is er niet. De aarde was woest en ledig. Zou het begin van de wereld er zo uit hebben gezien?
Voorzichtig dalen we af. We rijden langs het meer verder naar Loyangalani, een oase waar behalve de Turkana ook de Samburu en Rendille wonen. Het dorp ontstond in 1960, toen Italiaanse missionarissen zich hier vestigden en een airstrip werd aangelegd. Mosaretu Camp is onze slaapplaats de komende twee nachten, een soort minicamping die wordt beheerd door een groep vrouwen. Mosaretu is de afkorting van de stammen waaruit deze vrouwen afkomstig zijn; ‘Mo’ van de El Molo, ‘Sa’ van de Samburu, ‘Re’ van de Rendille en ‘Tu’ van de Turkana. Een van de rieten hutjes fungeert als keuken en binnen een mum van tijd heeft Sammy zich er geïnstalleerd met zijn potten en pannen. Opeens word ik overvallen door de hitte en laat me ergens neer ploffen. Ik voel me slap, zweverig en misselijk. Drinken, drinken, drinken. Het staat me tegen maar toch doe ik het. De temperatuur kan hier oplopen tot vijftig graden in de schaduw. Ik kruip ons hutje in en val languit op het matras neer. Gewoon helemaal niks doen is nu het beste. Een uurtje later komt Sammy aanzetten met dampende pannen: de lunch. Een warme maaltijd is nu wel het laatste waar ik aan moet denken. Alleen de overheerlijke en superverse salade krijg ik naar binnen. Sorry Sammy..!

Kenia

Hoge jukbeenderen

Een paar uur later maken we in de schemering een wandeling naar Lake Turkana. Als blanken vallen we natuurlijk direct op en van alle kanten voel ik nieuwsgierige ogen in m’n rug priemen. Turkanavrouwen zitten in groepjes bij elkaar. Ze dragen kralenkettingen die reiken tot aan de kin en een simpele lap stof, bruin of rood, als kledingstuk. De oudere, meer traditionele vrouwen dragen een leren dierenhuid, bewerkt met kralen en schelpen. De ogen liggen diep in de kassen, hoge jukbeenderen vallen op in het verweerde gelaat. Grote aluminium oorringen laten zien dat een vrouw getrouwd is. De zijkanten van het hoofd zijn kaalgeschoren. Alleen op het midden zit wat haar, dat in vlechtjes op het voorhoofd valt. Andere ideeën van schoonheid en een ‘ruiger’ uiterlijk onderscheiden hen duidelijk van de Samburu of de Rendille.

Kenia

Een aantal jongens is met ons meegelopen en kletst aan een stuk door. Het klimaat blijkt een geliefd gespreksonderwerp te zijn. Het heeft hier de laatste vier jaar niet meer geregend! Is het in ons land ook zo warm? Bij een temperatuur onder nul kunnen ze zich niks voorstellen. Een van de jongens neemt een duik in het meer. Een ander schept zijn handen vol met water en neemt er een gretige slok van. “Zijn er hier dan geen krokodillen?” Vraag ik. “Jawel, maar dat zijn kleintjes en ze doen niks”. De zon zakt langzaam in het water. Haar laatste stralen bereiken nog net de hutjes van de Turkana, verspreid op de oevers. Genietend van de zwoele avond lopen we langzaam terug naar het dorp, de volle maan verlicht ons pad.

Kenia

Nakuru

Vanaf Loyangalani is het een paar honderd kilometer goed gegaan, maar even voor Maralal gebeurt het onvermijdelijke. We staan stil, de motor kookt. Aan de ene kant balen we, maar gelukkig gebeurt het hier en zijn we de woestijn zonder problemen doorgekomen. Geen paniek, Sammy heeft dit soort dingen vaker bij de hand gehad. Hij gooit een blikje currypoeder en een pakje thee in de kapotte radiateur in een poging het lek te dichten, giet er hierna een aantal liter water in en we kunnen weer op weg. Het is werkelijk niet te geloven.

Kenia

Er was in Maralal gekeken naar de jeep, volgens Paul. Inderdaad, er was gekeken. Verder blijkbaar niets, want onderweg naar Nakuru begint de motor voor de zoveelste keer te koken. Na een zenuwslopende rit, om de 5 kilometer stoppen, motor af laten koelen, water in de radiateur kiepen en weer op weg gaan, stranden we uiteindelijk in Nyahururu. Als we voor donker in Eldoret willen zijn, lijkt het ons verstandig nu een taxi te regelen en hier afscheid te nemen van Paul en Sammy. Het is niet de eerste keer dat we een Planet-jeep in vergane glorie achter moeten laten. Het beeld van die arme Sammy in Narok staat ons nog helder voor de geest. Maar hadden we dan ooit gedacht dat dit geweldige avontuur anders afgesloten zou worden dan op passende, Afrikaanse wijze? Dat zou wel een beetje dom geweest zijn, niet?



Plaats reactie of reistip





* verplicht invoerveld

Facebook RSS Feed