Chili, Reisverhalen
Historie van het langgerekte Chili
Pucón is het meest toeristische centrum aan het Meer van Villarica, niet erg ver van de Argentijnse grens. Het is tevens de uitvalbasis voor allerlei sportieve activiteiten en uitstapjes naar de meren, rivieren, vulkanen en nationale parken. Gertie Rutten gaat er op bezoek en ontdekt mooie plekken. ‘Ondanks mijn reismoeheid, mijn slapeloze nachten in de tent en de inspanning ben ik blij dat ik zonodig naar Torres del Paine moest.’
De Hollandse afgezant in Recife, Brazilië, Maurice van Nassau, gaf in 1652 aan Hendrik Brouwer de opdracht naar Valdivia te varen. Ze waagden zich aan de reis naar de beruchte Kaap Hoorn en omhoog langs de grillige kust van Araucania.
De Spanjaarden waren blijven steken bij de rivier Bio Bio. De Araucaniërs, grote robuuste indianen, boden zoveel weerstand dat het de Spanjaarden maar niet lukte veilige nederzettingen in het zuiden van Groot-Peru te stichten. Valdivia was een van de weinige nederzettingen ten zuiden van de Bio Bio. In 1599 werd deze plaats verlaten vanwege continue aanvallen van de Araucaniërs. De Hollanders probeerden van deze situatie te profiteren door bij Valdivia aan land te gaan. Maar net zoals de Spanjaarden, waren de nieuwe bezetters niet welkom. Ze werden verjaagd.
‘Eerst zoemen de vliegen luidruchtig om je heen, na een tijdje proberen ze te landen. Het duurt dus even voordat ze je steken. Het probleem is dat als je je achtervolgers (zo’n stuk of zes, zeven) weg
Forten
Voor de Spanjaarden was dit echter een waarschuwing. In december 1644 vertrokken ze met een complete vloot vanuit de havenstad Callao bij Lima. Wapens, kanonnen, proviand, gereedschap, schoenen, dekens en keukengerei. En een heleboel stenen voor het bouwen en versterken van de forten. Bij de riviermonding en verder in het binnenland werden vier forten gebouwd. Valdivia kreeg stadsmuren en werd opnieuw bevolkt. De forten moesten de Spaanse kolonisten beschermen tegen nieuwe aanvallen van de indianen en overzeese boekaniers.
Het grillige rivierenstelsel bij Valdivia werd strategisch beschermd door de drie forten bij de riviermonding Calle Calle. Tegenover elkaar liggen Niebla en Corral en op het eiland Mancera staan de overblijfselen van het derde fort. Ik sta op de uitkijk in het fort Niebla. Bij Corral ben ik weggejaagd door een dikke grote vlieg, bruin-zwart van kleur, die mij irritant bleef volgen.
Vanaf Niebla kijk ik uit op de groene beboste heuvels en het water. De Pacifische Oceaan stroomt de rivier in. Aalscholvers knorren beneden op de rotsen, meeuwen schreeuwen als huilende baby’s. Niebla ligt op een idylische plek. Maar vanuit de bossen en vanaf de zee dreigde ieder moment een aanval. De kanonnen wijzen nog steeds fier naar het water, naar de onzichtbare vijanden.
De Spanjaarden lukte het om na 1645 in dit gebied te blijven, ze versterkten hun forten verder in de 18e eeuw om zich uiteindelijk te laten verrassen door Cochrane, een van de liberale bevrijdingshelden die vocht voor een onafhankelijke republiek. In 1820 werd dit gebied toegevoegd aan de tien jaar eerder uitgeroepen Chileense republiek. Daarmee beginnen ook de moordpartijen onder de Araucaniërs, ook wel Mapuche geheten. Chili werd langer en langer, indianen waren er minder en minder.
Europese emigranten
Rond 1850 werd de Región de los Lagos, het Merendistrict, pas echt gekoloniseerd. Europese emigranten uit Duitsland, Zwitserland, Frankrijk, Italië en Spanje namen deze taak op zich. Vooral de invloed van de Duitse emigranten is in het gebied ten zuiden van de rivier Bio Bio opvallend. De mensen hebben lichter haar. Overal is ‘kuchen’ te krijgen. Worstjes zijn er in allerlei varianten en sauerkraut (of zuurkool) is in woordelijke zin aangepast. Het heet hier chucrut. De houten huizen zijn ook hier oververtegenwoordigd. Al met al is Valdivia een rustig, burgerlijk stadje in een bosrijk gebied met veel rivieren en meren.
Na mijn bezoek aan de historische forten Niebla en Corral en na een wandeling door het centrum besluit ik de volgende dag al weer verder te reizen. Bij Sernatur op de kade heb ik informatie verzameld over andere interessante plaatsen in dit deel van Chili. Vanuit Valdivia was het moeilijk om wandeltochten te regelen. In Pucón moet ik meer geluk hebben. Om daar te komen reis ik weer naar het noorden, naar de Región de la Araucania.
Het Chileense bos
Pucón is het meest toeristische centrum aan het Meer van Villarica, niet erg ver van de Argentijnse grens. Het is tevens de uitvalbasis voor allerlei sportieve activiteiten en uitstapjes naar de meren, rivieren, vulkanen en nationale parken. Om er een paar te noemen: wildwaterraften en de vulkaan Villarica beklimmen zijn de populairste bezigheden. De keuze aan bureautjes, hotels en restaurants is groot. De prijsverschillen ook. In ieder geval voor ieder wat wils.
Ik eindig een zoektocht naar wandeltochten bij Politur. Zij organiseren als enige een wandeling in de omgeving van de vulkaan Lanín in het nationale park Villarica, dicht bij de Argentijnse grens. Na de autobiografie van Pablo Neruda te hebben gelezen, ben ik nieuwsgierig naar het Chileense bos. In ‘Confieso que he vivido, memorias’ beschrijft de beroemdste dichter van Latijns Amerika en de Nobelprijswinnaar voor Literatuur in 1971 in schitterende beeldende proza zijn leven. De beschrijving van zijn kinder- en jeugdjaren in Temuco, in de Región de la Araucania, heeft nu ik in dit gebied ben, meer betekenis. Hij eindigt zijn beschrijving van de bossen op deze manier: ‘degene die niet het Chileense bos kent, kent niet deze planeet’. Na mijn wandeling bij de vulkaan Lanín, in de bossen, bij verstopte stille meren, moet ik zeggen dat hij gelijk heeft.
Het is een warme zomerse dag met een hemelsblauwe lucht. De dichte begroeiing van het bos laat het gefilterde zonlicht door. Het groen baadt zich in het zachte diffuse licht. Verschillende boomsoorten met verschillende vormen: breed, lang, smal, rond, hoekig en wild. Bamboe bakent het pad af. Een Araucania, de Chileense spar, statig naast het pad, een waaier van takken, net een paraplu. Hij is mooi. Nog mooier vanaf een heuvel met het uitzicht op een heel bos met deze bijzondere boom. Ze geven elkaar de ruimte, houden afstand van elkaar, maar ze horen bij elkaar. Samen zijn ze nog mooier.
Irritante vliegen
Maar alleen een dichter als Pablo Neruda kan het Chileense woud treffend beschrijven. Wat hij niet vertelde, is dat de stilte van het bos irritant wordt verstoord door ‘tábanos’, dikke grijze vliegen die het op ons bloed hebben voorzien. Eerst zoemen ze luidruchtig om je heen, na een tijdje proberen ze te landen. Het duurt dus even voordat ze je steken. Het probleem is dat als je je achtervolgers (zo’n stuk of zes, zeven) wegjaagt, er nog meer op je afkomen. Ze hebben warmtedetectoren en zwaaiende armen trekken op die manier de aandacht. Het beste is rustig te blijven, of stil te zitten, of een lange broek en een t-shirt met lange mouwen te dragen. Niet bewegen is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik moet neigingen om te schreeuwen en te vloeken onderdrukken. Als een getikt iemand zwaai ik op momenten wild met mijn armen.
Zelfs tijdens het zwemmen in het idylische meer Huenfuica blijven ze om mijn hoofd zoemen en landen ze op mijn haar. Een probleem, want ik hou er niet van om kopje onder te gaan. De vliegen moet je gedurende een aantal weken in de zomer op de koop toe nemen.
Vulkaan Villarica
Zowat alle buitenlandse toeristen in Pucón beklimmen de vulkaan Villarica. Als een imposant monument staat deze vulkaan in het landschap. Rook komt uit de met sneeuw bedekte top. Villarica en Llaime zijn de twee actieve vulkanen in de Region de la Araucania. De hoogte van Villarica is 2847 meter. Ik ben nog steeds geacclimatiseerd door mijn verblijf op hoogte in Peru, dus dat zal geen probleem zijn.
Nieuw is het lopen in sneeuw. Met een skilift zijn we naar de sneeuwgrens op 1800 meter gegaan. Met lompe, plastic bergschoenen klim ik in ganzenpas de spitse berg op. Het valt me mee. Het is een kwestie van je voet in de diepe voetstap van je voorgangers te zetten. Zo stijgen we zigzaggend naar de rokende krater.
Het laatste deel is lastiger en steiler. Meer losliggende lavastenen en minder sneeuw. Dit stuk doet me de das om. Opeens zijn mijn benen moe. Het duurt iets langer maar ik kom ook aan op de top.
De Mapuche noemen deze vuurspuwende berg in hun taal ‘het huis van de duivel’. Als we de krater inkijken en horen hoe het pruttelt en suist in het binnenste van de aarde, kun je ze alleen maar gelijk geven met die naamskeuze. Uit de krater komen grijze gaswolken, die stinken naar zwavel en chloor. Deze laatste slaat op je keel en dat is niet prettig.
Op het laatst spuugt de duivel roodgloeiende lava tegen de binnenwand van de krater. In de verte liggen de idyllische meren en het stadje Pucón.
Bobsleeën
Dan moeten we met de afdaling beginnen. De gidsen hebben op gegeven moment bedacht om dit glijdend te doen. Tijdens het stijgen passeerden we af en toe een geul. Ik ben moe genoeg om deze manier van afdalen te accepteren. Nieuwe ervaringen, daar gaat het bij reizen om. Toch?
Als een bobslee zwiep ik door de eerste geul. Een kleine sneeuwlawine schuift voor me uit. Op het einde remt deze mij af. Het valt me mee. De ene na de andere geul volgt, de een steiler dan de ander. De steilste geeft zoveel vaart dat ik moet afremmen met de berghaak (zo’n ding om mee te klimmen). Doordat ik de spitse punt in de sneeuw duw, hel ik naar rechts. Het corrigeren met mijn lichaam helpt niet meer. Ik maak een draai van 360 graden en vervolg mijn weg in een andere geul.
Bepaalde stukken lopen we glijdend naar beneden, ook iets wat ik niet dacht dat ik zo makkelijk zou doen. Zeker als je je bedenkt hoe voorzichtig we naar boven zijn gelopen. In een klein uurtje zijn we bij de skilift. Met een zeiknatte broek en vermoeide benen. Het stijgen duurde drie en een half uur.
Termas de Huife
Het jaar 2001 sluit ik af in het vijfsterrenhotel Termas de Huife. In het gebied tussen de vulkanen Villarica en Llaime zijn meerdere warmwaterbronnen met geneeskrachtige en ontspannende werking. Ik doe duur en kies voor Huife. Ze hebben ook massages en na die klim denk ik dat wel nodig is.
De kamer heeft een twee en een halve meter breed bed, een heerlijke matras en een perfect kussen. Hier wil ik niet meer weg, dit is paradijs, zeker na drie onrustige nachten in het kuilbed in mijn hostel in Pucón.
En zo begin ik 2002, in luxe, ontspannen. De masseuse constateert dat ik alleen wat stress heb opgehoopt in nek en schouders. Reizen veroorzaakt, ondanks alles, ook stress. Ik zal mijn irritaties niet opnoemen. Ik gun mezelf twee massages. De baden met het warme water zijn een heerlijke aanvulling. Het is ieder gulden, euro of peso meer dan waard.
Zuidwaarts
Ondertussen is het 4 januari. Ik ben in Puerto Montt, gelegen aan de baai Seno Reloncavi, in de Región de los Lagos. De wind suist als een bezetende. Het hele jaar door, zo wordt mij verteld. In een paar uur vlieg ik naar Punta Arenas in Patagonië. Zuidelijker ben ik nog nooit geweest. Op de breedtegraad 53 waait het nog harder, zo wordt mij verteld. In de zomer zo’n 80 tot 100 kilometer per uur. Goed om te weten. Ik heb een regenponcho, een muts, een sjaal en handschoenen. Ik hoop dat dat genoeg is.
De afgelopen week ben ik in het nationale park Torres del Paine geweest. Het staat bekend om de aparte berg- en rotsformaties en het rood oplichtende graniet van enkele formaties. De drie torens (las Torres) zijn een van de grootste toeristentrekkers. Daarnaast heb je de horens (los Cuernos) en de gletsjervelden van Hielos del Sur, de enorme koubrengende ijsmassa’s.
Torres del Paine ligt in de laatste, de twaalfde regio van Chili. Ook wel Magallanes genoemd, in het verre zuiden van het Zuid-Amerikaanse continent. Waar de wind heerst als een constante. Een geluid dat nooit stopt. De wind modelleert hier het landschap, de bomen en de wolken. Het is nu zomer op het zuidelijke halfrond, maar door de wind en de bewolking blijven de temperaturen hangen rond de 15 graden. Een windjack is een vereiste.
‘Ondanks mijn reismoeheid, mijn slapeloze nachten in de tent en de inspanning ben ik blij dat ik zonodig naar Torres del Paine moest.’
Wind en nog eens wind
Tijdens mijn wandeltochten in Torres del Paine kwam mijn nieuw aangeschafte jack goed van pas. Het is een kleine sauna, dat wel. De kleren kunnen maar een ding doen: nat worden van het zweet. Zeiknat. Toch ben ik niet verkouden geworden, dankzij mijn windjack.
Ja, de wind. Het lopen op bergpaadjes naast een afgrond of op een kale vlakte is niet makkelijk met windstoten van 80 tot 100 kilometer per uur (dit in de zomer). Het is een aparte ervaring.
Ik ben blij dat wat op de vlakte het probleem was, niet op de bergrichels gebeurde: ik werd letterlijk van het pad geblazen. Op deze vlakte waren drie bestaande, uitgelopen paadjes. In een paar jaar tijd zullen dat er nog meer zijn, dat is mijn theorie. Ik probeerde op het gras te lopen, waar al een nieuw pad in aanleg was, maar vaak liep ik ook daar weer naast. Het vermakelijke was dat de windvlagen subtiel van richting varieerden. Soms kwam die iets meer van rechtsachter en soms van linksachter. Een recht lijn zat er echt niet in. Ik zwabberde over de vlakte. Het zal niemand verbazen dat ik erg opgelucht was dat ik de wind in de rug had!
Ondanks mijn reismoeheid, mijn slapeloze nachten in de tent en de inspanning ben ik blij dat ik zonodig naar Torres del Paine moest. Het is een natuurgebied met honderden guanacos, nandoes en condors. Ook poema’s. Er zijn folders te krijgen bij de parkwachters met informatie over wat te doen bij een ontmoeting met een poema. De eerste drie diersoorten heb ik gezien, de laatste gelukkig niet.
Dan de landschappen, ze hebben ieder een eigen klimaat. Het weer lijkt sowieso ieder uur te kunnen veranderen. De wind echter niet. Die blijft loeien. Wandelaars hebben ermee te maken, maar wat te denken van vogels. Ze lijken met geen mogelijkheid vooruit te komen. Ze vliegen vooral zijwaarts of op de plaats. Behalve de condor. Die vliegt, zweeft alsof het niets voorstelt.
De fauna en flora, het onherbergzame landschap en de grillige bergen maken Torres del Paine erg populair bij buitenlandse toeristen. De afgelopen jaren zijn de voorzieningen uitgebreid en dat maakt het park toegankelijk voor steeds meer bezoekers. De drukte vond ik desondanks meevallen voor het hoogseizoen. De mensen zijn door het hele park verspreid. Op de Inca trail in Peru kom je meer mensen onderweg tegen.
Perito Moreno
Op de zesde dag ben ik teruggegaan naar Puerto Natales. De volgende dag was ik alweer klaar voor een enorm lange excursie per busje naar de grootste gletsjer (geloof ik) op het continent: de Perito Moreno in Argentinië. We hadden twee uur om dit natuurwonder te fotograferen en te bewonderen. Genoeg tijd om de hele route over de houten vlonders tegenover de gletsjer op gemak af te leggen. En te luisteren naar het gekraak, het knallen en het instorten van het ijs. Het geeft een beetje een idee van wat er in die ijsmassa gebeurd.