China, Reisverhalen
Indrukwekkende festivals in Zuid-China
Dennis Remmelzwaal reist door Zuid China in de Guizhou-provincie. Het is een gebied dat nog nauwelijks door toeristen wordt bezocht. Een hoog gehalte met rochelende Chinezen, primitieve onderkomens, gammele en tochtende bussen en soms een vette kakkerlak tussen je benen weg schiet. ‘De kleur van het landschap verandert steeds. In februari kleurt het bloeiende koolzaad de velden langzaam geel. In de zomer overheersen de groene rijstterrassen. Overal waar het mogelijk is, worden veldjes aangelegd met alle gewassen die maar eetbaar zijn’, schrijft Dennis.
Alweer twee weken reizen we in Zuid China in de Guizhou provincie. Nog nauwelijks ontdekt door toeristen en alleen voor de ‘echte doorzetter’, wat je duidelijk merkt aan het hoge gehalte rochelende Chinezen, primitieve onderkomens, gammele en tochtende bussen en dan die hurk toiletten (om nog maar niet van de geur te spreken) waar soms een vette kakkerlak tussen je benen weg schiet. Emmy en Dennis gaan op verkenning in de Guizhou.
Buskaartje China
Bij navraag blijkt dat we een vroege bus moeten hebben. Eenmaal aangekomen op het grauwe busstation, blijkt deze bus niet te rijden en moeten we ruim 3,5 uur wachten. “Wo tin butong”. Uiteraard is het een sport om een buskaartje te bemachtigen. Er is geen duidelijk verkooppunt aanwezig. Geüniformeerde mensen spreken geen Engels en mijn Chinees is niet wat het moet zijn. Of wat vaker voorkomt ze willen ons gewoon niet begrijpen. Om het ijs te breken, laat ik ze een boek met foto’s van de minderheden zien die we willen bezoeken. Dan krijgen we eindelijk contact met hen. Ze vinden het geweldig en iemand regelt zelfs de buskaartjes. Intussen weet heel het busstation waar we naar toe gaan. Overal gonst het ‘lao wai, lao wai’ wat het woord is voor ‘buitenlander’ en de plaats waar we naar toe willen. We zijn de attractie van de dag voor ze!
De busreis duurt langer dan verwacht. In de bus ook alleen maar rochelende en starende Chinezen. De twee uur die de busrit zou duren, werden er vijf en de kou begint ons parten te spelen. De raampjes staan open en kotsende mensen hangen naar buiten. Ook zit men op suikerriet te kauwen, en zo wordt de bus omgetoverd in een vuilnisbelt.
Twee kleintjes zijn mooi opgetuigd. [Foto: Dennis Remmelzwaal]
Bus-vriend
Het is aardedonker en de weg houdt maar niet op. We zijn aan het einde van de wereld beland. We zijn echt een bezienswaardigheid en uiteindelijk bereiken we aan het begin van de avond het dorp. Ik ben toe aan een bordje rijst of noedels, maar mijn ‘bus-vriend’ (politie agent), neemt ons mee naar zijn post. Daar moeten we ons eerst inschrijven in het politieregister, maar we kunnen ook even bijkomen van de kou en ons opwarmen met enkele kopjes thee. Een collega laat trots CNN op de televisie zien.
Later brengt hij ons naar een restaurant waar we samen een hapje eten. Vervolgens informeren we naar een slaapplaats, hij maakt ons echter duidelijk dat het restaurant ook ons guesthouse is. Maar het blijkt dat we in een groot bed met de Chinese familie met kleine kinderen moeten slapen. Dit gaat me iets te ver. Er wordt weer naar de politie gebeld. Dan komt de politie jeep voorrijden en brengt ons naar een ander dorp. De weg is slecht en af en toe moeten we uit de jeep om wat keien te verplaatsen.
Waar ben ik aan begonnen, gaat er door mijn hoofd. Buiten is het aardedonker en de weg houdt maar niet op. Bij ons besluipt het gevoel dat we ‘aan het einde van de wereld’ zijn beland. Dan stoppen we bij een plein en klopt de agent aan bij een huis. We worden door een meisje dat alle kuilen, gaten en modderpoelen kent naar een ander huis gebracht. De kamer waar we in mogen slapen is vies en rommelig. De gastvrouw laat me zien hoe we een stok tussen een naad in de vloer en de deur moet zetten, zodat er niemand naar binnen kan. Er brandt een piepklein lampje en er staat een groot houten bed. De plank is hard, de deken warm, doodmoe en koud ploffen we neer en we vallen direct tegen elkaar in slaap.
Inbinden van het haar, een dagelijkse bezigheid. [Foto: Dennis Remmelzwaal]
Long horn
De volgende dag worden we wakker van gezang. Emmy kijkt uit het raam en heeft een fraai uitzicht over een groene vallei, met in de verte een ander dorp. Beneden in de vallei zijn meisjes bezig op het land aan het werk. Opvallend is hun fraaie kleding, een geborduurde soort lange jas en in hun haar dragen ze een houten boog (in de vorm van een hoorn). Een ‘Long horn miao-huis’ heeft een centrale ruimte met een trap naar boven.
Links hiervan is de keuken en rechts zijn stallen met opslag voor van alles en nog wat. Boven kom je op een veranda met slaapkamers. Dan gaan we op verkenning uit en ontmoeten een ‘Long horn miao’ omaatje. Ik krijg een bijna tandloze lach van haar. Wat een lekker mens. We volgen het zandpad omhoog. Het gerucht dat er een ‘laowai’ is gaat snel en van diverse kanten komen er meisjes aan gelopen.
Verlegen bieden ze stukjes borduurwerk aan. Nieuwsgierige oudere dames tonen de kale plekken in het haar, van het dragen van de houten boog. Een meisje van een jaar of 16 toont ons hoe ze haar lange haar inbindt. Dat kan wel drie kilo wegen. Ze wordt hierbij geholpen door een ander meisje, en na circa een kwartier werk herken ik haar van de plaatjes uit de boeken.
Fraai borduurwerk. [Foto: Dennis Remmelzwaal]
Goudgele tint
De kleur van het landschap verandert steeds. In februari kleurt het bloeiende koolzaad de velden langzaam geel. In de zomer overheersen de groene rijstterrassen. Overal waar het mogelijk is, worden veldjes aangelegd met alle gewassen die maar eetbaar zijn. Hiertussen verbouwen de vrouwen ook hun indigoplanten. Uit deze planten wordt de blauwe kleurstof gewonnen waarmee de vrouwen hun geweven stoffen verven. In september krijgt het landschap een goudgele tint en begint de rijstoogst.
Het hele jaar door werken de vrouwen aan nieuwe kleding. In de zomer worden de leefgetouwen opgezet. Een vrouw vertelde mij dat ze in vier weken honderd meter stof kan weven. Maar er moet iedere dag zoveel gebeuren, dat het vier maanden duurt voordat het af is. Tegen die tijd is het winter en maakt men in ieder huis een indigokuip gereed. Maanden lang kan er dan geverfd worden. Veel van de versieringen wordt op kleine lapjes gemaakt om die later te verwerken.
Groepjes vrouwen en meisjes zitten ‘s middags vaak samen te werken. Op deze manier wordt alle kennis van generatie op generatie overgedragen.
Miao meisjes met hoofdtooi. [Foto: Dennis Remmelzwaal]
Glimmend zilverwerk
Hoe meer we klimmen, hoe mistiger het wordt. We nemen een liftend ouder echtpaar mee, die al uren onderweg zijn met kippen en ‘sticky’ rijst naar hun familie voor het ‘miao nieuwjaarsfeest’. In een achteraf straatje vinden we een guesthouse met een kleine kamer en een beslapen bed, op de gang is een vies hurk toilet. Voorlopig voor ons genoeg. Snel gaan we naar het grote terrein buiten de stad waar een groot podium is ingericht, waar de groepen van diverse minderheden een optreden verzorgen.
Het is eigenlijk een soort voorstelling van hun kleding en dans of muziek. De plaatselijke ‘dj’ probeert iedereen, met behulp van zijn geschreeuw door de microfoon en bijbehorende luidspeakers, op te trommelen. Als men vindt dat het druk genoeg is, beginnen meisjes uitgedost in geborduurde kostuums behangen met zilveren versieringen te dansen in een kring. Vaak onder de rok een lekkere warme legging. En gympen, want die zitten toch wat lekkerder. Later komen daar de zilveren hoofdtooien bij.
Het hele dorp loopt uit om te kijken, terwijl de kleine kinderen, eveneens in kostuum, aan de kant staan mee te dansen. Mannen op traditionele fluiten begeleiden de dansende menigte. Omdat het feest inmiddels al een paar dagen aan de gang is en de rijstwijn rijkelijk vloeit, staat men niet te kijken van een paar oudere mannen die het aandurven mee te dansen. Dit terwijl ze niet meer op hun benen kunnen staan.
Mondorgels en zilverwerk. [Foto: Dennis Remmelzwaal]
Vijftien buffels
Een ander spektakel is het buffelgevecht, hier gaan vooral de mannen naar toe. Een heuse tribune en een plat getrapt veld waar het gevecht plaats vindt. De buffels worden eerst genummerd en dan wordt men opgeroepen voor het gevecht. Hetgeen niet meer voorstelt dan dat er kopstootjes worden gegeven. Vaak komt het niet verder en worden de beesten uit elkaar gehaald en is de wedstrijd over. Het is pas leuk als een buffel wilder wordt en richting mensen massa komt…
De rijstwijn vloeit stevig en kunnen we niet ontlopen. We worden naar binnen getrokken en een kommetje rijstwijn wordt aan de lippen gezet.
Van de levende buffel naar de dode. Ja, ook hier maakt men een feest van. Zo kreeg ik via via te horen dat er een festival verderop was. Mijn rugzak opgehangen en per bus verder gehobbeld. Met veel moeite een smoezelige kamer gevonden. Het is een mooi oud dorp met houten huizen. De bevolking draagt veel blauwe kleding, vrouwen hebben grote oorhangers in. Via diverse rijstterrassen en blubber paadjes komen we laag in het drop uit bij de rivier en het centrale plein. Op het plein heeft vanmorgen vroeg een slachtingritueel plaats gevonden. Het riviertje ziet onheilspellend rood. Shao, een ‘miao-meisje’, vertelt ons dat er vijftien buffels gedood en geslacht zijn (een rijk dorp anders zou men varkens nemen) en dat dit eens in de vijftig jaar gebeurd.
Alleen de mannen met het meeste aanzien mogen het zwaard op de keel van de buffel zetten. Als het beest dan eindelijk de strijd moet opgeven, zegent de plaatselijke sjamaan het dier in en wordt het gevild. Bijzonder dus dat we dit meemaken. Daarom lopen nu alle mensen met stukken vlees onder de arm of in manden. Het blijkt dat ze deze thuis bereiden en op zullen eten met familie en vrienden. De rijstwijn vloeit stevig en kunnen we niet ontlopen. Al enkele keren ben ik stevig aan de arm gepakt door oude vrouwtjes en een ruimte ingetrokken waar een kommetje rijstwijn aan mijn lippen wordt gezet. Ook zien we vrouwen met kommen bloed lopen, welke ze hebben opgevangen. Het blijkt dat dit wordt gebruikt om de kleding te verven. Resultaat is een ‘indigo’ blauwe kleur.
Vijftien buffels zijn geslacht. [Foto: Dennis Remmelzwaal]