India, Reisverhalen
Met de nachttrein naar Varanasi
Josine van der Wal maakte een enerverende rondreis door het noorden van India. Ze verhaalt onder meer over de chaos in Varanasi. ‘Aangekomen bij het station, ontvangen we instructies en mogen we de bus uit. Direct zijn we omsingeld door nieuwsgierige Indiërs, zoiets overkomt hen blijkbaar niet iedere dag. We zijn inmiddels al aardig getraind in het bewaken van onze spullen en maken spontaan een kring om onze koffers.’
Het valt niet mee om per bus het station van Agra te bereiken! Wat een bende op straat, maar op de één of andere manier is het super sfeervol. Honderden krioelende mensen, net zoveel verlichte kraampjes en vooral stof en smog. Ik baal ervan dat ik hier niet gewoon lópend op kan gaan in deze menigte. De bus haalt af en toe vreemde capriolen uit om steeds wat centimeters grond te winnen. We omzeilen flinke gaten in de weg (soms ook niet) die je maar bij toeval moet zien. Aangekomen bij het station, ontvangen we instructies en mogen we de bus uit. Direct zijn we omsingeld door nieuwsgierige Indiërs, zoiets overkomt hen blijkbaar niet iedere dag. We zijn inmiddels al aardig getraind in het bewaken van onze spullen en maken spontaan een kring om onze koffers. Terwijl dragers onze koffers naar het perron sjouwen, op hun hoofd, en gerust 40 kilo!, kijk ik om me heen en geniet.
Het perron van Agra bij nacht zou geen slecht decor zijn voor griezelverhalen. Vanuit het duister staren donkere ogen me aan, die me de rillingen bezorgen. Opgefokt door wilde verhalen van treinen die wegrijden, terwijl de halve groep eenzaam achterblijft op het perron, staan we op scherp als er een licht opdoemt vanuit de verte. Omdat niemand er veel voor voelt om moederziel alleen achter te blijven in deze grote stad in India, is het even mega-stress om binnen vijf minuten de trein in te komen mét de vierentwintig koffers. Terwijl we doorlopen naar onze coupé, worden we volop aangestaard door onze medereizigers. We slapen als groep bij elkaar, zodat we hier weinig last hebben van continu gestaar. Nadat ik m’n camera als eerste in veiligheid heb gebracht, ik lig er zowat bovenop, duurt het niet lang of ik dommel in slaap op de cadans van de trein.
Station Varanasi
Vanmorgen kwamen we om zes uur aan op het station van Varanasi. Dat was een belevenis op zich. Mensen lagen gevloerd op het perron, uitkijken dus dat je daar niet over struikelde, verkopers met hun waar in een joekel van een mand op het hoofd, variërend van speelgoed tot fruit, enzovoort. De bus bracht ons naar het hotel, dat wil zeggen: afvalhopen, koeien, scootertjes en riksja’s ontwijkend. We moesten nog een paar straatjes door lopen voor we bij het hotel waren; ik wist werkelijk niet wat ik zag en vooral rook… deze keer niet alleen koeien die hun behoeften deden maar ook Indiërs die schaamteloos stonden te urineren langs de straatkant en vrouwen die gehurkt, met de sari fungerend als w.c-deur, het een en ander achter lieten… Je wilt het niet weten.
Ghats aan de Ganges, Varanasi.
Boeddha
En nu geniet ik op m’n kamer van de rust, van het zonnetje en van de lichamelijke ongemakken. ‘s Middags gaan we naar Sarnath waar we de Dhamek stupa bewonderen en ons inleven hoe het was in de tijd dat Boeddha hier leefde. Boeddha hield hier namelijk zijn eerste preek. Vandaar dat ik een zeer ontstemde blik krijg toegeworpen van een monnik, als ik per abuis op een heilig bouwsel blijk te staan! Hierna gaan we ‘high-tea-en’ in ons hotel, met een enorme berg koekjes op tafel. Hiermee hebben we gelijk een Indiër voorgoed van zijn geldzorgen afgeholpen, de arme man wist niet hoe hij het had! Zodra we zijn verzadigd, besluiten we met een man of acht om een wandeling door het centrum van Varanasi te maken. Dít is pas echt fantastisch.
Ik voel me als een ontdekkingsreiziger en verkeer continu in een soort lyrische toestand. Al om 17.00 uur is het hartstikke donker, wat het allemaal nog spannender maakt uiteraard. Het is ons al snel duidelijk dat er één of ander religieus festival aan de gang is. Hoe kan het ook anders, dit is tenslotte de ‘heiligste’ stad van India en één van de ‘heiligste’ ter wereld! Indrukwekkend uitgedoste feestgangers rijden ons op riksja’s voorbij, richting het festival. Flarden Indiase popmuziek komen ons tegemoet. Voor mij is dit absoluut één van de hoogtepunten van deze reis. De grandioze sfeer, wierook overal waar je loopt vermengd met de geur van allerhande uitwerpselen… honderden kraampjes, honderden mensen, honderden voorbij crossende riksja’s, ik zou hier úren kunnen zijn. Voortdurend moeten we naar de vele kinderen zwaaien en “namastè!” roepen, ze vinden dit geweldig! Het gevolg is dat we de rest van onze tocht niet meer van ze afkomen. Maar dat is niet erg, het zijn lieve, maar ook érrug smerige kinderen…
Wat een belevenis is dit. Als ik me al enige voorstelling had gemaakt van het verschijnsel ‘heilige koe’, dan wordt dat finaal door de war gegooid op ‘t moment dat de kinderen als één man boven op een heilige koe springen. Ze zijn werkelijk helemaal door het dolle heen. En de koe? Die laat het allemaal over zich heen komen. Blijkbaar zijn onze gezichten één groot vraagteken, de omstanders komen niet meer bij van het lachen. Ik geef m’n pogingen om iets te doorgronden van het hindoeïsme op, en leg me er bij neer.De enige reden dat we op den duur richting hotel gaan, is dat we nog geen diner ophebben. Het restaurant zit natuurlijk meteen vol Hollanders, wat er voor zorgt dat de obers aardig gestresst rondlopen. Ik observeer ze een tijdje en moet tot de conclusie komen dat er ook totaal geen systeem in valt te ontdekken.
Behalve dan dat er een mannetje rond loopt om het eten op te scheppen, een ander mannetje om de bestellingen op te nemen, weer een ander mannetje om af te ruimen, een mannetje, net iets hoger in rang, die controleert of ze het allemaal wel goed doen, een mannetje dat af en toe komt vragen of alles naar wens is, hij is weer net ietsje belangrijker, en vervolgens weer in de keuken verdwijnt om verslag uit te brengen. Toch is dit leuk, het hoort er allemaal bij. Na de dagsluiting val ik op m’n bed neer en zodra ik m’n kussen ruik, ben ik vertrokken.
Godenverering aan de Ganges, Varanasi.
Viezigheden aan de Ganges
Om kwart voor vijf loopt de wekker af. Heel even is dit zwaar, maar als ik bedenk dat ik in India ben en er nog zo ontzettend veel valt te beleven, ga ik er helemaal voor. We gaan een boottocht maken over de heilige rivier de Ganges terwijl de zon opkomt. De bootjes voeren ons langs de ghats, de badterrassen die langs de rivier liggen. Vele pelgrims nemen een ritueel bad in de rivier, de opkomende zon wordt aanbeden, bloemen worden geofferd en, haast niet te geloven, de was wordt gedaan in deze ongelofelijk smerige rivier. Smerig vanwege onder andere het doen van de behoeftes en lijken die het water in worden geduwd. Godenbeelden omhangen met bloemen worden onder luid gejuich prijs gegeven aan de Ganges. We zien een aantal crematieplaatsen; iedere hindoe hoopt hier te sterven. Doordat na de crematie het as over de rivier wordt uitgestrooid, gelooft de hindoe direct bevrijd te zijn uit de reïncarnatie-cyclus. Fanatieke hindoes houden ons bootje goed in de gaten; het is ten strengste verboden hier foto’s van te maken. Het is alsof het zich niet in de werkelijkheid afspeelt, een film die aan mijn ogen voorbij trekt. Schokkend, bizar, ongelofelijk. Als we weer voet aan land hebben gezet, mogen we een crematieplaats van dichtbij bekijken, waar ik prompt midden in een ongelooflijk vette koeievlaai stap. Een oude hindoe lacht de twee tanden bijna uit zijn mond om mijn reactie. Een ander komt zeer enthousiast naar me toe: “You are very lucky now, because it’s holy!” En hij meent het nog ook. Niet te geloven. Op de één of andere manier voel ik me toch niet zo gelukkig op ‘t moment, ondanks deze welgemeende woorden.
Straatje in het labyrint van Varanasi.
We worden meegenomen op een tocht door nauwe, ontzettend gore straatjes en steegjes. De lucht moet je hebben geroken om te begrijpen wat dit met je doet. We moeten uitwijken voor een zingende menigte die op weg is naar het heilige water; een golvende zee van oranje gewaden en tulbanden. Al snel heb ik weer geluk; ik trap, nu met m’n andere schoen, wederom in Holy Shit. Dat belooft wat! Een jonge Indiër probeert met me aan te pappen en wil weten of ik getrouwd ben. Ik antwoord dat mijn man in Holland aan het werk is en zorgt voor de kinderen… Dit werkt, hij druipt af. We zien talloze tempels, heiligdommen en winkeltjes. Hier kun je onder andere wierook kopen en kannetjes om het heilige water in te verzamelen. De dieren lijden een triest bestaan hier in Varanasi. Ik zie op een gegeven moment een hond met een enorme open wond op z’n lijf, verdere details zal ik de lezer besparen, en geiten met zweren en allerhande viezigheden. En de lokale bevolking banjert rustig op blote voeten door deze gorigheden. Probeer het maar niet te begrijpen. Na onze brunch in het hotel hebben we tijd voor ons zelf. Er wordt een wandeling voorgesteld door Varanasi voor de liefhebbers. Ik wil absoluut niks missen van deze fantastische en tegelijkertijd weerzinwekkende stad, dus ik loop voorop. Op een gegeven moment staat al het verkeer muurvast en… is het stil! Dit kan niet waar zijn. Ik ga op m’n tenen staan en zie een olifant met een chique uitziende man erop die de mensen groet. Ik vraag aan een omstander wie dit toch wel niet is, blijkt het de maharadja van Varanasi te zijn! De mensen zijn op de daken van hun huizen geklommen om hem te zien, sommigen zelfs op hun auto’s. Dit is echt leuk.
Zijdewinkel
Als de chaos enigszins is opgelost, vraagt een man of we zijn zijdewinkel willen zien. Is dat ver hier vandaan? Wel nee, een paar minuten lopen slechts. Nou, dat willen we wel. Als we een minuut of tien lopen, merkt een slimme groepsgenoot op dat het net lijkt of de straatjes steeds smaller worden… Wat is het geval, de silk-shop staat werkelijk midden in het labyrint van Varanasi! Af en toe verspert een heilige koe ons de doorgang, en wij wachten dan geduldig tot het dier vind dat hij daar nu wel lang genoeg heeft gestaan. In zijn winkel verkoopt de man prachtige zijden stoffen, allemaal veel te duur helaas. Terwijl de hele winkel voor ons wordt uitgestald, vertellen we de man dat wij ook maar een stelletje arme studenten zijn, die dit onmogelijk kunnen bekostigen. Hij blijft onverbiddelijk en er gaat geen rupee van de prijs af. Hierna belanden we weer op een crematieplaats. Op de grond zitten en liggen oude mensen voor zich uit te staren. Ze wachten hier op hun dood zodat hun lichaam kan worden verbrand en hun as zal worden uitgestrooid over de rivier. De stank is ondraaglijk. Schokkend om te zien, niet te geloven. Na het eten willen een paar groepsleden nog een bezoek brengen aan de ghats ‘by night’. Ik sta hevig in dubio; eigenlijk ben ik na deze dag vol indrukken wel verzadigd. De enorme stank en de irritaties die dit alles af en toe met zich meebrengt komen me weer levendig voor de geest, en ik zie mezelf al, de ene koeievlaai na de andere ontwijkend, wat overigens lastig moet zijn in het donker, een barre tocht door het labyrint van Varanasi ondernemen. Al deze overpeinzingen winnen het tenslotte van de altijd aanwezige drang naar avontuur en ik besluit om deze avond lekker te relaxen en bij te komen van deze ongelofelijke dag. Niet veel later heb ik hier al weer enorm spijt van als ik de enthousiaste verhalen aanhoor van degenen die wél gingen…