Hongarije, Reisverhalen

Onverstoorbaar Budapest

Daniël Brandsema heeft afgelopen november met een vriend een week doorgebracht in Budapest en ontdekt dat in deze wereldstad vol autoverkeer, backpackers en uitgaansleven toch een onverstoorbare rust heerst. Tenminste, voor wie het wil merken. Een verhaal over ‘grass’, gastvrijheid, koffie en thermale baden. Budapest, een wereldstad. Maar wel een onverstoorbare wereldstad. Niet het verkeer of de grote gebouwen blijven het langste hangen, maar de onverstoorbare rust van de koffiehuizen, de badhuizen, de gids in de grot en het oude mannetje…

Auteur - Daniël Brandsema

Daniël Brandsema heeft afgelopen november met een vriend een week doorgebracht in Budapest en ontdekt dat in deze wereldstad vol autoverkeer, backpackers en uitgaansleven toch een onverstoorbare rust heerst. Tenminste, voor wie het wil merken. Een verhaal over ‘grass’, gastvrijheid, koffie en thermale baden.
“Wat doen we,” zegt onze gids, “de makkelijke of de moeilijke route?”
Ze staat triomfantelijk voor de groep. Deze grot kent zij op haar duimpje, maar wij hebben ons richtingsgevoel al lang verloren. We zijn nu, na ongeveer anderhalf uur kruipen en tijgeren, vlak bij de uitgang, en we kunnen kiezen.
“De moeilijke natuurlijk,” zegt een van de Australische jongens. Tuurlijk, we zijn geen mietjes. Bovendien is het gewoon hartstikke leuk. We nemen dus de ‘sandwich’, zoals onze gids deze laatste doorgang noemt. Zo hebben we ook al de ‘rebirth’ gehad. Een klein gat waar we ons door heen moes-ten wurmen: hoofd en armen eerst, anders lukte het niet. De ‘sandwich’ is ongeveer 10 meter lang: een platte, schuin oplopende doorgang. Hoogstens 50 cm hoog.

Boedapest

We kruipen achter elkaar. Halverwege lig ik op een groot stuk steen. Met mijn handen kan ik nog niet bij de rand, en of mijn voeten steun kunnen vinden, kan ik niet zien, want ik heb niet eens genoeg ruimte om aan mijn jeukende neus te kriebelen. Alleen door te tijgeren kom ik steeds enkele centime-ters vooruit, en soms voel ik nog een duwtje tegen mijn voeten van het meisje dat achter mij wacht tot ik erdoor ben.
Ongeveer 20 minuten later is de hele groep, zo’n 10 personen, er door. Er heerst een uitgelaten, bijna opgeluchte stemming. We hebben het gehaald… Twee uur onder de grond in een ongemakkelijk overall en met een helm-met-lampje op je kop is vermoeiend. Onze gids glimlacht nog steeds alleen maar. Zij hoort natuurlijk elke dag dezelfde angstgrapjes van de backpackers die zich aan dit toeristi-sche uitstapje wagen.

Hongarije Boedapest Een herfstig namiddaguitzicht op Buda.

Love and peace and grass

Backpackers. Grappig om met ze op te trekken als je zelf maar een weekje weg bent. Zelfs die ene week is vaak nog langer dan het verblijf van de meeste backpackers op één plek, maar een week is toch wel het minimum om van Budapest met volle teugen te kunnen genieten. Hoe kun je anders tijd nemen om van de vele koffiehuizen te genieten, en ze met elkaar te vergelijken? Ik heb met Chris, met wie ik een week lang in Budapest verblijf, afgesproken dat we in ieder geval elke ochtend een ander koffiehuis willen opzoeken: koffie drinken, gebakje eten, boek lezen. Meer niet.
Café Mozart, met de schattige verlegen serveerster die waarschijnlijk nog maar net begonnen is. Café New York, waar het intellectueel aandoende interieur een beetje vloekt met mijn kitscherige kersentaartje. Gerbeaud, de sjieke gelegenheid aan het Vörösmarty-plein. Het troosteloze Café Hauer, in Oost-Europees mintgroen.
Die koffiehuizen, waar Chris en ik al snel de tijd vergeten, verdiept in onze boeken, zijn blijkbaar niks voor de backpackers die we ontmoeten in het hostel met de idyllische naam Station Guesthouse. Net zomin als onze avondvariant op de koffiehuizen, de zogenaamde borozó’s, ofwel wijnkelders, waarvan de uitstraling net zo rustgevend is.
De meeste logés hier, evenals de eigenaren, voor zover ze van elkaar te onderscheiden zijn, leven nog flink in het ‘love and peace’-tijdperk, wat ze over het algemeen tot zeer aangename kamergenoten maakt. Misschien kan ik het ‘nog’ wel weglaten. De meesten zullen niks van de echte hippietijd meegemaakt hebben, maar deze hostel staat in ieder geval fier in alle kleuren van de regenboog. Binnen zijn alle muren volgeschreven met subtiele en minder subtiele opmerkingen over alle onderwerpen die een vrijgevochten backpacker bezighoudt…
Het is er dus een gezellige boel, en dat houdt de meeste mensen blijkbaar ook de hele dag in de hostel. Van Budapest wordt zo niet veel gezien, want Station Guesthouse ligt nogal een eindje uit het cen-trum. Zelfs ’s avonds blijft men vaak in het hostel, en niet geheel onterecht, want het is daar goed toeven. Leuke mensen, genoeg drinken, een bank, een pooltafel, en een zeker hoeveelheid ‘grass’ blijken de ingrediënten voor een leuke nacht.

Hongarije Boedapest Uitzicht op Pest, vanaf de Citadel.

Wilkommen

Maar niet elke nacht. Chris en ik besluiten de meeste avonden toch de ietwat bedompte lucht van het Guesthouse te ontvluchten.
“We kunnen vanavond wel eens kijken op het Franz Liszt-plein,” stel ik Chris voor. Dit plein, in het Hongaars Liszt Ferenc tér, aan de boulevardachtige Andrássy-straat, staat bekend als uitgaansplek voor jongeren. Veel cafeetjes en restaurantjes, en bovendien één van de weinige straten in Budapest waar geen autoverkeer komt. Het groen overheerst in deze straat.
We lopen langs verschillende uitgaansgelegenheden die inderdaad gevuld zijn met voornamelijk jong publiek. Het is hier een beetje zien en gezien worden. We hebben allebei nog geen trek, het is nog vroeg, maar we willen gewoon even ergens drinken. We stoppen bij een bruinachtig café.
“Misschien is dit wat,” zegt Chris.
“Wel druk,” antwoord ik terwijl ik een kritische blik door het raam naar binnen werp. Een serveerster ziet ons volgens mij al staan en kijkt weifelend onze kant op.
“Nou, we proberen het gewoon,” zegt Chris, en hij opent de deur. We hebben nog geen twee stappen gedaan of het waakzame meisje komt naar ons toegesneld.
“Willen jullie iets eten of alleen drinken,” vraagt ze met gespeelde interesse.
“Alleen drinken. Het is nog vroeg.”
Haar glimlach versteent.
“Sorry, we hebben geen plek. Het is vol,” zegt ze, terwijl we al bijna bezig waren om naar een leeg tafeltje te lopen.
Blijkbaar zijn alleen eters welkom. Een drankje levert waarschijnlijk te weinig op… Graag of niet. We willen hier al niet eens meer drinken. We lopen toch wel wat verbaasd de deur weer uit. Het volgende sfeervolle cafeetje dan maar! Uiteindelijk belanden we voor wat drinken in een van de nabijgelegen cafés: café Incognito, met een inrichting in knallende kleuren.

Hongarije Boedapest Een poortje in de burchtwijk van Buda.

Typisch Hongaars

“Ik krijg nu toch wel trek,” merk ik na enige tijd op.
“Ja, we lopen gewoon nog een keer het Franz Liszt-plein door, en dan zal er vast wel wat te vinden zijn,” stelt Chris voor.
“Als we welkom zijn ja.”
“Ik zag in dat kleine straatje iets terug wel iets,” zegt Chris, “echt zo’n typisch Hongaars restaurantje. Niet zo’n moderne tent.”
We stappen naar binnen en zien een barretje en een paar tafels in een soort lokaaltje met tl-verlichting. Niet echt sfeervol, maar de gasten hebben het duidelijk naar hun zin. De drie tafeltjes zijn alle bezet, maar er is gelukkig nog een trapje omhoog. De tweede verdieping is niet veel meer dan een soort zoldertje met hetzelfde soort verlichting en hetzelfde soort tafeltjes. Hier is nog wel een vrij tafeltje. Aan de andere twee zit een groepje Hongaren.

Hongarije Boedapest “Het Rudas-badhuis is van buiten een totaal níet bijzonder badhuis. Een gebouw met graffiti, langs de drukke weg die langs de rivier loopt.”

Sterk verhaal

Alle tafeltjes zijn bedekt met rood-wit geblokte kleedjes waardoor we helemaal het idee hebben dat we eigenlijk gewoon bij iemand aan de keukentafel zitten. Maar we zijn er welkom. We zitten nog geen minuut de menumap te bestuderen of een oud, gebocheld mannetje, dat we beneden al aan de bar zagen zitten, komt de trap op. Hij loopt naar ons tafeltje, en ik begin te vermoeden dat hij wat te veel gedronken heeft, en ons nu gezellig in het Hongaars een sterk verhaal gaat vertellen. In plaats daarvan zegt hij: “Wilkommen, möchten Sie etwas trinken?”
Van de gelukzalige glimlach van dit oude mannetje mogen we later op de avond nog genieten als hij hoogstpersoonlijk het bestelde eten en drinken komt brengen. Dit is dus het echte uit eten in Budapest.

Széchenyi-badhuis

Hoe warm is water van 42 graden Celsius? Hoe zwaar weegt een man met een lever van 50 cm doorsnede? Hoeveel liter zweet verlaat je lichaam in de gemiddelde Hongaarse sauna? Deze vragen spoken door je hoofd als je in één van de vele Hongaarse badhuizen bent.
Het ene badhuis (gyógyfürdõ) is het andere nog niet, dus Chris en ik hadden al meteen besloten dat we er meer dan één moesten bezoeken. Het grote, en bekendste badhuis is het Széchenyi-badhuis in het Stadspark van de stad. Het leuke van dit badhuis is onder andere dat je in deze koude herfstdagen in een buitenbad kon genieten van oude mannetjes die in het water een potje schaken doen.
Eenmaal in een badhuis ontdek je dat de grootste baden in het badhuis een temperatuur hebben van 34-37 graden Celsius. Heerlijk, comfortabele temperatuur. Heet genoeg om met je hoofd boven het water de vermoeidheid weg te zweten, maar niet te heet om soms even een rondje te zwemmen. In het Széchenyi-badhuis blijf je niet de hele tijd met je hoofd boven het water hangen. De tegels, de pla-fonds, de mensen: er is genoeg om in bewondering naar te kijken. Dit badhuis is een gewoon gemengd badhuis. Jong en oud, man en vrouw, dik en dun, groot en klein. Alles loopt hier door elkaar, net als in een gewoon Hollands zwembad. Hier zijn er natuurlijk geen duikplanken, laat staan glijbanen, maar het is duidelijk dat een badhuis hier niet alleen populair is bij oude schakende mannetjes.

Graffiti

Twee dagen eerder hebben we al een bezoek gebracht aan een badhuis aan de andere kant van de rivier, de Buda-kant. Het Rudas-badhuis is van buiten een totaal níet bijzonder badhuis. Een gebouw met graffiti, langs de drukke weg die langs de rivier loopt. Het Rudas-badhuis ligt op een steenworp afstand van het beroemdere Gellért-bad, dat bij het kolossale Gellért-hotel hoort. Vlakbij deze badhui-zen ligt ook de citadel, op een grote heuvel, die, na beklimming, een schitterend uitzicht geeft: in het noordwesten Buda, de burchtheuvel met de Matthiaskerk en de oude straatjes, in het noordoosten de bruggen en Pest, het gigantische gotische Parlement, en dichterbij aan de andere rivierkant de Grote Markthal. In het zuiden, vlakbij, het Gellért-hotel met de bijna angstaanjagend grote poort.

Touwtje

We kiezen dus voor het Rudas-badhuis, en krijgen geen spijt. Dit badhuis is een echt ouderwets badhuis. Alleen voor heren, en het is niet de bedoeling dat je in eigen zwembroek het water betreedt. Zodra we door het poortje lopen, krijgen we een dun doekje in onze handen geduwd. Eenmaal in het piepkleine omkleedhokje ontdek ik dat er nog een touwtje aan het lapje stof zit, en na enig experi-menteren hangt het schortje op de juiste manier voor mijn edele delen, en worden mijn billen versierd met een mooie strik waarmee het touwtje rond mijn middel is bevestigd.
Hoewel we, als we elkaar zo zien, wel even besmuikt lachen, voelen we ons niet eens zo erg in onze blote kont. Iedereen loopt hier met zo’n mooi lendenschortje, op de paar oudere mannen na die genoeg hebben aan hun eigen vetschort, en dus onbeschaamd zonder enige bedekking, behalve hun eigen buik, rondlopen.

Koud

Het Rudas is klein en donker, en het is niet moeilijk om voor te stellen dat dit badhuis rechtstreeks stamt uit het tijdperk van Turkse overheersing. In het midden ligt het grootste bad, waarin het water een comfortabele temperatuur heeft van 36 graden. Eromheen liggen vier kleinere baden, en op de muur staat aangegeven welke temperatuur het water heeft. De twee uitersten zijn 25 en 42 graden. Voorzichtig laat ik mijn voet in het koudste bad gaan, en verbaas me over de rust van de mannen die er al in zitten. Dit is koud! Het voelt veel kouder aan dan de gemiddelde surfplas in Nederland op een warme zomerdag, maar dat zal wel komen door het warme bad waar ik net uitkwam. Ik kom niet verder dan de middel. Ik geef het op. Ik kan hier niet in zitten zonder ademhalingsstoornissen.

Levend gekookt

Na een overgangsfase in het Grote Comfortabele Bad, besluit ik het over de andere boeg te gooien: het warmste bad! 42 graden is heet. Herinneringen van vroeger komen boven, dat ik thuis in bad zat en het liet vollopen, zo heet mogelijk. Omdat je er al in zat, leek je meer te kunnen verdragen, net als een kikker die levend gekookt wordt. Maar nu moet ik er in terwijl het bad al vol is. De hitte kruipt omhoog: teen, voet, knie, dijen, lendenschortje, middel, (even pauzeren en op adem komen), borsten, oksels, schouders… Ik zit. Eén minuut. Het is hier stil: iedereen zit te broeden. Twee minuten, mijn gezicht is nat. Niet van het water, maar van mijn eigen zweet. Drie minuten. Genoeg lichaamsvocht verloren. Ik val bijna in slaap om, badend in mijn eigen zweet, wakker te worden.

Loeiende sirenes

Budapest, een wereldstad: elk uur loeiende sirenes, in elke straat auto’s, cafés, geluiden, drukte, mensen. Maar wel een onverstoorbare wereldstad. Niet het verkeer of de grote gebouwen blijven het langste hangen, maar de onverstoorbare rust van de koffiehuizen, de badhuizen, de gids in de grot en het oude mannetje…



Plaats reactie of reistip





* verplicht invoerveld

Facebook RSS Feed