China, Reisverhalen
Peking: hoofdstad van het noorden
‘Na anderhalve dag treinen vanuit Ulan Bator bereiken we Peking. Direct wanneer we het station verlaten wordt duidelijk dat ons een zware week te wachten staat: in de Chinese hoofdstad is het broeierig warm.’ Ralph van Wolffelaar bezocht de hoofdstad van China voor een week en beschrijft de bezienswaardigheden en opvallendste gebeurtenissen.
Na anderhalve dag treinen vanuit Ulan Bator bereiken we Peking. Direct wanneer we het station verlaten wordt duidelijk dat ons een zware week te wachten staat: in de Chinese hoofdstad is het broeierig warm, benauwd eigenlijk, en dat zal de komende dagen niet veranderen. Met een busje worden we naar het hotel gebracht, daarbij enkele toeristische trekpleisters passerend. Maar wat het meest opvalt is de enorme chaos in het verkeer.
De chauffeur manoeuvreert zich handig een weg door de onvoorstelbare hoeveelheid auto’s, taxi’s en fietsers. Verkeersregels lijken niet te bestaan; richting aangeven gebeurt niet, fietsers en riksja’s rijden midden op de weg en voorrang geef je niet maar neem je vooral. Wanneer je een kruispunt met hogere snelheid nadert dan een medeweggebruiker die van rechts komt ga je gewoon voor, ook al heeft die ander groen licht. Dit alles gaat vergezeld van een kakofonie van claxonnerende automobilisten.
‘s Avonds gaan lopend door het centrum op zoek naar een restaurantje. Na een half uurtje dolen door het immense hart van de stad weten we al precies in wat voor metropool we zijn terechtgekomen. Op het trottoir zitten Chinezen te kaarten, praten, poolbiljarten en liggen anderen te slapen. Verder valt de gigantische hoeveelheid volk zo laat op de avond op. Maar het kan erger: het Plein van Hemelse Vrede biedt bij het eerste bezoek een bijzonder drukke aanblik. Niks verlaten, gewoon de puinhoop zoals die er ook de volgende dagen zal zijn.
Prachtig landschap langs de spoorlijn Ulan Bator-Peking.
Chopsticks
Als westerling hoef je geen moeite te doen om ergens een etablissement naar keuze te vinden, besluit je er niet binnen te gaan, dan trekken zij je wel naar binnen. Altijd leuk is de eerste keer met de bekende chopsticks eten terwijl je thuis niet hebt geoefend. Dat levert het eerste kwartiertje dus een aardig schouwspel op, waarbij de Chinese gasten in het restaurant met een ongelovige blik ons gestuntel aanschouwen. Na die vijftien minuten gaat het trouwens al een stuk beter, het is ook niet zo moeilijk. Grappig is trouwens de inrichting van de restaurants. Eetzalen zouden wij het noemen. Tegels, Tl-buizen en eventueel een aquarium om de vissen uit te halen. Gezelligheid maak je met je vrienden en lekker eten. Ook kleding is niet zo belangrijk. Kom je in driedelig dan kijken ze je aan, kom je in je blote bast dan val je nauwelijks op. Een menukaart in het Engels is niet altijd voorhanden en dus dien je regelmatig een rondje langs de tafels te maken om bij andere eters aan te geven welk gerecht je wel aanstaat. Het prijsniveau is overigens een prettige bijkomstigheid, voor dertig gulden eten we met z’n vieren ons buikje rond.
Leuk is ook een bezoekje aan de plaatselijke McDonalds. Eenmaal binnen in het filiaal aan de zuidkant van het Plein van de Hemelse Vrede, lezen we louter Chinese tekens op de lichtbakken. Als we op het punt staan naar buiten te gaan, komt een serveerster een placemat brengen waarop afbeeldingen staan van de cheeseburgers, milkshakes en kipnuggets. Wij wijzen aan wat we willen hebben, zij noteert en met het briefje kunnen we zelf bestellen aan de toonbank. Een simpele manier, maar het werkt wel.
De volgende dag bezoeken we het Plein van de Hemelse Vrede en het onvermijdelijke Mausoleum van Mao, waarvoor de rij het toch niet kleine plein helemaal rondschuift en we er uiteindelijk een uur over doen om binnen te geraken. Het levensgrote gebouw staat pontificaal midden op het plein, waarbij je je afvraagt of dat formaat nou nodig is voor één persoon. Dit kun je beter niet op straat tijdens een gesprek aansnijden, want kom niet aan Mao. Hoewel de Grote Roerganger de nodige doden op zijn geweten heeft wordt hij nog steeds gezien als de man die China op de kaart zette en waaronder het leven mits je je politiek afzijdig hield goed was. Zijn portret siert nog immer de oude ingang van de Verboden Stad, aan de noordkant van het Plein.
Plein van de Hemelse Vrede met in de verte de Verboden Stad.
Verboden Stad
De Verboden Stad was ooit het verblijf van de keizer. Bekend bij eenieder die ‘The Last Emperor’ wel eens gezien heeft, kreeg regisseur Bernardo Bertolucci bij hoge uitzondering toestemming om er te filmen. De stad was vroeger verboden terrein voor gewone stervelingen, alleen de keizer en zijn gevolg kregen toegang tot de wereld die achter de rode muur schuilgaat. Tegenwoordig doet het dus dienst als openluchtmuseum. Tempels, tuinen en overdadige versieringen domineren het aangezicht, met langs een duidelijke noord-zuidas de belangrijkste gebouwen. Vroeger bevond er zich in Peking geen gebouw wat hoger was dan het hoogste punt in de Verboden Stad. De keizer moest over de stad kunnen uitkijken en dan mocht zijn uitzicht niet belemmerd worden.
Inmiddels zijn ook in de Hoofdstad van het Noorden, zoals Peking letterlijk betekent, de eerste wolkenkrabbers zichtbaar, wat weer in schril contrast is met het toch aanzienlijke aantal zwervers en bedelaars. Een keer hangt een jongetje zelfs letterlijk aan mijn kleren. Tja, als je als westerling zo nodig naar China moet kun je ook met dit soort dingen te maken krijgen. Opvallend: iedereen kent die gesprekken op verjaardagen, doorgaans zo net na de zomer, waarop een aantal mensen vertelt in een of ander ver oord een bekende te zijn tegengekomen. Ons overkomt het ook; de oom en tante van mijn reisgenoot bevinden zich in hetzelfe hotel. Groot is de verbazing dan ook wanneer we ‘s ochtends elkaar bij het ontbijt tegenkomen.
Om de drukte enigszins te ontvluchten gaan we de volgende dag naar het Sun Yat Senpark, genoemd naar de voorganger van Chang Kaishek als hoofd van de republiek en oprichter van de Kwomintang. Vergeleken bij de hectiek van de stad heerst hier, hoewel gesitueerd vlak naast de Verboden Stad, welhaast een serene rust. De grote hoeveelheid paviljoenen, aquaria en parkjes zorgen ervoor dat je op een gegeven moment alles maar normaal gaat vinden, terwijl je stuk voor stuk kleine kunstwerkjes voorbijloopt. Een verademing.
De Verboden Stad. Bekend van de Last Emperor.
Chinese Muur
Wie China bezoekt mag een bezoek aan de Chinese Muur niet missen en dus vertrekken we de volgende dag met de bus naar een vrij recent geopend stuk muur. Een eind rijden, drie uur en een kwartier, maar dan heb je ook wat. Gebouwd als bescherming tegen de Tataren bereikte het bouwwerk uiteindelijk een lengte van bijna 2500 kilometer. Met name in het oosten van China is een aantal delen intact gebleven en opengesteld voor het publiek. De meeste toeristen zijn te vinden bij Badaling en Mutianyu; wij besluiten naar het wat verder gelegen Simatai te gaan dat op UNESCO’s lijst van beschermde monumenten staat.
Volgens ons ticket bevinden we ons op een van de gevaarlijkste stukken van de Muur en dat durf ik niet in twijfel te trekken. Naast de steile klim ontbreken hier en daar de kantelen. Menig maal duw ik bij het afzetten onbewust een steen in het diepe ravijn, mezelf maar ternauwernood overeind houdend. Op het hoogste punt aangekomen is de verbazing groot wanneer we er naast de gebruikelijke versnaperingen een televisie aantreffen waaruit luidkeels 2Unlimited schalt. Het kan niet altijd meezitten.
Wie naar Peking reist moet ongetwijfeld keuzes maken tussen alle culturele bezienswaardigheden, maar een bezoek aan het Zomerpaleis mag eigenlijk niet ontbreken. In de zomer, wanneer het te heet werd in de stad, trok de keizer naar dit veertig kilometer noordwestwaarts gelegen park. Voor een bezoek mag je best een dag uittrekken, de oppervlakte bedraagt namelijk niet minder dan driehonderd hectare (!). Daarvan wordt driekwart in beslag genomen door het Kunmingmeer, maar dan nog valt er genoeg te zien.
We bereiken het Zomerpaleis, evenals de meeste bezienswaardigheden in de stad, met de taxi. In deze metropool is dat nu eenmaal het snelste, makkelijkste en veiligste vervoermiddel. Na enkele dagen komen we er bovendien achter dat rijden volgens de meter goedkoper is dan een prijs afspreken. Voor een startbedrag van tien yuan (ƒ 2,50) kun je vijf kilometer rijden en daarmee kom je zelfs in Peking een heel eind. Elke volgende kilometer kost 1,20; 1,60 of 2 yuan, afhankelijk van het formaat taxi waarin je je bevindt. Wanneer de taxi geen airco heeft en het raam open moet, merk je direct waarom Peking in de top-5 van meest vervuilde steden ter wereld staat, de smogvorming is bijna niet te harden.
De Chinese Muur bij Simatai slingert zich een weg door het gebergte.
Zwartrijden
Daarnaast moet iedereen eens een ritje met een van de vele riksja’s maken. We laten ons door een baasje van een jaar of zestig rondrijden. Wanneer we echter op de verkeerde plaats zijn afgezet en de vogel alweer gevlogen is, rijden we een stukje met de bus. De uitbrander van de chauffeur is niet omdat we zwartrijden, maar omdat we aan de verkeerde kant van de overvolle bus instappen.
De aanwezigheid van de vele stalletjes op straat zorgen voor een gezellige, drukke sfeer. Jammer is alleen dat je als westerling nooit eens iets kan kopen zonder te moeten afdingen. Niet voor niets zijn de goederen niet geprijsd. Zelfs een fles cola is niet te krijgen zonder te onderhandelen. Wie direct de genoemde prijs betaalt, is meer kwijt dat in Nederland. De eerste twee keer is het leuk om je onderhandelingscapaciteiten te testen, maar daarna begint het snel te vervelen. Als je op de helft van de eerstgenoemde prijs uitkomt, zit je ongeveer wel goed.
Het is aan te raden ook eens de geijkte avenues te verlaten en de smalle straatjes in te duiken. Op het eerste gezicht lopen deze ‘hutongs’ parallel aan de grote straten die de stad hoofdzakelijk in noord-zuid en oost-westrichting doorkruisen. Niets is minder waar; de steegjes vol winkeltjes, langsrazende riksja’s en brutale verkopers blijken een waar doolhof. Je komt altijd ergens anders uit dan je denkt.
Paviljoen in het Zomerpaleis
Het Kunmingmeer in het Zomerpaleis.
Sigaretten
Tijdens één van onze wandelingen worden we aangesproken door twee jonge meisjes die een eindje met ons meelopen. Ze spreken opvallend goed Engels en willen weten wat we van Peking vinden, of we hier voor het eerst zijn en tot wanneer we blijven. Mijn vermoeden dat we langzaam een donker bordeel binnengeloodst worden, blijkt ongegrond; de dames werven klanten voor een achteraf gelegen galerie waar schilderijen te koop zijn. Helaas is de prijs er ook naar. Met de belofte dat we later in de week nog eens terugkomen als er nog geld over is nemen we afscheid.
Toch is het zeker de de moeite waard om links en rechts wat aan te schaffen. Cd’s, kleding en sigaretten bijvoorbeeld zijn er aanzienlijk goedkoper dan in Nederland en wie goed afdingt, kan zelfs nog voordeliger uit zijn. Maar het opvallendst na zeven dagen Peking zijn toch de mensen, sowieso het belangrijkst wat een reis interessant maakt. De ene keer word je nagekeken op straat, de andere keer wil iemand een woordje Engels met je wisselen en een derde keer moet je met hen op de foto. Chinezen zijn druk, spreken geen Engels, zijn beleefd maar tegelijkertijd ook nieuwsgierig naar de wereld buiten communistisch China. Eén keer staat een groepje van tien man te kijken hoe ik een ansichtkaart naar huis schrijf en Nederland op de kaart aanwijs. Ze weten het niet te liggen, misschien hebben ze er wel nooit van gehoord. Op dat moment een beetje vreemd, als je er later aan terugdenkt grappig en veelzeggend. Een land om ooit nog eens terug te komen.
Eén van de vele kleine straatjes (hutongs).