Tibet, Reisverhalen
Plooien in de uitlopers van de Himalaya
De geasfalteerde kronkelweg volgt de diepe plooien in de uitlopers van de Himalaya. Terwijl Dennis Remmelzwaal dit verhaal geschreven heeft, vraagt hij zich af wat er eigenlijk zo leuk is aan reizen. Dennis Remmelzwaal reist van Nepal naar Tibet. ‘Als koeien staan en hangen we in een vrachtwagen die amper op de weg past.’
David en zijn vriend zijn als laatste in de bus gestapt in de toeristenwijk Thamel (Kathmandu). David, afkomstig uit San Francisco, is naast mij komen zitten. In zijn nette reiskledij, met een stralende glimlach. “This will be a great trip”, zegt hij. Dat is zeker waar, zolang we in Nepal zijn. De geasfalteerde kronkelweg volgt de diepe plooien in de uitlopers van de Himalaya.
Een etmaal later zit hij weer naast me en ziet er meelijwekkend uit. Hij heeft zijn Chinese grensovergang meegemaakt, zijn eerste Chinese rochels gehoord en een door hondengeblaf gevulde Chinese nacht beleefd. Maar ook de meer geharde reizigers onder ons hebben het moeilijk na de Nepalese grens te zijn gepasseerd. Te voet, want het comfortabele Nepalese busje gaat tot hier en niet verder.
Lhasa
Maar tussen de Nepalese grensplaats Kodari en de tegen de flanken van een reuze berg geplakte Chinese grensplaats Zhangmu liggen meer dan 1000 meter hoogteverschil en elf kilometer steile modderweg die zich langs diepe afgronden in talloze bochten omhoog slingert. Als koeien staan en hangen we in een vrachtwagen die amper op de weg past.
We houden ons vast aan touwen en latwerk. Eenmaal over de grens (de afhandeling gaat razend snel en de eerste dollars zijn probleemloos zwart gewisseld) overnachten we in een betonnen blok met kale trappen, winderige gangen en op iedere hoek van de gang twee spleten in de betonnen vloer, het toilet. Die avond speel ik pool, eet mijn eerste Tibetaanse momo’s (gevulde deegballetjes), drink een Chinees biertje, word bijna door giechelende meisjes een karaoke-bar binnengetrokken en slaap daarna als een blok. Vervolgens reis ik verder naar Lhasa.
Als ik de busstop verlaat probeer ik me te oriënteren. Even later sjok ik met vijftien kilo op mijn rug al zwetend door de donkere straten. Een gevoel van totale verlorenheid dat iedere reiziger kent. Niemand spreekt Engels. Ik heb al twee mannen en een vrouw de schrik op hun lijf bezorgt. Een figuur met valse grijns vraagt: “Can I be of any help?”
Op mijn vraag of hij een slaapplaats weet wijst hij richting trottoir. Het zweet gutst van me af en ik wil helemaal niet meer naar Tibet. Ik moet aan mijn vriendin denken die me geleerd heeft iedere hindernis als een avontuur te aanvaarden. Dan zie ik een onberispelijk in uniform geklede politieman. Slank, laarzen glimmend gepoetst, helemaal ‘t ventje. Of hij een slaapplaats weet? Hij haalt er een zesde persoon bij.
“Me no English” zegt hij. Dat helpt. Ik laat hem de plattegrond zien, maar dat is zinloos. Lezen is er ook niet bij. Hij lacht ontwapenend vriendelijk en ik krijg er weer zin in. Uiteindelijk stap ik bij hem in de auto en hij brengt mij bij een hotel. Uiteraard veel te duur, ik reken met de taxichauffeur af en maak hem duidelijk dat ik er wel uit kom.
Binnenplaatsje
Na een half uur vind ik in een achteraf straatje een pension waar nog een kamer vrij is. Achter de receptie zit een man in een groezelig hemd. Nadat hij de sleutel heeft gepakt, volg ik hem naar een binnenplaatsje. De kamer blijkt een benauwd hok, gemeubileerd met een bed, een kast en een stoel. De wanden zijn van hardboard. Ik betaal voor één nacht.
Vijf minuten later trek ik de deur weer achter me dicht om iets te gaan eten. Wanneer ik rond middernacht terugkom, is de poort gesloten. Ik rammel aan het traliewerk. Na een tijdje verschijnt de nachtportier, een slaperige jongen van een jaar of zestien. Hij laat me binnen en sloft weg om mijn sleutel te halen. Wachtend op het nu aardedonkere binnenplaatsje voel ik plotseling een hand onder mijn overhemd glijden.
Geschrokken draai ik me om en kijk recht in het gezicht van een vrouw. “Zoek je gezelschap, liefje”, fluistert ze zwoel. Wanneer mijn ogen aan het donker gewend zijn, zie ik dat er nog meer vrouwen rondhangen. Af en toe hoor ik ze onderling praten en lachen. Ondertussen is de nachtportier teruggekeerd. Zonder sleutel. Waarschijnlijk is hij meegenomen door iemand anders. De jongen loopt naar een van de kamers en klopt zachtjes op deur. Uit de kamer komt een luid gesnurk. Na enige tijd doet de eigenaar van het pension open en kijkt ons kwaad aan. Er blijkt geen andere sleutel van het hangslot op mijn deur te bestaan. Wat nu?
Het vooruitzicht de nacht hier buiten te moeten doorbrengen, is weinig aanlokkelijk. De jongen is ondertussen opnieuw verdwenen en keert even later terug met wat gereedschap. Voortvarend begint hij de schroeven waaraan het hangslot vastzit, uit de deur te breken. Het duurt niet lang of het getimmer leidt tot boos geroep uit de overige kamers. Lichten floepen aan. Een man met ontbloot bovenlijf, een fles in zijn hand, komt naar buiten. He daar ……., lalt hij. Ik ruik zijn drankkegel op meters afstand.
Eindelijk vliegt het slot eraf. Snel glip ik naar binnen. Gelukkig, mijn rugzak ligt er nog. Om nachtelijk bezoek tegen te gaan, schuif ik de leuning van de stoel onder de deurklink. Ik sla het bed open en bij het licht van het kale peertje aan het plafond inspecteer ik het roze beddengoed. Het ziet er beslapen uit. Met twee vingers verwijder ik enkele zwarte haren. Nu pas zie ik dat er een gebruikt condoom op de vloer ligt. Met een gevoel van weerzin schuif ik in mijn lakenzak. De volgende ochtend verlaat ik in alle vroegte de kamer. Op het binnenplaatsje staat de vrouw van vannacht voor de spiegel haar haren te kammen. Ze keurt me geen blik waardig. De receptie is nog onbemand wanneer ik opgelucht de poort uitloop.
Jokhang-tempel
Ruim een week later bereik ik Lhasa, de hoofdstad van Tibet. Het lijkt alsof de oorspronkelijke bevolking zich alleen nog thuis voelt in de nauwe steegjes rond de middeleeuwse Jokhang-tempel in het oude stadscentrum. Hier zie je ook nauwelijks Chinese immigranten, die de laatste decennia de meerderheid zijn gaan vormen in het door Peking geannexeerde gebied. Door de dichte rookwalmen van in kleine ovens verbrande bundels jeneverbes is de ingang van de Jokhang-tempel nauwelijks te zien.
Voor de boeddhistische Tibetanen is dit gebouw het belangrijkste heiligdom. Vanaf de vroege ochtend werpen zich hier talloze pelgrims in een voortdurende stoet voorover op de vloerstenen, die glimmen en glanzen van eeuwen devotie, voordat ze het stille heilige der heilige betreden. Eenmaal hun pelgrimsplicht vervuld kijken de nomaden van het platteland hun ogen uit op de bazaar rond de Jokhang-tempel.
Weeshuis in Lhasa
Doof voor het voortdurende geroezemoes in deze marktdrukte zit een meisje (negen jaar) voorover gebogen. In haar handen houdt ze een verfomfaaid yuan-biljet geklemd. Een marktverkoper vertelt, dat ze hier al meer dan een week zit. Monnik Tsamtrul heeft over het meisje gehoord en is naar haar opzoek gegaan. Bij de tempel vindt hij haar. Hij knielt bij het meisje neer en praat zachtjes op haar in. Tranen beginnen over haar wangen te rollen als ze haar relaas aan hem toevertrouwt. Ze heet Tsering en komt uit een verafgelegen dorp op de hoogvlaktes. Samen met haar ouders was ze in een bus vol pelgrims op weg naar Lhasa, toen de bus een ernstig ongeluk kreeg. Haar vader en moeder kwamen daarbij om. Met hulp van de andere pelgrims bereikte ze Lhasa, waar ze sindsdien bij de toegang van de Jokhang leeft van aalmoezen die pelgrims haar toestoppen. Half versuft laat ze zich door Tsamtrul meeleiden naar een klein weeshuis dat hij onlangs oprichtte.
Op een steenworp afstand van de Holiday Inn, waar de buitenlandse toerist voor een yakburger een gemiddeld Tibetaans weeksalaris betaalt, wijzen linten van gekleurde vlaggetjes de weg naar het pasgeverfde gebouwtje. Drieentwintig weeskinderen, in leeftijd variërend van vijf tot dertien jaar, hebben hier een thuis gevonden. De douche in het huis is kapot, maar de oude waterpomp werkt nog wel. Dheyang, kokkin en huismoeder, stopt Tsering in een tobbe. De andere kinderen kijken nieuwsgierig toe hoe het meisje wordt schoongewassen, nieuwe kleren krijgt en weer een beetje mens wordt. “Door de armoede in de dorpen op het platteland trekken veel Tibetanen naar de hoofdstad, op zoek naar werk” vertelt Tsamtrul. “Deze gezinnen hebben het erg moeilijk. Soms zijn de ouders niet meer in staat om voor hun kinderen te zorgen. De kinderen belanden op straat waar ze bedelend en stelend van dag tot dag leven”. “Ik moest vroeger ook zo leven. Vijf jaar lang zwierf ik bedelend rond in de buurt van de Jokhang. Het was verschrikkelijk”.
Tulku
Tsamtrul’s zwervende leven nam vijftien jaar terug een plotselinge wending toen hij door een lama werd herkend als een tulku, een wedergeboorte van een overleden hoge lama. Hij werd opgenomen in een klooster en voorbereid op zijn komende religieuze verplichtingen. “Maar na enkele jaren kwam ik tot besef dat ik niet mijn hele verdere leven in het klooster wilde blijven. Ik vind het niet juist om alleen maar te bidden en te mediteren en je door andere mensen te laten onderhouden. Ik wil iets voor mijn medemensen doen, ons volk helpen. Geld is een voortdurend probleem in het weeshuis. “Sommige kinderen eten wel vier kommen rijst”, verzucht Dheyang. Het kost soms enige moeite om de kinderen na opname in het weeshuis huisregels bij te brengen. Ze hebben een diep wantrouwen tegen anderen ontwikkeld en hun harde overlevings-strategieen laten ze niet zomaar los. Soms verdwijnen ze om uit stelen te gaan en duiken dan later weer op. “Dat heeft helaas een hechte invloed op de jongere kinderen”.
Wanneer een kind blijft vervallen in dergelijke gewoonten wordt het, na herhaalde waarschuwingen, weer op straat gezet. Zo ontstaat weer ruimte voor een ander.
Er zijn honderden straatkinderen die ook een kans willen op een beter leven.