Thailand, Reisverhalen
Waar de Mekong vloeit
Denise Miltenburg woonde en werkte een jaar lang in Bangkok, of Krung Thep, zoals de Thaise hoofdstad eigenlijk heet. Eind december verruilde ze de drukte van de metropool voor een paar dagen rust en frisse lucht aan de Mekong. ‘Hier voel je je ‘aan het eind van de wereld, diep in Azië, in het verloren paradijs’, meldt de Trotter-gids. Dat klinkt goed. Daar moet ik heen! Lees het verslag van een tocht langs sprookjesachtige en nog haast onbetreden dorpjes aan de Mekong.
‘Aan het eind van de wereld, diep in Azië, in het verloren paradijs’. Aangetrokken door deze woorden in de Trotter-gids reis ik samen met een Nederlandse leraar Engels die ook in Bangkok woont naar het noordoosten van Thailand. We trekken langs sprookjesachtige en nog haast onbetreden dorpjes aan de Mekong. Eerst naar Nong Khai en van daaruit via Sangkhom en Pak Chom naar het plaatsje Chiang Khan, om Oud en Nieuw te vieren met een bevriende Nederlander die daar een eigen guesthouse heeft.
Om half 6 ‘s ochtends pak ik in allerijl m’n rugzak en race in een taxi naar Moh Chit, het noordelijk busstation van Bangkok. Terwijl de taxi zich een weg baant tussen groengele taxi’s en roodblauwe tuktuks door, snuif ik in gedachten de frisse lucht van het noorden al op. Ik verlang naar ongerepte natuur en idyllische plaatsjes aan de Mekong. Op naar de stilte en de rust, op naar ‘het andere Thailand’!
Die mijmering wordt meteen teniet gedaan als we op het busstation aankomen. Wat een drukte! En wat is Moh Chit groot! Niet te vergelijken met Sai Tai, de zuidelijke busterminal van waaruit ik wel eens naar Hua Hin ga. Nooit eerder heb ik zoveel bussen, naar alle windrichtingen, bij elkaar gezien. Om acht uur galmt het Thaise volkslied uit de speakers. Luid, zoals ze hier gewend zijn.
Al bij de eerste klanken staat iedereen stil. Niemand rent nog voor een bus, nee, iedereen staat muisstil en toont respect voor het koningshuis, het vaderland en het volkslied. Want als de Thai iets zijn, is het wel koningsgezind.
Als het volkslied is afgelopen begeven we ons weer in de mierenhoop. De bus blijkt overboekt te zijn, maar wij, de enige ‘farangs’, buitenlanders, hebben gelukkig een gereserveerde stoel. Voor de minder gelukkige passagiers worden er plastic krukjes in het gangpad gezet. In Thailand is immers overal een oplossing voor! Maar toch… tien uur lang op van die minuscule krukjes zitten? Dat is beslist niet ‘sanuk’, plezierig, meer. Klagen? O nee, dat zul je de Thai niet horen doen.
In de schaduwrijke tuin van Mutmee guesthouse is het goed toeven. Je hebt er uitzicht op de Mekong en zelfs op Laos. [Foto: Denise Miltenburg]
In het donker in Nong Khai
De reis blijkt niet zo mooi als we gedacht hadden. Met beelden in ons hoofd van glooiende rijstvelden zo ver het oog reikt, valt de dorre vlakte behoorlijk tegen. Het Khorat-plateau is één droge, stoffige bende. Is dit Thailand? Ja, ook dit is Thailand. De rijst blijkt in november geoogst te zijn en dus blijft er slechts wat dor grasland met vergeelde resten rietstengels en hier en daar een zwartgeblakerd ‘slash&burn’-veld over. Slechts af en toe steekt een palm parmantig omhoog of glijdt een groepje bananenbomen aan ons voorbij. Hoe anders moet het hier in het regenseizoen zijn! Wie zei dat je in Thailand geen seizoenen hebt? Het is de droge tijd en dat is te merken. Zelfs m’n in Nederland achtergelaten hooikoorts steekt de kop weer op.
Terwijl de bus door het eentonige landschap jakkert, snerpt Lam Yai met haar typische Isan-muziek over onze hoofden. We proberen de muziek te negeren en knikkebollen zo de Isan-streek door, het armere deel van Thailand en door sommigen ook wel ‘het echte Thailand’ genoemd. Via de onvruchtbare leegte van Khorat reizen we via Phimai, Khon Khaen en Udon Thani verder noordoostwaarts. Dwars door de onder toeristen vrij onbekende Isan, het ‘thuis’ van veel Thaise hoertjes.
Na een rit van ruim tien uren (bijna zo lang als een vlucht van Nederland naar Thailand) komen we in het donker in Nong Khai aan, in het noordoosten van Thailand. Een tuk-tuk zet ons af bij Mutmee-guesthouse. We lopen door een paadje met een tweetal winkeltjes, waaronder een bookshop annex internetshopje, een atelier, en wat hier-wil-ik-blijven huisjes van kunstenaars en oude hippie’s. Knerpend door de kiezels komen we uit bij een houten balie en een grote, groene tuin. Een heerlijke, gemeenschappelijke tuin aan de oever van de Mekong, met uitzicht op Laos. Perfect! Een groepje backpackers wisselt reiservaringen uit rond een houten tafel, even verderop zit iemand rustig te lezen, een ander hangt loom in een schommel en weer een ander werkt zijn reisdagboek bij, de Lonely Planet angstvallig naast zich op tafel. (Zonder de reisbijbel is de reiziger anno nu direct van slag). Het is duidelijk een populair guesthouse, maar van herrie en drukte is geen sprake. Er is nog plaats. Gelukkig!
Nongkhai is een aardig stadje om doorheen te wandelen of fietsen. [Foto: Denise Miltenburg]
Mekhong-whiskey warmt ons op
Onze kamer is eenvoudig, maar oké, met een douche op de houten overloop, vanwaar je door een open ruimte zo naar buiten kunt kijken. Het is donker, maar we voelen de kil klamme aanwezigheid van de rivier als we van een Thaise curry met rijst smullen. Het geluid van krekels vormt welkome achtergrondmuziek. Jammer dat de muggen het dan weer moeten verpesten: die jagen ons al vroeg naar onze keiharde bedden.
Ontbijten met uitzicht op de Mekong. Wat wil je nog meer? Nou ja, liever geen zoutloos brood, maar goed, gelukkig hebben ze ‘yoghurt with muesli and fruit’, zoals vrijwel ieder ander Thais guesthouse ook op de kaart heeft staan. Ook het klimaat is heerlijk. Koel in de ochtend (trui aan, da’s lang geleden!) en aangenaam warm in de middag. Wat een verademing na die hete maanden in Bangkok!
Ik overweeg mee te doen met yoga of tai chi, maar kies toch voor een goddelijk bedje van bamboe in de tuin, met een watermeloenshake in m’n hand en een blik op Laos aan de andere kant van de rivier. Het kan erger…
‘s Middags besluiten we op de fiets het stadje te verkennen. Dat kost echt niks: 17 baht (nog geen halve euro) per uur. We trappen langs de rivier, de traditionele teakhouten huizen en de wats (tempels). ‘s Avonds gaan we mee met een ‘cruise’-boot over de Mekong. Nou ja, cruise is een groot woord voor dit aftandse schip. Maar ja, het kost je slechts dertig baht (nog geen euro), dus daar kun je niet al te veel van verwachten. Wel kun je er eten en drinken. Behalve wij en twee andere ‘farang’, westerlingen, zitten er alleen maar Thai en andere Aziaten op. Het zou een sunset-tochtje zijn, maar helaas gaat de boot pas weg als de zon al lang en breed onder is en laat dat nou net niet te zien zijn vanaf de plek waar we aangemeerd liggen. De Aziatische toeristen zijn de schuldigen, want zo lang zij eten blijven bestellen van de keuken aan de wal, kan de boot niet vertrekken. Het wordt een fris tochtje, maar de Thaise Mekhong-whisky warmt ons gelukkig op.
Mama's guesthouse in Sangkhom ligt verscholen tussen het groen. [Foto: Denise Miltenburg]
Het eind van de wereld
Zondag 30 december zouden we geheel benutten om langs de Mekong van Nong Khai naar het westelijker gelegen Chiang Khan te reizen. Helaas lukt het ons pas om half 11 de bus te pakken. Daar gaan we dan, verder verder westwaarts. Het busje is simpel, maar dat heeft zo z’n charme. We zitten tussen de locals, waarvan menigeen gekleed gaat in dikke trui en wollen muts. Overdrijven is ook een vak, en Thai zijn er goed in. In bijna drie uur tijd reizen we naar Sangkhom, een prachtig dorpje aan de Mekong, in de provincie Loei. Volgens de Trotter-gids moet je je hier ‘aan het eind van de wereld, diep in Azië, in het verloren paradijs’ voelen. Nou, dat komt wel dicht in de buurt. Hoewel de tocht erheen verdacht veel op een ritje over een dorre doch herfstige, Hollandse hei lijkt, is het plaatsje waar we aankomen zoals we hoopten dat het zou zijn: exotisch en onbedorven. Het klinkt clichématig, maar het is authentiek, zoals ‘het echte Thailand’ moet zijn.
We lunchen bij ‘Mama’s guesthouse’, dat uit een boomgaard met bananenbomen en papaja’s en een handvol hutjes op de rivieroever bestaat. Er zijn geen gasten, dus ‘mama’, de uitbaatster, heeft alle tijd voor ons. En die neemt ze dan ook rustig. Op haar gemakje tuft ze op haar scootertje weg om de ontbrekende ingrediënten voor de ‘pad thai’ (gebakken noodles met taugé en nootjes) te halen, nadat ze al een papaja uit haar tuin heeft geplukt voor één van de meest typische gerechten uit de Isan: ‘som tam’, een heel hete papajasalade met verse pepertjes. Ondertussen genieten wij van de rust, de stilte en het schitterende uitzicht. Een bootje vaart voorbij. Kinderen voetballen op een zandbank in de rivier. Een lome middag in Sangkhom. Ver van de hitte en het kabaal van tuktuks, motoren, stinkbussen en de uitlaatgassen van Bangkok vandaan. ‘Zou ik hier kunnen wonen?’ vraag ik mezelf serieus af.
Het bruggetje naar Mama's guesthouse in Sangkhom. [Foto: Denise Miltenburg]
Mama mai míe
Onvoorstelbaar voor ons Nederlanders dat iemand gewoon z’n hele hebben en houwen achterlaat bij twee wildvreemden. Haar ‘huis’, haar spulletjes, haar telefoon, alles vertrouwt ‘mama’ ons toe. Dat kan hier dus gewoon. Als ze na geruime tijd nog niet terug is van haar boodschappenexpeditie, gaat de telefoon. Nadat we hem een paar keer laten overgaan, kijken Cor en ik elkaar aan en besluit ik op te nemen. Waarom weet ik eigenlijk niet, want zoiets doe ik eigenlijk nooit. Het duurt even voor ik de telefoon gevonden heb, maar dat is ook niet zo gek gezien de chaos waarin haar huisje verkeert. In m’n beste Thai zeg ik:
‘Sawat dee kaa. Baan mama’ (Hallo, dit is het huis van ‘mama’).
Aan de andere kant van de lijn hoor ik een verbaasde vrouwenstem wat onduidelijks brabbelen, dus zeg ik:
‘Mama mai míe’ (Mama is er niet). Hopelijk houdt ze dan op met praten.
Net als ik haar vage antwoord probeer te begrijpen met een (hoe vaak heb ik dat wel niet gezegd) ‘Put ikti dai mai’” (oftewel “Kunt u dat misschien herhalen?”), horen we ‘mama’ over de gammele loopbrug naderen. Als ze er maar niet doorheen zakt, denk ik nog, zo stevig ziet die brug er nou ook weer niet uit. Maar dat gebeurt niet. Met haar armen vol met boodschappen komt ze over de kapotte houten planken toegesneld. En dan, wederom in m’n beste Thai, zeg ik tegen de vrouw aan de lijn: ‘Aaaah, ‘mama’ maa leeow. Roh Sakru?’ (Aaah, ‘mama’ komt er al aan. Heeft u een ogenblikje?).
Trots overhandig ik haar de telefoon. Ze lacht de befaamde Thaise glimlach en neemt de hoorn van me over.
De omgeving van Sangkhom. [Foto: Denise Miltenburg]
Het leven nemen zoals het komt
De ‘som tam’ en de ‘pad thai’ zijn heerlijk, zoals al het Thaise eten. Ik ben er werkelijk verslaafd aan geraakt. Het Chang-bier, uit het bekende flesje met de olifanten erop, gaat er ook goed in.
Pas laat in de middag stappen we op. We moeten immers nog helemaal naar Chiang Khan. De bus zou elk heel uur langskomen, maar dat moet je met een flinke korrel zout nemen. We wachten. En wachten. En wachten. Om half vijf krijgt Cor last van het hete eten en spurt een straatje in op zoek naar een wc. Zul je altijd zien dat dan net de bus er aan komt. Ja dus. Daar sta ik dan. Voor een bus met open ramen die bovendien van ellende bijna uit elkaar valt. Een tiental Thaise ogen kijkt me aan. Ik slik en probeer uit te leggen dat m’n reisgenoot even weg is maar dat we wel met de bus, de ‘rotmee’, mee willen.
‘Pai Pak Chom’, naar Pak Chom.
‘Di chan kap ‘other’ kon. Pai hongnaam’.
Ik en nog iemand, maar die zit op het toilet.
‘‘Wait’ nit noi. Dai mai?’ Of ze even willen wachten.
Zonder zorgen om strakke tijden stapt de chauffeur rustig uit, steekt een sigaret op en kletst wat met de ‘kaartjesverkoper’. Hij lijkt zich bepaald niet over de situatie op te winden. Een teken van het leven nemen zoals het komt. Kon ik daar maar wat van krijgen. Want ondertussen voel ik me toch een beetje opgelaten.
Als we even later verder reizen, Cor heeft nog wat last van naweeën, valt ons op hoe veel armer de mensen in dit deel van Thailand zijn. Kleding lijkt meer op vodden. Nergens zie je de merkkleding waarin je de jeugd in bepaalde wijken van Bangkok regelmatig ziet paraderen. Hier geen weelde als dure sieraden en mooie bloesjes. Laat staan de nieuwste Nokia-mobieltjes met blauwe schermpjes. Flaneren in luxe shoppingmalls is één van de favoriete bezigheden van de gegoede Thaise jeugd. Hier niet. Winkelcentra zijn er sowieso niet; eenvoud slaat de klok hier.
Ook de mensen zelf zien er heel anders uit. Veel typische Isan-gezichten. Lao-gezichten. Ze lijken allemaal op elkaar. Een typisch gelaat met opvallende jukbeenderen, met ogen die anders in het gezicht liggen en een donkerder huidskleur. Totaal niet in overeenstemming met het in Thailand algemeen gewilde lichte uiterlijk.
Uitzicht vanaf Mama's guesthouse. [Foto: Denise Miltenburg]
Oorlogsveteraan
Net als we denken ergens te zijn aangekomen waar nog nooit een westerling is geweest (die illusie kun je dus ook maar beter niet meer hebben), stapt een gezette, grijze man de bus in. Hij draagt een nette witte blouse met een jasje erover waarvan de knopen uit de knoopsgaten dreigen te ontsnappen. Zijn gezicht is rood, het zweet staat op zijn voorhoofd. Huh? Wat doet deze oude man hier zo alleen? De revers van zijn jasje zit volgespeld met medailles. Hij ziet ons en lijkt om een praatje verlegen, want hij heeft nog niet voor ons plaatsgenomen of hij draait zich al naar ons om. Het blijkt een 75-jarige Britse oorlogsveteraan te zijn die nog bij de slag van Arnhem is geweest. En hij woont nota bene in één van die slaperige stadjes hier. Met z’n Thaise vriendin, natuurlijk, waarover hij ons vol trots vertelt.
Eenmaal in Pak Chom aangekomen is het al donker. Er blijkt geen bus, songthaew of longtailboot meer naar Chiang Khan te gaan. Oeps, en nu? Een aantal mannen, vrouwen, kinderen en honden loopt uit om ons te begroeten op het zanderige, door bomen omgeven pleintje waar we gedropt zijn. Ze proberen ons over te halen om toch vooral in hun hutjes aan de rivier te overnachten. Dat klinkt wel aantrekkelijk, maar aangezien we beloofd hebben de 30e al in het guesthouse van Huub te overnachten, moeten we toch vervoer regelen. Na wat heftige onderhandelingen kunnen we uiteindelijk voor 200 baht (5 euro, dat is veel) met een politieagent meerijden. Het wegdek zit vol gaten als maankraters, en we worden van links naar echts gesleurd, maar het zicht op de volle maan maakt veel goed.
Zandbanken in de rivier de Mekong. [Foto: Denise Miltenburg]
Whisky in een wildwest dorp
In het donker scheuren we langs Pha Baen en draven door tot in Chiang Khan, het langgerekte plaatsje aan de Mekong waar we morgenavond Oud en Nieuw zullen vieren. Het stadje ademt de sfeer van een Amerikaans wildwest dorpje uit. Het is donker en stil en het lijkt wel verlaten, maar er moeten toch een paar duizend (meer dan 60.000!) mensen wonen. Huub, een Nederlandse reisleider die er met z’n gezellige buik en z’n olijk kijkende hoofd uitziet als een echte Bourgondiër, begroet ons ietwat onwennig als we ineens echt in ‘zijn’ dorp zijn. Het lijkt of hij even moet omschakelen vanuit de eenzaamheid van alledag. Maar gelukkig slaat dat al snel om in enthousiasme. En bovendien zijn we geen vreemden voor hem. Hij begeleidt reizen voor het reisbureau waar ik in Bangkok voor werk. Samen met Pim, z’n Thaise vrouw, runt hij het guesthouse. Leuk om nu eindelijk eens te zien hoe ze daar wonen. Wordt het guesthouse in de Trotter-gids nog omschreven als een ‘oud kot’, wij vinden het er prima! Met een fles Mekhong(!)-whiskey en een bordje ‘laap’ kletsen we gezellig bij, waarna we ons naar de vochtig muffe, maar sfeervolle, kleine kamertjes begeven.
De ochtend van de 31e zal ik niet snel vergeten. Het is nog vroeg als ik de houten deur van m’n kamer piepend opentrek. M’n blik glijdt over de rivier, waar de mist als een groot donzen dekbed overheen ligt. Het zicht is zo wazig als wanneer ik m’n bril niet op heb, of m’n lenzen niet in. Een kriebel in m’n buik, een gevoel van opwinding en melancholie tegelijk: waarom kan het niet altijd zo zijn? Wat moet ik met m’n leven? Ik ben zo ver weg en weet het allemaal niet meer. Maar hier, dit moment, en gaat het niet om het moment, het nu? Lijkt het leven voor even heel mooi. Alsof de rest niet bestaat, gaan steden en stress, geen drukte en drama’s.
Ik hang over de reling. De buitenlucht ruikt aangenaam fris en voelt als een Turks stoombad waarvan de verwarming het niet doet. Ik trek een trui aan. Tegen de balustrade staat een houten tafeltje, een ultiem schrijverstafeltje. Zo zie ik het. Een plekje om de mooiste verhalen, de diepste geheimen en de grootste verlangens aan het papier toe te vertrouwen. Daar, half buiten, half binnen, voel ik me zoals ik me in Thailand voel, niet hier en niet daar, een beetje er tussenin. Ik lees in de vochtige lucht, de dauwdruppeltjes doen me dromen, ik staar, ik lees, ik schrijf, ik leef. Ik kom bij van een half jaar hectisch Bangkok.
Zonsondergang gezien vanuit een politiewagen die ons van Pak Chom naar Chiangkhan bracht. [Foto: Denise Miltenburg]
Een ontbijt van pluizige ‘pork’
Als de nevel voorzichtige contouren toelaat en bomen langzaamaan in beeld komen, discreet met hun takken in de mist tastend, verraden steeds meer geluiden het ontwaken van het dorp. Een bootje sputtert door de ochtenddauw. Ergens loopt een kraan. Een pan wordt op het aanrecht gezet, beneden in de keuken. Iemand verschuift een tafel of stoel. Ik hoor zacht gefluister en krakende planken. De anderen zullen zo ook wakker zijn en dan is het gedaan met de stilte. Mijn maag knort als ik naar de keuken loop, op zoek naar koffie.
Even later zitten we met z’n allen in de keuken. Terwijl de één al het frisse water van de mandi over zich heen heeft geplenst en fris uit z’n ogen kijkt, heeft de ander, nog slaperig en suf, nog net niet genoeg energie om de slaapjes uit z’n ogen te halen. Met uitzicht op de Mekong eten we een typisch Isan-ontbijt: rijstepap. In de pap ‘gooien’ we stukjes gebakken ei, een goedje van ui en pepertjes, stukjes gebakken worst en plukjes pluizige ‘pork’ uit een zakje. Lekker! Aroi! Ik geef toe, het klinkt niet echt aantrekkelijk, maar zo gedroogd het smaakt het prima. Ook gaat er nog een stuk met kleefrijst gevuld bamboe de kring rond. Plakkerige rijst, oftewel, khao niauw, met de smaak van kokos.
Als Cor na het ontbijt z’n bed weer induikt, iets wat ik onbegrijpelijk vind, besluit ik de buurt te gaan verkennen. Ik slenter langs de oevers van de Mekong in de richting van de markt. Mensen lachen me toe of uit, dat weet je hier nooit precies en kijken me stiekem na. Maar goed, ik gniffel op mijn buurt ook om hen, want wie draagt er nou én slippers én een wollen muts! Juist, de Thai. Ik slenter langs kraampjes met mooie stoffen, kleding en schoeisel, en langs wasknijpers, spiegels, schoonmaakmiddelen en lekkernijen. Af en toe kijkt iemand verbaasd omhoog naar die lange blonde gestalte. En naar m’n lange blonde haar, iets wat je in Thailand niet ziet natuurlijk.
Bootje op de Mekong. [Foto: Denise Miltenburg]
Aan het eind van de laatste middag van 2001 maken we een boottochtje over de Mekong. Het bootje ruist zachtjes door het water, langs houten huizen en tempels aan de oever. De glinstering van de zon in de rivier verzwakt, de kleuren worden vager, de zon zakt en een koude vochtige bries steekt op. Evenals de melancholie. Mooie vergezichten lijken wel een garantie voor melancholieke buien. Met koude neuzen varen we in het schemer de rivier af. Eenmaal terug bij het guesthouse is het donker. We klimmen tussen de struiken omhoog de kade op, verlangend naar een warm drankje, naar alcohol en pittig gekruid eten. Zonder dat we het goed en wel doorhebben is de oudejaarsavond eigenlijk al begonnen. Ik ben nog zo gek een ijskoude mandi-douche te nemen, terwijl de rest al aan de flessen whisky begint. Gemixt met cola, met Sprite, met sodawater of puur met ‘naam keng’ (ijsklontjes). Chok díe! Proost!
Ook een andere Nederlandse reizigster heeft de weg naar Huub en Pim in Chiang Khan weten te vinden, evenals een Française, een Thaise leraar Engels uit Bangkok en een ietwat vreemde ‘vrouw’ uit Laos met travestietachtige trekjes, die wat weg heeft van de vele kathoeys in Bangkok. Langzaamaan druppelen er wat Thai uit het dorp binnen. Pim en de Laotiaanse kathoey stallen een heerlijk buffet uit van grote pannen soep, poh pia (springrolls, oftewel, Thaise loempiaatjes), curry en rijst. Op de grote houten tafels staan flessen Singha-bier en whisky. Een bandje uit Chiang Khan speelt traditionele Thaise muziek. Een jongen in een gifgroen shirt trommelt op een drumstel van djembé’s, een andere slaat met een houten stokje op een bamboe pijp en daarachter bewegen nog vier jongens mee in hun vrolijke roze shirts. Een danseres met lange zwarte haren beweegt sierlijk met haar handen. Ze draagt een rode rok van Thaise zijde en een roze vestje met gele biesjes. Een riempje om de slanke taille, een ketting om haar hals en een tooi in het haar. We luisteren naar de Thaise klanken, de dans maakt de sfeer compleet.
Vanwege de toch wel verraderlijke Thaise whisky kakken we al om half tien in en zouden elkaar het liefst meteen al een ‘Sawadie pie mai’, een gelukkig nieuwjaar, wensen. Toch houden we het tot middernacht vol, wanneer we welgeteld één vuurpijl de lucht in zien gaan. Terwijl Nederland nog in 2001 leeft, wensen wij elkaar een gelukkig 2002. Aan de elf uur durende busreis terug naar Bangkok die voor morgenochtend in het verschiet ligt proberen we nog maar niet te denken. Uitgeput plof ik op bed neer en rol me op onder een dekentje, iets wat in m’n huisje in Bangkok ondenkbaar zou zijn. Nee, hier geen nachtelijke temperaturen van bijna dertig graden, overspannen ventilatoren en doorweekte matrassen; het is januari en we zijn in het noorden en dan ben je blij met een dekentje.
Houten huizen op palen langs de Mekong, vlakbij het plaatsje Chiangkhan. [Foto: Denise Miltenburg]
Nieuwjaarsdag staan we, toch wel met enige moeite, om 7 uur op om de bus terug naar Bangkok te halen. Terwijl de chauffeur nog een flesje Krateng Daeng (redbull) achteroverslaat, stappen wij in. In de bus is het alsof we in Nederland aankomen: koud! We zijn meteen wakker en geïrriteerd. Waarom moeten die Thai toch altijd overal een vrieskist van maken?! Op m’n werk ook al. Als de airco aan gaat, moet die altijd zo nodig op de koudste stand staan. In winkels en banken is het ook vaak ijs- en ijskoud. Net als hier in die bus. Echt heel koud, ongezond koud. We ergeren ons dood, maar weten inmiddels dat je dat in Thailand beter niet kunt laten blijken. En dus maken we er maar een grapje over. Overdreven klappertandend verlaat Cor de bus weer. Buiten slaat hij z’n armen heen en weer om zich warm te maken. Twee meisjes voorin giechelen. De chauffeur geeft geen sjoege. Die vent is niet goed wijs! In plaats daarvan laat hij de airco lekker doorblazen en merkt doodleuk op: ‘Yen mai? Koud he?’.
Schrale troost: we krijgen een dekentje. Maar dat blijkt al snel niet meer nodig te zijn, want het wordt weer zo druk in de bus dat de temperatuur vanzelf omhoog gaat. Onderweg wurmen zich steeds meer Isan-people de al volgeboekte bus in. Geen farang, buitenlander, te zien. Proppen maar! Ik was ervoor gewaarschuwd, en had m’n klanten ervoor gewaarschuwd: reizen rond Oud en Nieuw is druk en vaak simpelweg onmogelijk. En nu zat ik er zelf middenin. Maar het kan erger: bijna de hele rit zitten zeker twintig mensen, stel je voor, op kleine plastic krukjes in het gangpad. En níemand klaagt. Geen enkele Thai hoor je mopperen over een houten kont of te weinig beenruimte. Een Nederlander zou overdreven gaan zitten zuchten, zeuren om kramp of het simpelweg niet eens volhouden, maar de Thai geven geen kick. Ze glimlachen –de Thaise manier om met lastige situaties om te gaan- en leggen zich er bij neer. Ze staren rustig en stil voor zich uit, ook al is dat elf uren lang. Zonder boek of niets. Het lijkt of sommigen kijken zonder iets te zien, alsof ze dromen terwijl ze wakker zijn. Is het meditatie? Houden ze het daardoor vol? Ik heb het trucje niet kunnen ontdekken.
Er is geen toilet aan boord en geen plasstops onderweg. Nee, slechts als er mensen bij komen (voor zover dat nog gaat), kun je je tussen alle krukjes door wurmen, en snel naar één of ander ranzig toilet glippen, maar dan maak je zeker geen vrienden. Ook geen lunchpauze zoals normaalgesproken bij Thaise busreizen het geval is. Nee, pas om half vijf hoor ik de verlossende woorden ‘jíesip naathíe’: we stoppen twintig minuten. Ik sta een kwartier in de rij voor de wc. Wat is de lol van het reizen ook al weer? Ik heb nog welgeteld vijf minuten over om een paar zakjes Thaise chips en een mango te kopen. Voor noedelsoep is geen tijd.
In het donker komen we, met de Thaise schlagers uit de bus nog nagalmend in onze oren, weer heelhuids in het lekker warme Bangkok aan. Heerlijk en helaas, we zijn weer in de hoofdstad. ‘Kap baan’, zeg ik, ‘naar huis’, en ik wijs de taxichauffeur de weg naar m’n huisje bij Wat Dao