Tibet, Reisverhalen
Wandelen in de Himalaya
Dennis Remmelzwaal trekt met zijn groep over een bergkam in de Himalaya. Het doel is Ganden, een hooggelegen plaats in Tibet. ‘Volgens mijn berekeningen bevinden we ons nu op ruim vijfduizend meter hoogte, de ijle lucht maakte dat ik moet hoesten’, schrijft Dennis. Onderweg worden ze soms lastig gevallen door Chinese functionarissen. ‘Er logeren drie politiemannen in het klooster, ze hebben ons al gezien.’
Yakdrijvers begeleiden de harige, woest uitziende lastdieren. De zon staat hoog aan de wolkenloze hemel. Nadat de yaks beladen zijn met tenten, rugzakken en voedsel, kunnen we vertrekken. Een van de yakdrijvers, een zestienjarige jongen met een guitig hoedje op zijn kruin, geeft het tempo aan.
De tent staat blauw van de rook. Zijn vrouw heeft ons zien aankomen en wil verse boterthee voor ons maken. Wij kunnen plaatsnemen op de bank naast een lemen kacheltje. Ze giet heet water in een ton en voegt daar vervolgens thee, zout en een kluit boter aan toe. Met een houten stamper mengt ze het geheel door elkaar. Kinderen draaien om ons heen, giechelen en halen grote snottebellen op die vrijwel meteen weer onder hun neuzen bungelen.
Hun gezichten, hun kleren en hun handen zijn vuil. Ook de vrouw is smoezelig, maar in haar lange Tibetaanse jurk maakt ze een elegante indruk. Met een beleefde buiging reikt ze ons mokken boterthee aan. Vervolgens kneedt ze deeg dat ze in een pan laat stomen, en gooit ze meer gedroogde yakvijgen op het vuur. Met een stok opent ze een flap van de tent om de rook te laten ontsnappen. Het duurt niet lang tot de broodjes gaar zijn, we krijgen er grote klonten ranzig smakende yakboter bij.
Tsering Dzandul
Zeker tien keer worden onze mokken met boterthee gevuld, wanneer de yaks beladen zijn. Er staat een stralende zon boven ons, alleen de hoogste toppen zijn nog wit. De kinderen springen joelend in het rond. Ze kauwen op vers brood. Het vertrek van hun vader wordt een feest. Tsering Dzandul, “hij die de vijand temt”, is zijn naam. De man en zijn zoon maken een zorgeloze indruk. De last op de rug van de yaks zit slordig en scheef. Als het dier een verkeerde richting dreigt op te gaan, gooit Losang een paar steentjes. Ik probeer de bergpas te onderscheiden waar we overheen moeten. “Nog twee uur klimmen”, schat Tsering. En na vandaag nog minstens drie dagen flink doorstappen tot we bij Ganden komen.
Volgens mijn berekeningen bevinden we ons nu op ruim vijfduizend meter hoogte, de ijle lucht maakte dat ik moet hoesten. Buiten adem voeg ik me bij mijn twee reisgenoten, die de bergpas al hebben bereikt. Zwijgend kijken ze naar de stokken met gebedsvlaggen. Weer en wind hebben de doeken gebleekt en aan flarden getrokken. Tsering drukt zijn handen tegen elkaar, raakt zijn voorhoofd aan en preveld “om mani padme hum”.
Het landschap op grote hoogte.
Het pad gaat nu omlaag, lopen word makkelijker. Tegen de zonbeschenen flanken van de bergen kleven tenten van nomaden. Hun schapen en yaks grazen hogerop. “Beneden in het dal zijn de winterverblijven van de herdersfamilies”. “Daartussen, in de luwte van de wind, kunnen wij onze tent opslaan”, zegt Tsering. Ineens naderen uit verschillende richtingen mensen. Jonge en oude mannen, gekleed in traditionele chubas, met zilveren dolken aan hun gordels. In hun lange haar is rode wol verweven. Na een gemompelde groet nemen ze om ons heen plaats in het natte gras en volgen ze aandachtig onze bewegingen. Tsering deelt sigaretten uit:
Er komt een jongen aangelopen door het uitgestrekte land, een thermosfles tegen zijn borst geklemd. Het gezicht van Tsering licht op, boterthee. Ik zoek onze mokken op, de herders halen houten nappen onder hun tunieken tevoorschijn. Er wordt tevreden geslurpt. Losang schenkt bij. De vrienden nodigden ons uit, we kunnen één van de winterhuizen gebruiken. Terwijl de zon achter de besneeuwde bergtoppen verdwijnt, begeleid de groep mannen ons naar één van de lemen woninkjes. Binnen wijzen ze ons op de houten banken waarop we kunnen slapen en een kacheltje waarin we gedroogde mest kunnen stoken. Ze nemen snel afscheid om voor het donker bij hun gezinnen in de bergen te zijn.
Monniken in de Himalaya.
Boterthee
Als het licht door het raam valt, neem ik de balk voor de deur weg. De wereld is oogverblindend wit. Ik diep mijn zonnebril op uit mijn rugzak. De eeuwige sneeuw op de toppen heeft zich uitgebreid over de hele vallei. Buiten stuit ik op een groepje jongens en meisjes, hun katoenen schoenen zijn doorweekt. Ik krijg de indruk dat ze een tijd hebben staan wachten.
Misschien is dit hun winterwoning en komen ze iets ophalen. Ik gebaar ze binnen te komen. Zonder een geluid te maken nemen ze plaats op de hoek van een bank en observeren ze mijn reisgenoot, die net haar ogen opendoet en haar bril opzet. Tsering heeft verse boterthee gemaakt. Hij laat zien dat er heet water over is waarmee wij onze instant noedelsoep kunnen bereiden. Tsering maakt voor hem zelf en Losang tsampa. In een mok doet hij een paar handen van het gerstmeel en hij voegt er een klont boter uit een houten doosje aan toe. Met behendige bewegingen kneed hij het geheel tot een soepele massa. Binnen een minuut is zijn kom leeg.
Yaks, de harige, woest uitziende lastdieren.
De vallei wordt onderbroken door gerstvelden, geelbruin staat het graan op het veld. We naderden een dorp van wit geverfde stenen huizen, als de duisternis begint te vallen. Ergens maakte een tractor een ploffend geluid. Tsering brengt ons naar de gompa, een saffraan kleurig gebouw met rode deuren. Binnen, in een schemerige hal, zijn monniken met diepe bassen gebeden aan het reciteren. Boterlampen, werpen grillige schaduwen op de muren. Een van de oudere monniken komt naar ons toe.
Tsering heeft in het dorp snoep en een paar sloffen sigaretten gekocht en neemt afscheid. De nacht brengt hij bij zijn nomadenvrienden door. De monnik heeft voor ons een slaapplaats, vlak bij de tempel is een woning. Er zit geen glas in de ramen en het ontbreekt er aan meubilair. Twee kamers aan een ommuurde tuin vol bloeiende Oost-Indische kers. We rollen onze slaapzakken uit. In de ochtend klinkt het mistroostige geloei van een schelphoorn over het dorp, de monniken worden opgeroepen voor gebed. Wij besluiten snel te vertrekken. We hebben gehoord dat er Chinese functionarissen in het dorp wonen, die willen we niet de gelegenheid geven naar onze reisvergunningen te vragen.
De auteur van dit verhaal...
Steile bergwand
Als misdadigers zijn we voortdurend op de vlucht. In een dorp waar we in de middag arriveren, vraagt Losang aan een man met een hooivork in de hand of we onze tent op zijn erf kunnen opzetten. Dat kan, maar er is ook een hotel in de buurt, zegt de boer. De man wijst naar een kale bergflank aan de overkant van de vallei. Die witte stip halverwege is de top van een stupa die bij een klooster hoor. De monniken bieden onderdak aan reizigers en pelgrims. De bergwand is steiler dan ik vermoed; hijgend volg ik. De witte vlek word nauwelijks groter.
Rotspartijen reiken tot aan de hemel, hoe kan zich daartussen, een heel klooster bevinden? “volgens mij heeft die man ons iets op de mouw gespeld”, roep ik naar mijn reisgenoten, maar die zijn verdwenen. Haastig klim ik verder. De aarde opent zich, ik kijk uit over een smalle kloof. Aan het eind daarvan vormen gestapelde gebouwtjes een sierlijk geheel, het klooster. De stupa is gigantisch; Losang zit onder aan de voet. Hij heeft zijn rugzak afgedaan en drie jonge monniken, in karmijnrode habijten, buigen zich zorgelijk naar hem over. Ik loop naar hen toe.
Geüniformeerde politiemannen
Op verslagen toon zegt hij “we are in deep shit”. “Er logeren drie politiemannen in het klooster, ze hebben ons al gezien”. Waar moeten we naar toe? We zitten in de val. Uit het klooster komt een oude monnik, leunend op een stok. De jonge monniken springen overeind. De oude man richt een paar woorden tot Losang en pakt mij de hand. “Jullie zijn toch welkom”, zegt Losang. De lama verstevigt zijn greep en duwt me in de richting van het klooster. “Maar we hebben geen reisvergunning”, vertel ik. “Dat weet hij” antwoord Lohsang, “volgens hem is dat geen probleem”.
De kleine hand die me vasthoud, geeft me kracht. Ik recht mijn rug. Wat hebben we eigenlijk te vrezen? We lopen langs de drie geüniformeerde politiemannen die zich nu naast de poort hebben opgesteld. Ik kijk langs ze heen. De lama leid ons een binnenplaats over, door een tweede poort, een trap op. Zijn greep verslapt geen moment. We zijn nu op een kleinere binnenplaats beland en ik begin weer rustig adem te halen. De lama leidt ons daarna een vertrek binnen; de muren lichtten geel op in het avondlicht dat binnenvalt. Dit is zijn eigen slaapkamer; hier durven de mannen ons niet lastig te vallen. We kunnen plaatsnemen op zijn bed en we krijgen boterthee voor de schrik.
Elke zomer komen deze Tibetaanse handlangers van de Chinezen hen lastig vallen, vertelde de lama. Ze komen hen scholen in de communicatieleer. Dit jaar zouden ze vier weken blijven, maar in het verleden was dat ook wel eens vier maanden geweest. “Ze willen ons wijsmaken dat de Dalai Lama niet deugt”, zei de oude man. Gedurende de afgelopen tien jaar heeft hij het klooster herbouwd, de rode gardisten hebben er een ruïne van gemaakt.
De jonge monniken brengen de bril van de lama, leggen een deken over zijn schouders en schenken voortdurend verse thee. “Het belangrijkste” zegt de lama “is hen voor te bereiden op de taak die ze van mij zullen moeten overnemen”. Niet meer dan twaalf monniken mogen in het klooster verblijven, terwijl honderden jongens zich aanmelden. De Chinese autoriteiten bepalen dat. “Zo op het oog lijkt het alsof het normale leven weer op gang is gekomen in een aantal kloosters”, vertelt de lama, “maar binnen zit men met gebonden handen en de wetten worden voortdurend aangescherpt”.
Intimideren
Aan het eind van de avond brengt een jonge monnik ons naar het voorportaal van de grote hal, daar zijn matrassen voor ons uitgespreid. We kunnen de politiemannen in het gastenverblijf beter niet storen, zegt Losang. Wanneer we de volgende ochtend de lama zien, zit hij in de eerste zonnestralen. Hij heeft zich wegens hoofdpijn afgemeld voor de politieke lessen, vertelt hij. We krijgen een schaal voorgezet met twintig gekookte eieren als ontbijt.
Wat we niet op kunnen, mogen we meenemen voor op de reis. We nemen afscheid. De lama kijkt ons na vanaf het terras voor zijn kamer. De politiemannen hebben zich weer bij de poort opgesteld. Zonder een woord te zeggen lopen we hen voorbij en beginnen we aan de afdaling. In het dorp beneden zouden we op zoek gaan naar iemand die ons met een tractor een eind weg kan brengen, een suggestie van de lama. Ik loop met lichte tred, niet alleen omdat we afdalen. De lama heeft grote indruk op mij gemaakt met zijn onverschrokken gedrag. De vijand is doorgedrongen tot in zijn huis, maar hij laat zich niet intimideren.