Ierland, Reisverhalen
Zon en regen aan de Ierse westkust
Een reisverslag over County Kerry op het groene eiland Ierland. De wolkbreuken, grauwe herfstbuien, harde westenwind, maar ook de zon die aangenaam verrast en verwarmt. Gertie Rutten maakte wandelingen in de omgeving van Killarney en op het verlaten eiland Great Blasket. Zij kwam erachter dat de regen en de wind bij het landschap horen. Zeker op het verlaten eiland Great Blasket, dat niets anders is dan kale, bruine bult. Maar wel eentje die de bewoners zo inspireerde dat ze de lange donkere winteravonden voor de haard vulden met een onbeperkt aantal verhalen en liederen
In Ierland komt er na regen zonneschijn. Soms schijnt de zon, ook als het regent. Soms regent het alleen maar. Tijdens wandelingen bij Killarney en op Great Blasket aan de Ierse westkust komen wij erachter dat de regen en de wind bij het landschap horen. Een minpunt, zul je misschien denken, maar wat is er mooier dan wolken die met de zon spelen en de overwinning van een paar zonnestralen die langs de wolken glippen. Het landschap krijgt dan die zachte, gele gloed. En het genot is dubbel zo groot als de zon de strijd wint en je beloont met heerlijke nazomerse dagen in september. Ook dat is mogelijk in Ierland.
Onze eerste bestemming is Killarney in County Kerry. Killarney heeft de reputatie het meest toeristische plaatsje van de Ring of Kerry te zijn. Veel hotels, restaurants, pubs en toeristenbussen in het centrum. Maar het is niet zonder reden dat Killarney zoveel bezoekers trekt. Het ruige, diepgroene landschap met bergen, meren en oerbossen heeft voor ieder wat wils.
De eerste dag. Het is zowaar mooi weer. We besluiten naar Muckross Estate te liften om van daaruit naar Torc Mountain te lopen. Al na twintig minuten stopt een auto. In de buurt van de ruïnes van Muckross Abbey, een in 1448 gestichte abdij, stappen we uit. We lopen door naar het landhuis Muckross Estate. Het nationale park rondom het landhuis bestaat voor een groot deel uit eeuwenoude eikenbossen. In andere delen van Ierland zijn die in de loop van de eeuwen gekapt. Hier lukt het de zon niet door het dichte bladerdak te dringen en het gevolg is een weelderige, vochtige ondergroei van varens en dik mos. Opeens begrijp ik waarom er verhalen over kabouters, elfjes en trollen zijn. Als ze bestaan, wonen ze hier.
De stroomversnellingen bij de Old Weir Bridge. [foto: Gertie Rutten]
Het landhuis zelf is duidelijk een van de plaatsen waar de toeristenbussen een verplichte stop maken. Het is een drukte van belang bij het huis en op de parkeerplaats. Bloemetjesjurken en vijftigers op sandalen, gezinnen en rondrennende kinderen. Daarom gaan we verder richting Dinish Cottage bij de Meetings of the Waters en de Old Weir Bridge met haar stroomversnellingen. We delen daar onze lunch met roodborstjes en pimpelmeesjes, die rustig op de tafel blijven zitten tot ze een stukje brood krijgen.
Een licht- en waterspel gezien vanaf Torc Mountain. [foto: Gertie Rutten]
We kijken omhoog naar Torc Mountain en vervolgen onze weg over een tussen struiken verstopt pad. Af en toe vallen er wat regendruppels en als we hogerop onder onze regencape moeten schuilen, voldoet zich voor onze ogen een schouwspel met als hoofdrolspelers de zon, de wolken en de meren. Af en toe komt de zon door en verlicht delen van de nauwe, bochtige doorgangen, die het Upper Lake en het Lower Lake met elkaar verbinden. Maar helaas krijgen de wolken de overhand en in de stromende regen beginnen we aan de afdaling.
Het eiland zelf is eigenlijk niet meer dan een kale, bruine bult waar de wind zijn gang kan gaan en niets bescherming biedt.
Het strand van Inch. [foto: Gertie Rutten]
Gap of Dunloe
De volgende dag. Het regent. Wij willen naar de Gap of Dunloe fietsen, maar om zo’n uitje in de regen te beginnen, is niet bepaald motiverend. Na het ontbijt is het droog. We gaan alsnog. Na de fietsen te hebben gehuurd, kopen we bij de VVV een kaartje voor de boot die van het puntje van het Upper Lake naar Ross Castle vaart. De fietsen mogen mee in de boot. Alleen moeten we om twee uur bij het vertrekpunt zijn. Dat betekent dat we drie uur hebben om 22 kilometer af te leggen. Na een half uur begint het te regenen. Een fikse herfstbui met wind en al. Het is tenslotte september.
Een straatje in Dingle.
We zijn blij als we om half een aankomen bij de cottage van Kate Kearney, een van de andere toeristische attracties in de buurt van Killarney. In de zomer bezoeken horden toeristen de cottage van Kate en huren daar een koetsje voor een tocht door de Gap of Dunloe. Wat dat betreft zit het weer ons nu mee. Het is niet druk.
Ik vraag aan een oud dametje (Kate Kearney?) hoe ver het nog is naar de boot en als antwoord krijg ik te horen dat ik dan nu wel mag vertrekken, omdat ik het anders niet haal. Het is nog elf kilometer en een groot deel zullen we met de fiets moeten lopen. We hebben over het hoofd gezien dat de Gap of Dunloe een uitgesleten, grillige kloof is en dus niet bepaald vlak. We eten nog snel een boterham. Twee minuten later zitten we weer op de fiets. Na zo’n honderd meter stappen we af. Zo beginnen we onze fietstocht door de Gap of Dunloe.
Het gaat harder regenen, we hebben wind tegen. Korte stukjes gaan we helling af, maar het grootste gedeelte is heuvel op. We genieten niet zoveel van het landschap als het verdient. Af en toe kijk ik om. Dreigende wolken, een donker meer en groen-grijze bergen. Toch wel indrukwekkend. Maar ons doel ligt voor ons en we hebben geen tijd om achterom te kijken.
Na de tweede lange stijging komen we eindelijk aan op de top van de kloof en kunnen we ons gereed maken voor de afdaling. We worden beloond met pure snelheid. Ik krijg pijn in mijn ijskoude handen van het remmen. De wind beneemt me de adem. Zonder verder nog te hoeven trappen, komen we aan bij de vertrekplaats van de boot. Het is vijf over twee. De andere passagiers lopen net naar de boot.
We varen door de smalle doorgangen die we de dag daarvoor vanaf Torc Mountain hebben gezien en nemen de stroomversnellingen onder de Old Weir Bridge. Eenmaal op het Lower Lake valt er nog een fikse stortbui. Wij zitten droog onder onze poncho’s. Bij Ross Castle stappen we op onze fiets voor de laatste vier kilometer. ‘s Avonds komen we bij in een van de vele pubs in Killarney. We proberen de nationale drank Guinness en luisteren naar de Ierse folkmuziek.
Een straatje in Dingle.
Het schiereiland Dingle
We besluiten door te gaan naar Dingle, een stadje op het schiereiland met dezelfde naam. Een bezoek aan de Ring of Kerry is afgelast wegens stortbuien en slechte liftresultaten. Wij kiezen voor de zekerheid van de bus. Speciaal voor de toeristen stopt die onderweg bij het mooie uitzichtpunt over het strand van Inch. We zijn dan al op het schiereiland Dingle aangekomen. Het landschap geeft een kale aanblik vergeleken met de bosrijke omgeving van Killarney. Glooiende heuvels met lichtgroene weilanden en donkergroene struiken als afbakening. De wegen worden smaller, de kliffen hoger.
De verlaten huizen van Great Blasket. [foto: Gertie Rutten]
Na de drukte van Killarney valt in Dingle vooral de rust op. Een havenstadje met gevels in alle kleuren van het palet, een gemoedelijke sfeer. De volgende dag reizen we door naar Dunquin. Van daaruit willen we naar de Great Blasket-eilanden, die daar vijf kilometer uit de kust liggen.
De huizen in Dunquin liggen zover uit elkaar dat er van burengerucht geen sprake kan zijn. De buschauffeur vertelde ons dat Dunquin eigenlijk pas in 1970 op de landkaart kwam te staan, omdat toen in de buurt de film Ryan’s Daughter met Robert Mitchum en Sarah Miles werd opgenomen. Recenter, in 1992, is de verfilming van Far and Away met Tom Cruise en Nicole Kidman. In de pub Krugers hangen aandenkens van beide films. Ik verwachtte allemaal foto’s van de beroemde sterren, het zijn vooral kiekjes van de lokale bewoners die meespeelden als figuranten.
Het uitzicht op het vasteland met in de verte de Three Sisters. [foto: Gertie Rutten]
Gallisch
De streek rondom Dunquin is lange tijd een vergeten uithoek van Ierland geweest, maar in academische kringen genoten de Great Blasket-eilanden in de eerste helft van de 20ste eeuw grote bekendheid. Hier werd het pure Gallisch gesproken. Veel taalonderzoekers bezochten het grootste, bewoonde eiland om daar het traditionele Iers te leren. Gallisch had een belangrijke rol in het leven van de eilandbewoners, mede door de rijke traditie van verhalen vertellen. Het bleef echter niet bij vertellen. De gemeenschap van ongeveer 200 mensen heeft meerdere schrijvers voortgebracht. Zij schreven over het harde leven op de eilanden, waar de zee het leven en de dood bepaalde. In de wintertijd waren de mensen soms weken achterelkaar afgesloten van het vasteland door de westerstormen. Meer en meer jongeren vertrokken om werk te zoeken op het vasteland of om te emigreren naar Amerika. Uiteindelijk verlieten in 1953 de laatste 50 mensen op eigen verzoek hun huizen. Opgelucht en blij.
Great Blasket
De afgelopen week ging de boot naar Great Blasket niet. Te ruwe zee. Wij hebben geluk. Vandaag zal de boot voor het eerst weer vertrekken. Het ziet er bewolkt uit. Af en toe valt er regen. Een Ier leest de wolken en zegt: ‘Het wordt een mooie dag vandaag.’ Ik geloof hem.
De zee ziet er vanaf de pier rustig uit, maar eenmaal op het water houdt iedereen zich goed vast en sommige toeristen zien nu al op tegen de terugvaart. Als we bij het eiland aankomen, moeten we overstappen op een rubberen reddingsboot die ons naar de kant brengt. De vissersboot kan namelijk niet aanmeren. Eenmaal aan land lopen we de steile helling op, waar de huizen van de vroegere bewoners staan. De meeste huizen zijn vervallen en hebben geen dak meer. De enige permanente bewoners zijn nu schapen, konijnen, zeehonden en vogels.
We lopen verder omhoog over een smal paadje. Onze wandelschoenen zakken weg in de natte, zompige turflaag. Overal bloeit paarse hei. Het weer is ondertussen opgeklaard en witte wattenwolken vullen de blauwe hemel. We hebben een weids en helder uitzicht op de Three Sisters, de drie omhooggolvende rotsformaties op het vasteland.
Het eiland zelf is eigenlijk niet meer dan een kale, bruine bult waar de wind zijn gang kan gaan en niets bescherming biedt. Toch zeiden de bewoners dat het een bijzondere plek was. Het gaf hen de inspiratie voor verhalen, gedichten en liederen. Het ritmische geluid van de golven, de schreeuwende meeuwen, de zuivere lucht. Een zijn met de elementen. Verhalen en liederen die komen aanwaaien. Nee, ik vind het niet vreemd dat de bewoners geïnspireerd werden door deze plek.
De zon laat zich steeds meer zien als we teruggaan naar het verlaten dorpje. Op het gele beschutte strandje geniet ik van de warmte van de zon, de turkooisblauwe zee, dit ongeschonden stukje Europa.