Ontwikkelingssamenwerking van Buitenlandse Zaken

Ontwikkelingssamenwerking is een van de hoofdtaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het departement besteedt jaarlijks vier miljard euro aan wereldwijde armoedebestrijding. Inmiddels werken tweeduizend mensen voor Ontwikkelingssamenwerking, zowel vanuit Den Haag als vanuit de ruim 150 posten in het buitenland. Maar wat doet het ministerie eigenlijk met onze ontwikkelingsgelden? En hoe is het om ervoor te werken? Een gesprek met beleidsmedewerkster Margret Verwijk over ontwikkelingsbeleid, millenniumdoelen, passievol werk en op missie gaan: ‘Ik beleef een land heel anders dan een toerist.’

Auteur - Emiel Martens

De entree van het pand van het ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) doet heel even denken aan Schiphol. Op de benedenverdieping worden alle bezoekers verwelkomd door twee beveiligingsbeambten. Vervolgens wordt hun vriendelijk verzocht alle ‘bagage’ op de lopende band te zetten. De spullen worden één voor één gescand, net als de bezoekers zelf als ze door het detectorpoortje lopen. Een roltrap leidt daarna iedereen naar de eerste verdieping, waar een tweekoppige receptie alle afspraken coördineert. Van achter de beveiligde draaideuren komt Margret Verwijk al aangelopen. Bezoekers worden in het gebouw van Buitenlandse Zaken alleen toegelaten onder begeleiding en met een digitaal gastenpasje.
De lift stopt niet veel later op de zesde verdieping. Hier bevindt zich de directie Sociale en Institutionele Ontwikkeling, waar de 43-jarige Verwijk sinds 2004 – daarvoor werkte ze ruim vijftien jaar in de ontwikkelingssector in het buitenland – werkzaam is bij de afdeling Emancipatiethema’s. Samen met vijf andere collega’s zet Verwijk zich namens de Nederlandse overheid in voor het bevorderen van gendergelijkheid, vrouwenrechten en reproductieve gezondheid in ontwikkelingslanden.
Naast de afdeling Emancipatiethema’s omvat de directie nog twee andere thematische afdelingen, namelijk Sociaal Beleid en Maatschappelijke Organisaties. Deze afdelingen zetten zich achtereenvolgens in voor het verbeteren van de toegang tot sociale voorzieningen voor armen en het stimuleren van maatschappelijke organisaties in het Zuiden. Als overkoepelend deelbeleidsterrein binnen Ontwikkelingssamenwerking houdt de directie Sociale en Institutionele Ontwikkeling zich voornamelijk bezig met het samenbrengen van kennis en het ontwikkelen van beleid(sstrategieën) ten aanzien van thema’s als hiv/aids, gender en institutionele ontwikkeling. Deze thema’s proberen ze ook op de agenda van andere directies en posten te plaatsen.

ontwikkelingssamenwerking

Vrouwenemancipatie

Verwijk vertelt dat ze zich bij de afdeling Emancipatiethema’s vooral bezighoudt met vrouwenemancipatie in de verschillende ‘partnerlanden’ in het Midden-Oosten, Afrika en Azië. Met partnerlanden bedoelt ze de 36 landen waarmee Nederland actief samenwerkt om het budget voor ontwikkelingssamenwerking zo effectief mogelijk te besteden. ‘Het beleid van partnerlanden is gekomen in de tijd van minister Herfkens, in 1998. Deze landen werden gekozen op basis van de criteria armoedeniveau, goed bestuur en goed beleid.’ De nieuwe benadering zorgde ook voor een ander soort hulp: ‘Eerst werd voornamelijk afzonderlijke projecthulp gegeven, nu gaat het vooral om het samen met andere donoren ondersteunen van specifieke sectoren zoals onderwijs en gezondheid.’
Hoewel de overgang van projecthulp naar sectorhulp de nodige kritiek heeft gekregen, lijkt de nieuwe beleidsaanpak aan te sluiten bij de huidige veranderende hulpomgeving. Hierbij werken hulpgevende donorlanden, hulpontvangende ontwikkelingslanden, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en commerciële bedrijven steeds meer en steeds nauwer met elkaar samen: ‘Het is duidelijk dat de hulpomgeving is veranderd. In Bangladesh worden tegenwoordig bijvoorbeeld veel schooltjes gerund door maatschappelijke organisaties, en in Afrika werken ngo’s samen met het grote Nederlandse farmaceutische bedrijf Organon om de beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen te vergroten.’
De inbreng van het bedrijfsleven in duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding wordt volgens Verwijk steeds groter. ‘Vlak het bedrijfsleven niet uit. We gaan steeds vaker actieve samenwerkingsverbanden met bedrijven aan. Zo zijn we in Mozambique samen met het Nederlandse waterbedrijf Vitens en het Mozambikaanse waterbedrijf FIPAG bezig de drinkwatervoorziening te verbeteren.’ Daarnaast stimuleert Ontwikkelingssamenwerking ook de Economische Voorlichtingsdienst, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken dat zich richt op de ondersteuning van bedrijven en organisaties bij internationaal ondernemen en samenwerken. Ontwikkelingssamenwerking heeft in 2005 een database voor het bedrijfsleven gelanceerd die het zakendoen in ontwikkelingslanden gemakkelijker moet maken.

Millenniumdoelen

Tot dusver is vooral het beleid van de twee voormalige ministers van Ontwikkelingssamenwerking Herfkens (1998-2002) en Van Ardenne (2003-2007) aan de orde gekomen. Heeft de huidige minster Bert Koenders al zijn stempel kunnen drukken op het ontwikkelingsbeleid? En is er eigenlijk een vaste strategische koers die het ministerie volgt om de armoede in ontwikkelingslanden te bestrijden? Verwijk: ‘In vergelijking met het beleid onder Van Ardenne, heeft Koenders enkele accenten verlegd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar het thema waar ik mee te maken heb, vrouwenemancipatie, dan zie je dat hij veel belang hecht aan de kansen en rechten van vrouwen in ontwikkelingslanden, waar we als internationale gemeenschap momenteel erg achterlopen.’
Verwijk verwijst hier naar achterlopen op de Millennium Development Goals (MDG) oftewel millenniumdoelen, de huidige internationale en nationale koers op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. In het jaar 2000 hebben 189 landen acht concrete doelen opgesteld die ervoor moeten zorgen dat de wereldwijde armoede, ziekte en honger vóór 2015 ver zijn teruggedrongen. Deze acht ambitieuze millenniumdoelen zijn:

(1) het uitbannen van extreme armoede en honger, (2) het bewerkstelligen van basisschoolonderwijs voor alle kinderen ter wereld, (3) het stimuleren van gendergelijkheid en vrouwenemancipatie, (4) het reduceren van kindersterfte, (5) het verminderen van moedersterfte door zwangerschap, (6) het stoppen van de verspreiding van ziektes als aids en malaria, (7) het veiligstellen van een duurzaam leefmilieu, en (8) het ontwikkelen van een wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling.

‘De huidige minister’, vervolgt Verwijk, ‘wil vooral inzetten op de millenniumdoelen die niet goed presteren. Het zijn vooral de millenniumdoelstellingen waarmee ik te maken heb, het stimuleren van vrouwenemancipatie en het verminderen van moedersterfte, waar nog een enorme inhaalslag te maken is. Als je bijvoorbeeld de stand van zaken bekijkt bij de deelname van meisjes aan onderwijs en de politieke participatie van vrouwen, dan hebben we nog een heel lange weg te gaan. Indien we in het huidige tempo van voortgang doorgaan, dan halen we het doel van politieke participatie van vrouwen pas in 2077 in plaats van in 2015.’
Ondanks dit ontmoedigende vooruitzicht blijft Verwijk strijdvaardig: ‘We hebben de laatste periode veel tijd en energie gestoken in het opnemen van de stand van zaken. Ons advies is: intensiveer vooral millenniumdoel nummer drie. Het thema emancipatie is ook van belang voor alle andere millenniumdoelen, want je hebt het over 50 procent van de bevolking. Dus als je niet meer inzet op de kansen en rechten voor vrouwen in alle andere millenniumdoelen, dan maak je het jezelf heel moeilijk om die doelstellingen te halen. Het heeft alles te maken met strategische inzet: wat doe je wel en wat doe je niet met de beperkte middelen die je hebt.’

Millenniumdoelen

101 dingen doen

Elke dag probeert Verwijk met de beperkte middelen die ze voorhanden heeft, bij te dragen aan het bevorderen van vrouwenemancipatie en het verminderen van moedersterfte in ontwikkelingslanden. In de praktijk betekent dit vaak veel uren maken (‘mijn werk is nooit af’) en veel verschillende dingen doen (‘iedere dag is anders’). In Den Haag houdt ze zich vooral bezig met het aanbevelen, formuleren, ondersteunen en evalueren van ontwikkelingsbeleid door de bril van emancipatiethema’s: ‘In Den Haag ben ik met 101 dingen bezig. We zijn een soort vraagbaak en denken mee met het formuleren en vervolgens uitvoeren van beleid.’
Als Verwijk wordt gevraagd om enkele voorbeelden van die 101 dingen te geven, antwoordt ze: ‘Het kan zijn dat er kamervragen zijn, bijvoorbeeld over de mate waarin internationale vrouwenorganisaties vanuit Ontwikkelingssamenwerking wel of niet ondersteund worden. Het kan ook zijn dat een minister op reis gaat. Dan wordt mij gevraagd om bespreekpunten aan te leveren of een achtergrond te schetsen. Ik heb dan een duidelijke adviesfunctie naar de ministers toe. Ook ben ik betrokken bij het beoordelen en goedkeuren van strategische plannen van de verschillende ambassades. In hoeverre houden ze rekening met emancipatiethema’s?’
Even kijkt Verwijk opzij, naar een enorme stapel papieren die rechts op haar bureau ligt, dan zegt ze: ‘We zijn hier veel aan het lezen en schrijven. Ik heb dit soort stapels uit Afghanistan, waar ik laatst was om technische ondersteuning te bieden aan onze ambassade. Op het moment dat ik dan weer thuis ben, ga ik dat omturnen tot behapbare bijdragen voor mensen die daar iets mee kunnen doen binnen onze organisatie of daarbuiten. Van mijn missie naar Uruzgan heb ik een one-pager gemaakt van wat werkt, wat niet werkt, en waar we op moeten inzetten. Over het algemeen hebben onze bewindslieden niet de tijd om heel dikke rapporten te lezen, dus daar moet je rekening mee houden. Want je wilt natuurlijk wel dat de boodschap overkomt.’

Op missie naar Afghanistan

Naast het overbrengen van haar boodschap in Den Haag, gaat Verwijk ook verschillende keren per jaar op dienstreis voor het ministerie, oftewel: op missie. Ze noemde net al even haar meest recente missie naar Afghanistan, waar ze tijdelijk de Nederlandse ambassade in Kaboel versterkte op het gebied van emancipatiethema’s. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in totaal meer dan 150 buitenlandse posten verspreid over de hele wereld, van ambassades en consulaten tot permanente vertegenwoordigingen bij internationale organisaties (ook wel multilaterale posten genoemd).
Als specialist Gender en Ontwikkeling was Verwijk al eens negen jaar werkzaam op de ambassades van Soedan en Bangladesh. Nu komt ze daar – en op andere buitenlandse posten – alleen nog voor korte werkbezoeken. Toch verblijft Verwijk, als je al haar missiereizen bij elkaar optelt, nog steeds veel in het buitenland. ‘In 2006 ben ik drie maanden op pad geweest voor mijn werk.’ Vaak wordt Verwijk naar Nederlandse ambassades in ontwikkelingslanden gezonden om technische ondersteuning te geven, maar ook reist ze meer dan eens af naar multilaterale posten bij bijvoorbeeld de Verenigde Naties of naar internationale vergaderzalen.
Verwijk: ‘Vorig jaar februari was ik bijvoorbeeld voor drie weken in Congo. Samen met de Britten, de Noren en de VN-vredesmacht gingen we vier internationale vredesmissies evalueren. Vervolgens heb ik, samen met een collega van Defensie en een Noorse collega, de eerste missie van Congo gedaan en daar ook het rapport van geschreven. Vervolgens hebben de Britten het voortouw genomen in Sierra Leone en Liberia, toen zijn wij meegegaan. Daarna is er weer een follow-upreisje geweest naar New York om in de Veiligheidsraad onze aanbevelingen en bevindingen te delen.’

 Bukavu, de hoofdstad van de provincie Zuid-Kivu in de Democratische Republiek Congo

VN-organisatie

Als Verwijk voor haar werk in het buitenland zit, dan is het meestal in korte tijd veel praten, netwerken en analyseren: ‘In Congo had de ontvangende VN-organisatie het transport vanaf het vliegveld en het hotel geregeld. Het eerste wat je dan doet na aankomst is het programma doornemen. Vervolgens ga je aan de slag: mensen interviewen, heel veel praten, heel veel netwerken, heel veel informatie vergaren, die informatie weer naast elkaar leggen, en analyseren. Aan het einde van zo’n missie wil je dat natuurlijk terugkoppelen. Dan kom je dus met je team tot de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen. Deze geef je weer terug aan de organisatie. Bij thuiskomst hadden we ons gecommitteerd om binnen twee weken het rapport neer te leggen. Dat is gelukt.’
Door de vele missiereizen houdt Verwijk er meestal een onregelmatig werkritme op na, wat misschien wel het beste samengevat kan worden als een druk nomadenbestaan: ‘Als we een paar dagen in zo’n VN-organisatie rondlopen, hebben we onze notitieblokken bij ons en schrijven we ons helemaal te pletter. Je werkt dan echt bijna 24 uur per dag. We slapen natuurlijk wel, maar het is heel intensief. Als ik terugkom in Nederland heb ik eigenlijk nooit tijd om weer rustig in het ritme te komen. Wat ik altijd doe, is zo snel mogelijk mijn klokje weer gelijkzetten, zowel letterlijk als figuurlijk, en dan gewoon weer verdergaan.’
Het vele reizen heeft Verwijk ongebonden en flexibel gemaakt: ‘Ik voel me overal thuis. Als ik weer eens uit een vliegveld stap, heb ik nooit het gevoel dat ik op een vreemde locatie ben gearriveerd. Het is meer zo van: leuk, nu ben ik hier, en huppekee, weer aan de slag. Ik kan ook met weinig bagage op missie gaan. Op het moment dat ik naar Kaboel ging, had ik wel een koffer bij me voor twee weken, maar toen ik vervolgens naar Uruzgan ging, waar ik wat korter zat, pakte ik een klein tasje uit die koffer en that’s it. Zelfs de militairen waren verbaasd over de geringe bagage waarmee ik aan kwam zetten.’

Een betere wereld

Verwijk is door haar buitenlandervaringen een doorgewinterde reizigster geworden. Ze is in een groot aantal landen geweest, voor lange als korte periodes. Maar als ze voor Ontwikkelingssamenwerking op missie gaat, ziet ze dan nog wel wat van het land dat ze bezoekt? Verwijk: ‘Ik beleef een land heel anders dan een toerist. Ik ga daar heen met een bepaalde opdracht. Dat vind ik ook het leuke van onze manier van reizen. Een reis naar Darfur is natuurlijk geen sinecure. Het is al een hele klus om er te komen. Wanneer je eenmaal op de plaats van bestemming bent aangekomen, is onderdak ook niet altijd even gemakkelijk. Als je werkt in conflictgebieden, dan reis je onder moeilijke omstandigheden. In Soedan vlogen er een keer Antonovs met bommen over me heen. Maar ja, als ik hier in Den Haag op de fiets zit, dan houd ik soms ook mijn hart vast. Ik heb twintig jaar lang in het buitenland niet echt meer gefietst, dus dat is nog altijd een uitdaging.’
Ondanks de drukke, hectische en soms risicovolle omstandigheden, vindt Verwijk haar baan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken een van de mooiste die er is. Omdat ze een verschil kan maken in de wereld. ‘Je hebt natuurlijk wel eens te maken met tegenslag, dingen lopen in de praktijk niet altijd zoals je ze hebt uitgedacht. Als ik niet zoveel passie voor het onderwerp had gehad, dan had ik het echt niet zo lang kunnen doen of mezelf ervoor kunnen inzetten. Werken aan een betere wereld, werken aan de bescherming van mensenrechten en vrouwenrechten in het bijzonder – dat is mijn passie.’
Waar die passie vandaan komt? ‘Ik kan mezelf nog steeds ontzettend druk maken over zaken die onrechtvaardig verdeeld zijn in de wereld. Mijn passie komt soms ook voort uit een soort boosheid. Als ik in Darfur rondloop en van een gevluchte vrouw hoor dat ze eerst is verkracht onder toeziend oog van haar vier kinderen, vervolgens is uitgelachen door de politie op het moment dat ze aangifte wilde doen, daarna drie dagen ziek, zwanger en misselijk met haar man en kinderen op de vlucht is gegaan, uiteindelijk is aangekomen in een ontheemdenkamp, waar ze een ziekenhuisje wist te vinden om te bevallen, maar haar man verliest omdat hij, als hij even op zoek gaat naar voedsel, ontvoerd wordt, dan heb ik zoiets van: daar moet iets gebeuren. Ik word dan gewoon boos! En uit die boosheid put ik weer energie om daar een positieve wending aan te geven – en dus om op te treden en er iets aan te doen.’

Met deze trieste maar tegelijkertijd passievolle en strijdlustige woorden besluit Verwijk haar krachtige betoog. Het is zes uur geweest en Verwijk moet weer door. Er is nog veel werk aan de winkel. Volgens protocol loopt ze mee naar beneden, waar ze geduldig wacht tot het digitale gastenpasje wordt opgeslokt door de automatische draaideur. Dan loopt ze weer naar de lift. Op weg naar de zesde verdieping. Op weg naar ontwikkelingsbeleid. Op weg naar de millenniumdoelen. Op weg naar 101 dingen te doen. Op weg naar de volgende missie…

Internetlinks:

Ontwikkelingssamenwerking, onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken: http://www.minbuza.nl/nl/ontwikkelingssamenwerking
Millenniumdoelen: http://www.millenniumdoelen.nl
Millennium Development Goals (inclusief voortgangsoverzicht): http://www.un.org/millenniumgoals
Internationaal ondernemen en samenwerken: http://www.evd.nl
Centre for Global Development: http://www.cgdev.org
UN Peacekeeping Operations: http://www.un.org/Depts/dpko/dpko
Subsidieregelingen van BuZa: http://www.minbuza.nl/nl/ontwikkelingssamenwerking/subsidies



Reis om de Wereld geeft op deze pagina een overzicht van alle vrijwilligers organisaties. Er zijn vele mogelijkheden: van schilpadden verzorgen in Guatemala tot hulp in een weeshuis in Burkino Faso. Wil je ook iets voor anderen betekenen? Kijk dan eens bij de vrijwilligers projecten. Wil je ook jou project of stichting aanmelden op deze site? Stuur dan even een mailtje!

Facebook RSS Feed