Senegal
Het land van Youssou N’dour en de rally Parijs-Dakar. Maar ook het land dat in 2002 de openingswedstrijd van het WK won en waar schilder Peter Klashorst opgepakt werd omdat hij er vrouwen naakt liet poseren. Wie er geweest is of zich even verdiept in dit muzikale land, weet dat Senegal (gelukkig) nog veel meer is. Een boeiende ontdekkingstocht over het zwarte continent.
Senegal ligt in West-Afrika, op het noordelijk halfrond. Het vouwt zich om Gambia heen en heeft Mauritanië, Mali, Guinee-Bissau en Guinee als overige buurlanden. Het is bijna vijf maal zo groot als Nederland en het is er één a twee uur vroeger (afhankelijk van winter- of zomertijd). De kustlijn is maarliefst 750 kilometer lang.
Qua landschap is Senegal niet echt interessant. Sommige stukken zijn de moeite waard, maar veel regio’s zijn ronduit saai om doorheen te reizen, omdat het land overwegend vlak is. Het grensgebied met Mali heeft heuvels tot circa 400 meter. Aan de kust van het schiereiland Cap Vert, waarop de stad Dakar is gelegen, verheffen twee uitgebluste vulkanen zich tot een hoogte van ruim honderd meter. De ligging en vorm van deze hoogten hebben in de volksmond een bijzondere bijnaam gekregen: ‘Les Mamelles’ (de Borsten).
Senegal, schapen op het strand.
Dakar
Dakar is de hoofdstad van Senegal en telt ruim 2 miljoen inwoners. Er zijn chaotische markten en een broeierig straatleven waar het wemelt van de straatventers. Pleinen, brede boulevards, grote gebouwen en luxe villa’s, maar ook groezelige steegjes, achterafstraatjes en bidonvilles (sloppenwijken). Dit alles vormt samen Dakar. Dwaal ook eens door de armoedige straten van ‘La Médina’, de wijk waar Youssou N’dour opgroeide.
‘Bonjour. Ca va?’, klinkt het overal. Het typeert de hartelijkheid van de gastvrije Senegalezen. Met een open blik en een stralende lach komen ze je tegemoet. Na aankomst op Dakar Léopold Senghor Yoff airport sta je er meteen middenin; een druk bewegende massa mensen: lang en donker en kleurrijk tegelijk. Letterlijk en figuurlijk ziet het er zwart van de mensen. En wat een activiteit! Dakar is in alle opzichten bruisend. Het is dynamisch. Levendig en toch relaxt. Een sfeer die moeilijk te omschrijven is.
Ook in het openbaar vervoer, het ‘Transport Commun’, waan je je in een andere wereld. Krakkemikkige blauw-gele busjes. Achterin instappen bij de openslaande of zelfs loshangende deuren. Erin komen is al een hele tour, maar uitstappen is helemaal een ervaring apart (lees: vrijwel onmogelijk). Iedereen zit opgepropt op en tegen elkaar aan. Zelfs het kleine ‘gangpad’ wordt gevuld met ‘klapbankjes’. Je knieën kun je niet kwijt, maar het is een belevenis die je niet mag missen.
Het rustige Yoff was ooit een dorp, maar is inmiddels meer een buitenwijk van Dakar. Het is het leefgebied van de Lébou, stichters van de stad Dakar. Het is een eigenzinnig volk dat haar eigen bestuur en religie kent. Nog steeds wordt de burgemeester van Dakar uit hun midden gekozen. Hier word je meteen opgenomen in het dorpsleven, kuier je door de zandstraatjes en proef je van de lokale keuken. Voor je het weet, hangt er een hele schare kids aan je armen, die allemaal je hand vast willen houden. En wie weet word je uitgenodigd voor een kopje zoete muntthee bij iemand thuis. Zowel hier als in N’gor kun je genieten van het golvenspel van de oceaan. Op het strand is het een komen en gaan is van kleurrijke bootjes en zijn vissers met de vangst in de weer. Het hectische leven van de grote stad lijkt ver weg.
La Médina
Dakar staat bekend om z’n markten. Marché Tilene is vooral voor de lokale bevolking, maar daarom wel de meest authentieke markt. Het ligt in La Médina, het ‘Afrikaanse’ centrum van Dakar. Een andere markt voor de lokale bevolking is de Marché du Port, aan de Boulevard de la Libération. De grootste markt van Dakar is de Marché Sandaga. Op de kleurrijke Marché Kermel, aan de Place Casablanca, vind je tal van souvenirs, maar ook handwerkproducten, groenten, fruit en vis. Op toeristenmarkten kun je allerhande souvenirs kopen: van houtsnijwerk tot tassen en van sieraden tot mooie doeken. Op lokale markten vind je allerhande eetwaren en inheemse producten. Ook zijn er markten met mandenvlechters, goud- en koperwerk en schelpen.
Drink op de markt eens ‘bissap’, een traditioneel drankje gemaakt van hibiscusbladeren. Het sap is rood en meestal krijg je het in een zakje met een rietje. Er zit geen alcohol in en de Senegalezen zelf drinken dit populaire drankje ook. Je hebt ze ook met gembersmaak, heel sterk. Of probeer een stukje apebrood. In grote zakken liggen deze eetbare vruchten van de baobab op de markt. Het is wit en smelt een beetje op je tong en er zitten irritante draadjes in. Ook kun je zoethoutachtige stokjes kopen die gebruikt worden als tandenborstel. Tot slot kun je een bezoek brengen aan de kunstmarkt Village Artisanal Soumbédioune, dat aan de Corniche ligt, min of meer aan Dakar vast. Het is een toeristenmarkt die er al sinds de jaren 60 is en waar souvenirs en handwerk je van alle kanten aangesmeerd worden. In dit voormalige vissersdorp kun je bovendien de kleurrijke vissersbootjes en het binnenbrengen van de vis bekijken.
De dode zee van Senegal
Lac Retba, ook wel Lac Rose genoemd, is een meer dat door een vreemde speling van de natuur een mysterieuze roze kleur heeft. Vooral in de vroege ochtend is dit goed zichtbaar. Vanuit de duinen is het uitzicht dan adembenemend en het vroege opstaan zeker waard. Het zoutgehalte van het ‘Roze meer’ is na dat van de Dode Zee het hoogste ter wereld. Het bevat 60 keer meer zout dan de zee en zit vol mineralen. Er wordt dan ook druk zout gewonnen voor huishoudelijk gebruik. Overal steken puntige hopen zout omhoog waartussen arbeiders aan het werk zijn.
De zandduinen in de omgeving vormen het decor van de finish van de befaamde Parijs-Dakar race. Maar echt blij zijn de dorpelingen uit de buurt er niet mee.
Een rit er naar toe via de buitenwijken van Dakar duurt ongeveer ander half uur. Ter plekke kun je met grote jeeps om het meer heen rijden.
Goeree
Voor Palmwijn, het boekenweekgeschenk van 1996, heeft Adriaan van Dis zich duidelijk laten inspireren door het eiland Gorée. Vanuit Dakar kun je er met een ‘chaloupe’ (ferry) in 20 minuten naar toe varen. De nauwe straatjes, de koloniale huizen in zachtroze tinten en de bloeiende bougainville roepen een mediterrane sfeer op. Het is er heerlijk rustig, bloemrijk en er rijden geen auto’s. Een bezoek aan het Maison des esclaves (Slavenhuis) is heel indrukwekkend en zeker de moeite waard. Bill en Hillary gingen je voor. In het slavenhuis word je geconfronteerd met een duistere periode uit de geschiedenis. Voor vele zwarten was dit de laatste stap op Afrikaanse bodem voor ze als slaven naar de Nieuwe Wereld werden weggevoerd. De rode huizen zijn van de Nederlanders geweest, de witte van de Portugezen en de gele van de Fransen. Ook zie je 2 grote kanonnen en een lelijk herdenkingsmonument. Het Musée de la femme besteedt aandacht aan het dagelijkse leven van vrouwen in Senegal. En er is een Oceanografisch museum.
Petite Côte
Senegal heeft een aantal mooie stranden. Vanwege de verfrissende noordenwind en de zeewind is het er erg aangenaam. In de kleinere kustplaatsjes kun je rustig over de oceaan turen, terwijl vissers hun vangst binnen halen. In de populairdere ‘badplaatsen’ en bij de grotere hotels zijn watersportmogelijkheden zoals windsurfen en catamaranzeilen. Aan de Petite Côte kun je heerlijk zwemmen. Absolute juweeltjes aan deze kust zijn de dorpen Joal en Fadiout. De dorpen zijn volstrekt uniek, gebouwd op een drietal eilandjes die geheel uit schelpen bestaan. Eén eiland wordt gebruikt om op te wonen en is met een smalle brug verbonden met het vasteland. De andere twee doen dienst als begraafplaats en als voorraadschuur voor de binnengehaalde oogst. Tevens is het dorp het centrum van de christelijke cultuur in Senegal. Het is interessant om te zien hoe christenen en moslims hier vredig met elkaar leven.
In het uiterste zuiden, vlakbij Guinee-Bissau liggen prachtige stranden. Cap Skirring behoort (samen met Gambia en een deel van Ivoorkust) tot de belangrijkste toeristenoorden in Afrika.
Sahel
Het stof waait aan alle kanten naar binnen, maar de levendige stopplaatsen en de statige baobabs te midden van de desolate zandvlaktes maken busritten door Senegal tot een boeiend spektakel. Vooral in het binnenland, naar het noorden toe, wordt de omgeving steeds droger. Uitgestrekte steppen met acacia’s en andere spaarzame begroeiing domineren het beeld. Ook meer landinwaarts zie je, reizend door de droge Sahel van Senegal, weer dat typische landschap met acacia’s. Verder trekkend verandert het landschap van savannes in meren, zoutpannen, prachtige kusten en mangrovebossen. Met als pronkstuk natuurlijk de statige baobab of apebroodboom, die twintig meter hoog en meer dan duizend jaar oud kan worden. Waar je ook komt, het is vooral het spontane contact met de bevolking en hun blijmoedige houding die zo hartverwarmend zijn.
Helemaal in het noorden van Senegal ligt het relaxte Saint Louis. De stad is op een eiland gebouwd en staat vol met oude koloniale bouwwerken. De bevolking hangt een mengeling van islam en animisme aan. Je kunt er heerlijk rondslenteren: door pittoreske, bijna autovrije straten en langs winkeltjes en galerieën.
Met een ‘pirogue’ de natuur in
‘Bonjour ma gazelle!’. Het is een aanspreekvorm die je als reizende vrouw in Senegal nogal eens zult horen. Maar de gazelle bestaat ook echt. In de vele parken zie je ze. Zoals in natuurreservaat Bandia. In jeeps rij je over eindeloze vlaktes met overal baobabbomen. In Bandia kun je op zoek gaan naar giraffen, neushoorns, buffels, antilopen, schildpadden, krokodillen en zwijnachtige beesten. Pas wel op voor de struiken met gemene stekels.
In het noorden kun je een bezoek brengen aan La Langue de Barbarie, waar je deels te voet, deels per ‘pirogue’ (smalle boot) doorheen trekt. Je ziet er onder andere flamingo’s en pelikanen. In het vlakbij gelegen natuurreservaat Djoudj overwinteren jaarlijks vele honderdduizenden trekvogels. Het park is een wirwar van kreken en zijarmen van de Senegal rivier. Ook dit park kun je te voet en per pirogue bezoeken. Op een enorme zandvlakte leven groepen pelikanen, flamingo’s en talloze overwinterende trekvogels uit Europa. De omgeving heeft de uitstraling van een woestijn en je waant je bijna in de Sahara, ware het niet dat het gebulder van de Oceaan zo dichtbij is. Neem een duik in de kreken van het Parc National du Delta du Saloum. Of vaar rond met een pirogue en tuur naar de vogels die verscholen zitten tussen de mangrovebossen.
Het enige wildreservaat in Senegal dat enigszins vergeleken kan worden met de parken in bijvoorbeeld Kenia en Zuid-Afrika is Niokolo Koba. Het is maar liefst 8.000 vierkante kilometer groot. Behalve wild zie je ook chimpansees en bavianen. En ’s werelds grootste antilope komt in dit park voor.
Rijstschuur van Senegal
Hoewel guerrillatroepen in hun strijd voor meer autonomie sinds het begin van de jaren 80 het zuiden van Senegal onveilig maken, is het wel een erg mooi gebied. De Casamance staat bekend als ‘de rijstschuur van Senegal’. Het is er vochtiger en dus ook groener. Er heerst een tropisch savanneklimaat met een weelderige plantengroei. Palmbossen, de kapokboom, mangrovebossen. Ook is het een gebied waar veel bijzondere vogels te zien zijn. En olifanten, leeuwen en hyena’s. Ziguinchor is de hoofdstad van de Casamance. Een drukke stad. Wat vooral opvalt, zijn de grote bergen met pinda’s, één van de exportproducten van Senegal.
In 1947 werd in het zuiden van Senegal de guerillabeweging Movement des Forces Démocratique de Casamance (MFDC) opgericht. In het begin van de jaren tachtig liepen de spanningen in de Casamance op en in de jaren negentig vonden er langdurig bloedige gevechten in die regio plaats.
Marabouts, griots en animisme
Helaas is Senegal ook het land waar zich in september 2002 de grootste scheepsramp uit de geschiedenis voltrok: de Senegalese veerboot Joola zonk. Dit drama kostte aan ruim 2000 mensen het leven, waaronder 2 Nederlanders. Vanwege geldgebrek is het schip nog steeds niet geborgen.
Het is het land van marabouts, griots en animisme, van broederschappen, baguettes en palmwijn. Het land van de djembé en de doun doun, van muzikanten als Ismael Lô (blues), Baaba Maal (reggae-achtig) en vele anderen, van Ousmane en van dichter en schrijver Léopold Senghor. Maar ook het land van mannen met exotische namen als Momo, Moussa, Youssou, Younice, Alfa, Cheikh en Sidya. En een land waar men worstelt. Niet alleen als sport en volksvermaak, maar ook uit pure noodzaak. Want hoe vrolijk en open de bevolking ook lijkt, het leven is er voor veel mensen een strijd, een worsteling. De ster in de vlag symboliseert vrijheid en vooruitgang. Hopelijk lukt dat, op het ritme van de djembé.
Tips voor toubabs ter plekke
- Pas je aan het Senegalese ritme aan – Drink een ‘café Tuba’ (koffie met peper!) op straat in Dakar – Geniet van het uitzicht over Dakar vanaf het dakterras van Hotel Indépendence – Bezoek Pointe des Almadies, het meest westelijke puntje van Afrika – Ga niet te laat eten: in Afrika eet men op ouderwets Hollandse tijden – Breng een bezoekje aan Thiossane, de club van Youssou N’dour in Dakar (Rue Coulibaly; 4 km ten noorden van de Sandaga-markt) – Drink een Senegalees biertje: Gazelle of Flag – Geniet van djembé geroffel – Trommel mee op de sabar – Dans met de locals, met je voeten in het zand – Koop een cd van ’You’ of een minder bekende Senegalese artiest – Laat je drijven in Lac Rose – Zeil zelf met een catamaran over de wilde zee naar Ile de N ‘gor – Bezoek een compound of lokaal dorpje van lemen en rieten hutjes – Overnacht in een Peul-hut – Laat je toekomst ‘bepalen’ door een waarzegger – Als je ergens wordt uitgenodigd waar geen bestek is, eet dan met je rechterhand (niet met links, die is voor minder smakelijke doeleinden) – Probeer de beroemde tiéboudienne, ofwel ‘riz au poisson’, het nationale gerecht bij uitstek – Koop een gris gris, (een soort amulet in de vorm van een schelp, meestal aan een hangertje)… het brengt geluk!
Senegal op de kaart.