Reis om de Wereld
Voeding voor reizigers

De Bangkok bus rijdt naar Kao Shan Road

47

Typ ´Thailand´ in bij een willekeurige zoekmachine op het Internet en de aanlokkelijke foto´s van verlaten witte stranden met palmbomen, long-necks (een etnische minderheid die ringen om hun nek dragen), en vrolijke Thaise mensen komen je tegemoet. Thailand, het land van de eeuwige glimlach, schreeuwen de koppen. Dat klinkt gezellig, denken wij, en we kopen een retourtje Bangkok.

Typ ´Thailand´ in bij een willekeurige zoekmachine op het Internet en de aanlokkelijke foto´s van verlaten witte stranden met palmbomen, long-necks (een etnische minderheid die ringen om hun nek dragen), en vrolijke Thaise mensen komen je tegemoet. Thailand, het land van de eeuwige glimlach, schreeuwen de koppen. Dat klinkt gezellig, denken wij, en we kopen een retourtje Bangkok.

Khao San Road

De goedkoopste manier om vanaf het vliegveld naar het centrum van Bangkok te komen is de bus. Spijtig genoeg rijdt deze bus regelrecht naar Kao Shan Road. Khao San Road zou door alle reizigers eigenlijk genegeerd moeten worden: het is het Lloret del Mar van Bangkok (en Thailand). De enige Aziaten die in Khao San Road te vinden zijn, zijn ofwel tuc tuc en taxi chauffeurs die belachelijk hoge prijzen vragen, ofwel verkopers van waardeloze souveniers, ofwel hoertjes.

Overal zijn westerlingen, die respectloos door blijven lopen als het volkslied klinkt, zich lam drinken aan het prijzige bier en altijd teveel betalen voor taxi´s, excursies en drank. Hoewel de eerste indruk van Koa Shan Road niet goed is, hebben we weinig zin om na een lange vlucht en een uur in een onconfortabele bus zonder airco nog door Bangkok te banjeren met onze backpacks – dus ook wij raken verstrikt in het Koa San Road web.

Bridge over River Kwai

Het ´Lloret del Mar´-gevoel geldt gelukkig niet voor heel Thailand, maar het is ons snel duidelijk: Thailand is zo toeristisch dat het eigenlijk niet echt leuk meer is. In feite kan je je hele reis vanaf Kao San Road regelen – busreizen, trektochten, je kan zelfs compleet georganiseerd naar Loas of Cambodja. Om uit te zoeken welke trein ik moet hebben of welke bus waar naar toe gaat, heb ik meer problemen in België dan in Thailand. Helaas betekent elke tocht die je ´georganiseerd´ maakt, minder avontuur en minder contact met locals. Of je nu een busreis boekt of een excursie naar de Bridge over River Kwai maakt, je bent omringd door westerlingen.

De kans dat je naast een Thai in de bus zit is minimaal. Als je bij een excursie ook maar een seconde te lang bij iets blijft staan of even een ander straatje ingluurt, dan wordt je gelijk gecorrigeerd en in de groep terug gezet. Zo geven we Thailand al snel de bijnaam ‘ Irrithailand’, wat natuurlijk niet helemaal fair is, omdat we nog weinig van het land hebben gezien en we zelf de keuze maken om in verband met tijdgebrek niet te veel van de platgelopen paden af te wijken. Hoe dan ook blijft het een gevoel wat ons voor de rest van de reis bij blijft: de Thai hebben teveel toeristen gezien. Ze hebben het toerisme en het geld hard nodig, maar ze zijn de Westerlingen ook ontzettend zat. Met als gevolg dat de Thai soms zelfs hun klanten beginnen uit te schelden en de eeuwige glimlach langzaam maar zeker verdwijnt…

Khao San Road.
Khao San Road.

Bangkok druk

We bekijken Bangkok: druk, groot, indrukwekkend en ontzettend warm. De warmte is eigenlijk niet te beschrijven. Een onophoudelijke stroom zweet loopt over je ruggegraat, ademen gaat zwaar. Bangkok roept niet onmiddelijk de liefde op die ik wel voor Beijing en Phon Phen voelde, maar naar mate we vaker in Bangkok belanden, begint de stad me steeds meer aan te spreken.

Bangkok ligt min of meer in het midden van Thailand, waardoor je meestal gedwongen bent om via Bangkok te reizen om een ander deel van Thailand te zien. De stad is ontzettend vol – overal mensen, mensen en nog meer mensen, maar de Thai lijken door de massa te kunnen lopen zonder een ander aan te raken. Ze schuiven langs elkaar in claustrofobische marktstraatjes, zonder een druppel te zweten, ondanks de 45 graden Celsius.

Son Kran festival in Chiang Mai.
Son Kran festival in Chiang Mai.

Chiang Mai

We reizen, zoals het merendeel van de toeristen, naar het noord westen: Chiang Mai. Gemoedelijker dan Bangkok, dé plek om Song Kram (Thais oud en nieuw) te vieren, en volgens de reisgidsen ´ideaal voor hiken´. We sluiten ons aan bij een hiketocht van drie dagen. Helaas reizen we in het hete, droge seizoen, wat de omgeving dor maakt. Waarschijnlijk is de natuur adembenemend tijdens het regenseizoen, maar het hiken zal door modderstromen ook een stuk gevaarlijker zijn.

Op zich is de hike niet zwaar, maar 40 graden bergje op is soms toch een beetje te veel van het goede. De gids is gelukkig een goede en houdt iedereen netjes in de gaten. We zien een tarantula en een slang, ladingen rode mieren, we staan onder watervalletjes, we zwemmen in kleine meertjes en het beste is…geen andere toeristengroepen.

De eerste nacht slapen we in een ´minority-dorp´, maar dat valt nogal tegen. Dat minorities liever hun geld aan toerisme verdienen dan aan opium moet natuurlijk worden gestimuleerd, maar erg gezellig wordt het er niet van. Op allerlei manieren wordt geprobeerd om je geld uit je zak te kloppen, terwijl de hike op zich al behoorlijk prijzig is. Je wordt min of meer verplicht om ´gezellig´ biertjes te drinken à 2 euro 50, de kinderen van het dorp worden elke avond verplicht om een half uur lang lokale liedjes te zingen en te poseren voor toeristen, waarna verwacht wordt dat er behoorlijk wat geld in de pot wordt gedaan, en natuurlijk komen er een lading zielige verhalen op tafel.

De tweede nacht is beter. We slapen in een lief hutje, waar sprinkhanen over je heen hoppen, krekels een oorverdovend lawaai maken en kikkers zich de longen uit het lijf kwaken. Echt slapen komt er niet van, maar dat maakt niet uit. De douche is een bamboo pijp die het water van de waterval omleidt en in een straal op je laat kletteren, ´s nacht brandt er een groot kampvuur, de gids vertelt hoe je een cobra moet ontlopen, er wordt getrommeld en we krijgen heerlijk thais eten.

Watergevecht

Als we in de pick-up terug naar Chang Mai rijden, blijkt Song Kram al in zijn hevigheid te zijn losgebarsten. De Thai vieren dit feest door een Groot Nationaal Watergevecht te houden. Als je met een waterpistool aankomt, ben je eigenlijk een beetje sneu: grote tonnen en emmers water over elkaar heen gegooid. De sfeer is hoe dan ook lieflijk.

Ouderen worden met rust gelaten, jongens gaan voornamelijk achter de meisjes aan maar zonder vervelend te worden en kinderen lachen zich zelfs na de dertigste emmer water over je heen gegooid te hebben nog altijd kapot. Als buitenlander ben je dan natuurlijk constant het haasje, maar met 40 graden is een plens water niet erg vervelend. Maar, op een gegeven moment is het wel weer genoeg geweest.

Song Kram duurt in principe 3 dagen maar loopt bijna overal (met name in het noorden) uit tot anderhalve week… Anderhalve week word je dus zeiknat gegooid (dus alles wat je meehebt is doorweekt – menig paspoort overleeft Song Kran niet). In Bangkok is het echter erger dan in Chang Mai. Water is zo´n probleem nog niet – het is warm genoeg. Maar in Bangkok, en dan met name Khoa San Road, besmeurt men elkaar met een soort klei (iets van talk wat de Thai als zonnebrandcrème gebruiken). Het wordt op je gezicht (en regelmatig in je ogen), je haar en je kleren gekwakt. Het gaat er in Bangkok ook net iets agressiever aan toe: jongens zijn zo nu en dan iets te handtastelijk en duidelijk maken dat je geen zin hebt in klei op je gezicht maakt je alleen maar een interessanter slachtoffer. Maar, de Thai bieden gewillig water aan als je weer 3 kilo klei in je ogen hebt zitten en ze blijven vriendelijk glimlachen.

Vriendschapsbrug tussen Thailand en Cambodja
Vriendschapsbrug tussen Thailand en Cambodja

Eilanden minibus

Toch nieuwsgierig naar geweldige, exotische en verlaten stranden van Thailand, steken we de dag erop de grens over naar Thailand en belanden we aan het eind van de dag in Ko Chang, het eiland in het oosterse puntje van Thailand. We huren een scooter omdat de enige taxi (belachelijk dure minibus) wegrijdt zonder ons te vertellen dat er verder geen vervoer is. Het maakt niet uit, we hebben het scooteren helemaal ontdekt. Het is snel, maakt je wat minder afhankelijk van openbaar vervoer en je komt op plekken die de meeste toeristen niet zien omdat ze geen scooter (of fiets) hebben.

Na het back to basic in Cambodja is het even weer wennen in Thailand. Enigsinds gevangen tussen dronken Britten en topless zonnenden Zweden (overigens verboden in Thailand), gaan we op zoek naar één van die verlaten witte stranden uit de reclamefoldertjes. We vinden min of meer wat we zoeken. Achter ons liggen wel twee Russen met Thaise hoertjes en verderop is een bar waarvandaan harde muziek schalt, maar verder is het strand zo als verlaten en kunnen we genieten van het hete zeewater. ´s Avonds zijn er overal lounchbarretjes en kan er wat gedanst worden. We hebben een grappig hostel gevonden, waar ze rieten strandhutjes hebben. Chique is het niet, maar wel leuk. Er zijn geen douches maar bakken met water die je over je heen dient te gooien terwijl de muggen je genadeloos afmaken en de kikkers en slakken in het water hoppen. De doucheruimtes zijn overgroeit met planten waar we zelfs een groene slang weg zich schieten.

We hebben ook de eer om in een mierennest te staan (niet aan te raden). Maar je voelt je wel één met de natuur, en het is gewoon bijzonder: terwijl de krekels een oorverdovend lawaai maken, en je de ruisende zee en lounchemuziek achter je hoort sta je in een halve jungle koud water over je heen te gooien. Een ideale plek om even een paar dagen te relaxen. We gaan ook een dagje snorkelen – weer een ervaring rijker. We worden in een enorme boot met zo´n 100 Thai gedumpt en we meren (samen met 6 andere boten van dezelfde grootte) vijf keer aan op verschillende snorkelplekken. Arme vissen: een klein snorkelplekje waar 500 Thai in felgele zwemvesten (ik weet nog steeds niet of ze niet kunnen of niet willen zwemmen) een beetje door heen lopen te spartelen. Maar we weten zo nu en dan te ontsnappen van de flippers die genadeloos in je gezicht worden geslagen en zien prachtige vissen en koraal voorbijkomen.

Ko Chang

Na een paar dagen Ko Chang houden we het voor gezien en mijn reisgenoot en ik splitsen een korte tijd op. Ik ga naar het noordoosten van Thailand, naar een plaatsje aan de grens van Laos dat Nong Khai heet. Het is hier een stuk rustiger, minder toeristisch, en leuk om een paar dagen door te brengen. Het regenseizoen blijkt dit jaar vroeg te zijn begonnen, wat de dagplanning wel wat in de war schopt (fietstochtjes in een Thaise stortbui is niet aan te raden), maar met mensen uit het youthhostel worden er vele diepe gesprekken gevoerd, worden de ouderwetse spelletjes uit de kast gehaald en gebiljart en gedanst met de lokale bevolking. Ik heb nog wel de kans om tussen de buien door een bizarre beeldentuin van een kluizenaar te bezoeken en een fietstocht te maken door het dorp waar de Mekong door heen slingert.

De laatste dag in Bangkok bestaat voornamelijk uit shoppen en nog wat drinken met mensen die we eerder hebben ontmoet. We hebben nog wel een mooie ontmoeting met een stukje geschiedenis: een Canadees die in de jaren zestig voltijd hippy was en zich tegoed heeft gedaan aan alles waar we op de middelbare school over mochten lezen, maar zelf nooit hebben mogen doen. Een avond lang hebben we mogen luisteren naar zijn prachtige verhalen over toen èn nu, als leraar Engels in Thailand. Hij schijnt zijn licht gedurende de avond op Thailand en deelt daarbij de mening die wij ook hebben: een land dat ontzettend rijk is aan natuur, cultuur, vriendelijk en hardwerkende mensen en heerlijk eten, maar helaas haar weg enigszins is kwijtgeraakt in de toeristenindustrie.