Reis om de Wereld
Voeding voor reizigers

De windvanger van Tanger

93

Tanger is geen toeristisch ontwikkelde stad als Marrakech. Het is zelfs geen koningsstad, dus ook een georganiseerde reis langs deze steden komt hier niet langs. Wat is het dan wel? Is het interessant om te bezoeken? Of een handige uitvalsbasis voor het achterland en het Rif-gebergte?  “I am a son of the sea’ verklaart Mirhoun, een lokale bouwvakker. Ik wil de wind voelen. Trouwens, welkom in Tanger!’

Wilbert van Haneghem

Tangier, Tangiers of Tanger. Hoe je het schrijft of uitspreekt maakt niet zo veel uit. De stad zelf nog het allerminst. Ook in het straatbeeld van de Noord-Marokkaanse stad worden de namen door elkaar gebruikt. Een luid gejuich galmt simultaan vanuit de kleine theehuizen aan het plein Petit Socco, dat midden in de medina ligt. Mannen zitten aan de buis gekluisterd voor een voetbalwedstrijd en moedigen de teams gezamenlijk aan alsof het nationale elftal de WK-finale aan het winnen is.

Het blijkt echter te gaan om een gewone wedstrijd uit de Spaanse competitie, maar het enthousiasme is er niet minder om. Even verderop spelen jongens van een jaar of acht hun eigen voetbalwedstrijdje. Op het openbaar te betreden betonnen dak van een winkelpand schieten ze een tennisbal in het rond. Deze kaatst soms af op het roestige kanon dat vroeger indringers buiten moest houden en nog steeds zijn loop naar de zee heeft gericht. Ook hier luid gejuich, nu van de voetballertjes zelf. Maar niemand kijkt op.

Uitzicht over de daken van Tanger.
Uitzicht over de daken van Tanger.

De paar lokale bezoekers van theehuis Tingis aan Petit Socco zitten buiten op het terras stilzwijgend achter hun glas muntthee of kopje koffie. Het geluid van het naastgelegen café Central met de televisie deert ze niet. Een mondaine dame met grote donkere zonnebril heeft de muts van haar mooi in de plooi vallende kaftan over het hoofd geslagen, zonder enige beweging van haar hoofd kijkt ze voor zich uit. Ik probeer haar blik te volgen, maar het lukt me niet, ze kijkt in het oneindige.

Terrasjes in het centrum.
Terrasjes in het centrum.

Enkele stoelen verderop sukkelt een oudere bezoeker weg, zijn fez-hoedje schuin op het hoofd en met zijn arm leunend tegen de stoel naast hem. Weer anderen zijn druk in gesprek of kijken juist naar elke voorbijganger. Verder is het opvallend rustig, het is ten slotte zaterdagmiddag en in menig stad zijn de straten dan overvol. Niet in Tanger. Niet vandaag. In de winkeltjes in de medina hangen de verkoopwaren in het halfduister met de gelige verlichting van een simpel peertje.

Krekels

Natuurlijk zijn ook hier, zoals in soeks wereldwijd, voetbalshirts te koop, gemaakt in China. Deze shirts vertegenwoordigen voornamelijk de grote clubs uit de Spaanse competitie om de nationaliteit van de meeste bezoekers tevreden te stellen. Maar het is geen verkoopkermis zoals in bijvoorbeeld Marrakech. Boekwinkels, stoffenwinkels en pittoreske restaurantjes sieren sommige steegjes, ook al is het aanbod niet echt groot.

Boekenwinkeltje.
Boekenwinkeltje.

Hier geen krekels-uit-een-doosje of het bekende geroep ‘kijken, kijken, niet kopen’ als men doorheeft dat je Nederlander bent. Niets van dat. Sterker nog, uitermate vriendelijke verkopers knikken alleen maar, spreken je soms in het Spaans aan, of antwoorden met merci als je ze in het Frans – naast het Arabisch de voertaal – bedankt voor de eer.

De twee steden verhouden zich wellicht het beste als het drukke en populaire Amsterdam (Marrakech) ten opzichte van het minder toeristische Rotterdam (Tanger). Het leven dat traag voorbijkomt aanschouwen en bespreken, het lijkt wel de favoriete bezigheid van jong en oud. In het park zitten mannen en vrouwen, gescheiden van elkaar, met drukke gebaren de actualiteit door te nemen.

Park in Tanger.
Park in Tanger.

Net als bij het befaamde Gran Café de Paris. Speelde dit café in de Tweede Wereldoorlog een grote rol als ontmoetingsplek tussen internationale spionnen, nu is vooral het oude authentieke interieur nog een trekpleister. Buiten op het terras zit je op de smalle stoep in de uitlaatgassen en getoeter van het voorbijrazende verkeer, met uitzicht op de Franse Ambassade.

Mijmeren

Toch is het verleden nog verfijnd voelbaar in de straten, op de pleinen en – vooral – op de caféterrassen. De stad trok vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw vooral bohemiens, kunstenaars en schrijvers aan. Jack Kerouac, William Burroughs en Paul Bowles om er een paar te noemen. Ook popgroepen als The Beatles en The Rolling Stones rekenden Tanger tot hun favoriet omdat er veel kon en mocht. Vooral café Hafa, ‘sinds 1921’, gold en geldt als een geliefde ontmoetingsplek.

Het is even zoeken naar de zijstraat tegenover het voetbalstadion, maar gelukkig weet iedereen op straat waar het is en loopt er al snel iemand mee om de weg te wijzen. Hij moest er toch zijn voor zijn kopje muntthee. Werklieden leggen de laatste hand aan mozaïek tafelbladen die op de betonnen vierkanten tafels worden gelegd. Alles is wit gesaust en de tribuneachtige opstelling doet vermoeden dat iedereen iets spectaculairs verwacht. De stoelen en het uitzicht zijn op de zee gericht.

De zee is dichtbij.
De zee is dichtbij.

Men tuurt, mijmert of roert in het glaasje met mierzoete thee dat een vriendelijke oude kelner met een roestig metalen rekje per zes glaasjes rondbrengt. Net als in 1921 waarschijnlijk gebeurde. Spectaculairder gaat het niet worden, maar dat is ook niet nodig. Het turen en mijmeren is in Tanger tot een kunst verheven.

En de kunstenaars zijn nu niet de internationale beroemdheden. Het zijn de bewoners. Maar het geeft niet, je mag er als bezoeker naar kijken of zelfs mee praten, maar liever niet fotograferen. Ze vinden het wel allemaal best zo, want het leven gaat hier toch wel door, zij het met een slakkengangetje. Geen moderne vierbaans kustweg die zo uit een dure badplaats aan de Cote d’Azur geplukt kan zijn en langs de stad kronkelt brengt daar verandering in. Tanger heeft zichzelf al meerdere malen opnieuw uitgevonden en is ook nu volop in ontwikkeling.

Mozaïek

“I am a son of the sea’ verklaart Mirhoun, een lokale bouwvakker van eind veertig terwijl hij uitkijkt over de haven en de zee. ‘Elke morgen kom ik hier, soms meerdere keren per dag. Ik wil de wind voelen. Trouwens, welkom in Tanger!’ Mirhoun heeft nieuws voor ons. Hij weet te vertellen dat de huidige rij disco’s die in de jaren negentig aan de boulevard zijn gebouwd, verplaatst zullen worden in verband met geluidsoverlast. Naar de plek waar hij nu staat, buiten de stadsmuur ter hoogte van de rustieke kasba met een klein museum.

“Die boulevard wordt weer in ere hersteld’, zo meldt hij, “naar de grandeur van vroeger.” Als ik wijs op de authentieke maar ook vervallen huisjes achter ons, knikt hij. “Ja, die gaan dan verdwijnen. Maar het plan is nog niet helemaal rond hoor” vergoelijkt hij. Over grandeur gesproken: deze is nog zeer goed te vinden in het oudste hotel van de stad: Hotel Continental, dat ook uitkijkt over de zee-inham en de haven. En over een winderig plein waar de hoge en enige aanwezige palmboom vervaarlijk heen en weer zwiept voor het kamerraam.

Hotel waar we overnachten.
Hotel waar we overnachten.

De wind giert door de kieren en langs het uitgedroogde raamrubber van het enkelglas naar binnen. Het is de grootste kamer van het hotel, tevens een van de weinige die nog niet gerenoveerd is tot een modern allegaartje. Maar voor de kamers moet je in dit hotel niet zijn. Wel voor de ontbijtzaal en de andere min of meer openbare ruimtes, neem die kamer er maar voor lief bij. Prachtige betegelde vloeren, wanden en plafonds. Doorkijkjes naar nog meer mozaïek in het ernaast gelegen halletje, trots ingelijste zwart-wit foto’s uit vervlogen decennia van bezoekende beroemdheden en hartelijk groetende obers in originele zwart-witte oberuitrusting. Zo hoort het nog te zijn. En zo is het nog in Tanger.

Chefchouen

Tanger is ook een goed startpunt om het Rif-gebergte te bezoeken. Op een groot billboard langs de boulevard is een actieve bergbeklimmer te zien die uitkijkt over een spectaculaire reeks bergtoppen. ‘Welkom in het Rif gebergte’, staat er te lezen volgens onze taxichauffeur Achmed. Dit gebergte laten wij even links liggen, hoewel we onderweg naar het zuidelijker gelegen bergdorp Chefchouen veel mooie bruine bergtoppen en groene dalen zien. Het wordt een kleurrijk uitstapje, want het dorp zelf staat bekend om haar blauwe straten, muren en huizen. Vanaf Tanger is het ruim twee uur rijden met een taxi of eigen vervoer. Op straat vragen taxichauffeurs uiteenlopende prijzen voor een middagje retour, rond de 70 euro is een gemiddeld gevraagd bedrag.

Straatje met kinderen.
Straatje met kinderen.

Karavaan

Chouen, zoals het door Marokkanen liefkozend genoemd wordt, is toeristisch gezien big business, ook al komt ook deze plaats niet veel voor in Nederlandse reisschema’s. Hier zijn het de meer avontuurlijke Europeanen die met eigen vervoer of per openbaar vervoer het land doorkruisen. Deze reizigers worden vast aangetrokken door de sfeer die op ansichtkaarten van oude reisposters is terug te vinden. Daarop worden trekkings op kamelen door de Maghreb-landen aangeboden. Die sfeer van weleer is – ondanks of juist dankzij de vele aanwezige bezoekers – het best te proeven bij het centrale plein bij de kasba.

Pleintje.
Pleintje.

Elk moment verwacht je op zijn minst een karavaan met wilde paarden met daarop ruige berbers die het plein betreden. Helaas, dat waren en blijven lang vervlogen tijden. Wel klinkt plots een aanzwellend geluid van trommels. Soms wordt het overstemd door gezang en vrouwenstem die hoge klikkende tonen uitwerpt: ‘Jalalalala’. Iedereen kijkt om, maar de lokale bewoners gaan al snel verder met datgene ze aan het doen waren. Het is een groep van ongeveer dertig jongeren die in westerse en hippe kleding de smalle straatjes van het dorp bewandelen.

Aan het hoofd een man met een trommel, ook dirigeert hij met zijn stokjes het gezang, door ze hoog in de lucht te houden. Het doet denken aan carnaval in Maastricht en ik bekijk het gezelschap geamuseerd. Ze zijn vrolijk en ze hebben zin in hun eigen feestje. Na een paar uur van gezang & gezelligheid stappen ze weer in hun nieuwe personenbusjes op weg naar Tanger of een andere stad waar ze de rest van de week hun carrière maken in een kantoorfunctie, zo wordt later uitgelegd.

Blauwe stad

De kasba en de omliggende straatjes met verkoopwaar – nu naast voetbalshirts ook felgekleurde leren instappers, djellaba’s en dadels – zijn weliswaar het bezoeken waard in Chefchouen, maar dat is niet waar het bergstadje bekend om is. Dat zijn de blauw geverfde straten, stoepen, huizen en muren.

Daarom heet het de blauwe stad.
Daarom heet het de blauwe stad.

Of ze zijn spierwit, dat is de enige andere optie en ook daar is het stadje trots op. Het levert in elk geval een kleurrijk plaatje op en het is verrassend te zien hoeveel kleuren blauw er eigenlijk bestaan. Indigo is duidelijk het meest populair, maar weer en wind doen natuurlijk ook wat met een kleur. Vlekken, vervagingen en vegen. Na uren door het dorp gelopen te hebben komen we bij welgeteld één winkeltje dat verf verkoopt. Hij moet miljonair zijn! Grote zakken met verschillende pasteltinten staan buiten opgesteld. Allen met een flink formaat schep erin.

Soorten verf.
Soorten verf.

In de schap van het winkeltje liggen boterhamzakjes met dezelfde kleuren, om vlekjes mee bij te werken natuurlijk. Hij verkoopt ook oliën, voor door de salades of om mee te bakken en een versie om op je lijf te smeren. Hopelijk halen de klanten dat niet door de war. Net zo min als de verf voor in je haar. Iemand een indigo blauwe kleurspoeling?

Bonjour

De straten zijn stuk voor stuk lieflijk, romantisch, mooi, steil omhoog of omlaag lopend en weer uitkomend in een nog mooier straatje of trappenhuis met openstaande halfronde houten deur. Menig kind steekt nieuwsgierig zijn hoofd naar buiten om ons en andere bezoekers te aanschouwen of roept onbescheiden ‘bonjour’ of ‘photo one dirham!’ Een groepje kinderen heeft van hun ouders de taak gekregen de straat en de buitenmuur van het huis schoon te maken.

Of het dient tegen de verveling want echt veel schoner wordt het er niet op. Zeker niet als wij voorbij komen en er spontaan geposeerd wordt, leunend op de voor het vijfjarige jongetje veel te lange bezem. Ze zijn vriendjes, omarmen elkaar en vormen een vrolijk team, en dat willen ze graag laten zien. Hun buurmeisjes doen niet voor ze onder en willen ook poseren. De moeders staan erbij te kijken en stralen naar hun kroost. Hier geen geroep om een dirham, gewoon leuke spontane kinderen die een paar woordjes willen kletsen.

Hoeveel blauw kun je aan? Gelukkig is er ook wit en bruin, van de wollen djellaba’s die door zowel de piepjonge als de stokoude bewoners met trots worden gedragen en die in de plaatselijke weverijen worden gemaakt. Maar ook bordeauxrood, okergeel, kikkergroen siert het straatbeeld van passerende bewoners, zoals gezegd: een kleurrijk tafereel. Maar waar die andere pastelkleuren uit het verfwinkeltje voor worden gebruikt, is niet duidelijk, en het heldere blauw is nooit ver weg.

Bij de restaurants gaat het kleurenpallet verder en ook over in een geurenpallet. Grote groene olijven krijgen we als amuse. De couscous dampt van de tajine en de pastilla – een Marokkaanse kippastei met kaneel –  smaakt voortreffelijk. Het dorp lijkt wel te zijn neergezet als een filmdecor, inclusief de bewoners en bezoekers als acteurs. Soms moet je in je armen knijpen om zeker te weten dat het geen droom is, en ook geen film. Het is het ware Noord-Marokko.

Wij vlogen met luchtvaartmaatschappij Air Arabia  rechtstreeks van Amsterdam naar Tanger. Deze low-cost airline vliegt 3x per week naar deze bestemming.  Ook naar de stad Nador wordt door Airarabia aangevlogen vanaf Schiphol .