Reis om de Wereld
Voeding voor reizigers

Een zondag in de hoofdstad van Wales

98

De hoofdstad van Wales is het startpunt voor Els Slots. Op een zonnige zondag in juni maakte ze een enerverende dagtocht naar een voorbeeld van het industriële erfgoed van Wales: de steenkoolmijn van Blaenavon.

Els Slots

Het is acht uur op een zondagochtend in juni. Ik bevind me in de trein van Cardiff, de hoofdstad van Wales, naar Abergavenny. De Britse spoorwegen hebben een nog slechtere naam dan de Nederlandse, maar mijn ervaringen van de afgelopen dagen in West-Engeland en Wales zijn louter positief. Ik zit in de trein naar Abergavenny omdat ik Blaenavon wil bezoeken, een mijnwerkersstadje in het hart van Wales. Het staat sinds 2000 op Unesco’s Werelderfgoedlijst, dus ik moet er heen. Abergavenny is het dichtsbijzijnde treinstation. Sinds ik die naam trouwens op de kaart zag staan kan ik het liedje met dezelfde naam niet meer uit mijn hoofd krijgen (“Taking a trip up to Abergavenny, hoping the weather is fine ..”; voor de oudere lezers wellicht herkenbaar).

Abergavenny

Het is half tien als ik kennismaak met de dame van de VVV van Abergavenny. Samen met haar neem ik de opties door hoe het beste naar Blaenavon te gaan. Openbaar vervoer blijkt er niet te zijn op zondag. Dan maar een taxi denk ik. Hoewel: lopen kan ook. Er wordt een wandelkaart bijgepakt: “Kijk, je loopt hier langs de rivier het dorp uit. Dan pak je het pad dat bergopwaarts loopt. Er is maar één pad, dus verdwalen doe je niet. Het is wel een beetje steil”. Het is toch zeker wel één à anderhalf uur lopen opper ik. “Ja, zoiets. Eigenlijk wel tweeënhalf uur”. Ja, ja, met mijn conditie en richtingsgevoel wordt dit niets. Ik bestel dus maar een taxi.

landschap Zuid-Wales
Het heuvellandschap van Zuid-Wales.

Alle drie taxibedrijven in Abergavenny beginnen hun ritten op zondagochtend pas vanaf half elf, dus ik mag hier nog een uurtje doorbrengen. Het is een echt Brits dorp, waar de jaren vijftig nooit zijn opgehouden. Charmant en achtergebleven tegelijkertijd.Juist vandaag is het ook het vertrekpunt voor een demonstratie van motorrijders. Honderden leren pakken bevolken de parkeerplaats in het centrum. Ze vormen een schril contrast met de tuttige oudere wandelaars die zich door de straten van het dorp naar de natuur in de omgeving begeven.

big pit Wales
Het bovengrondse deel van de Big Pit.

De Big Pit

Het is inmiddels elf uur, en de taxi zet me af bij het terrein van de Big Pit in Blaenavon. Deze steenkoolmijn, die sinds 1983 als museum dienst doet, ligt ietwat afgelegen midden tussen de groene heuvels.Ruim tweehonderd jaar geleden, aan het begin van de Industriële Revolutie, werd in deze streek onder het turf steenkool en ijzererts aangetroffen.

De vraag naar de nieuwe brandstoffen nam in de 19e eeuw een grote vlucht, en ondernemers zagen hun kans om in dit gebied mijnen en ijzergieterijen op te richten. Hiervoor waren veel arbeiders nodig, en zo ontstond het stadje Blaenavon.De Big Pit zelf dateert uit 1880, maar is uitgegraven op de plaats van een oudere mijn. De steenkool die hier naar boven werd gehaald werd gebruikt voor de stoommachines in de zeevaart en industrie.

Tot aan de Eerste Wereldoorlog werkten er hier 1300 man onder de grond. Daarna werd het minder en minder. In 1980 sloot de mijn, waar toen nog 250 mensen werkten, voorgoed. De mijn wordt nu nog op een laag pitje draaiende gehouden voor bezoekers: met een gids kun je een rondleiding door de gangen maken.

mijnbouw
Op het terrein van het mijnbouwmuseum.

Bezoek onder de grond

Er zijn vanochtend zo’n 20 mensen die zich melden voor de tocht door de mijngangen. We worden uitgedost met een stoere mijnwerkershelm met een lampje voorop, en krijgen een riem omgesjord met een zware batterij. Met z’n allen stappen we in de lift die ons zo’n 90 meter onder de grond brengt. Beneden is het vochtig en koel. En donker: zo donker dat als we op aanraden van de gids even onze lampen uitdoen, het echt pikdonker blijkt en doodeng wordt. Snel maar weer aan dus, die koplampen.

Terwijl we half-bukkend door de gangen lopen vertelt de gids over de arbeidsomstandigheden in de mijn. In de 19e eeuw was het heel gewoon dat er ook kinderen, zowel jongens als meisjes, onder de grond werkten. Zij werden bijvoorbeeld ingezet voor het open en dichtdoen van de ventilatiedeuren, zodat er steeds voldoende zuurstof voor de mijnwerkers aanwezig bleef.

Hun dagelijks verblijf in de duisternis en tussen het ongedierte moet angstaanjagend zijn geweest. Opvallend zijn ook de ondergrondse paardenstallen. Voordat de wagentjes met steenkool elektrisch door de gangen werden gereden, was dit het werk van paarden. Ondanks het zware werk hielden de paarden het meestal toch jaren onder de grond uit. Volgens de gids worden er in andere mijnen in Wales nu nog steeds paarden gebruikt.

Blaenavon Town
Blaenavon Town.

Terug naar de hoofdstad van Wales

Het is één uur in de middag geworden als ik vanuit Blaenavon probeer terug te reizen naar Cardiff. Mijn bedoeling is om eerst een bus of taxi te nemen naar het stadje Pontypool, waar een station is. Navraag in Blaenavon leert me echter dat er hier geen taxi’s rijden. De oude vrouw die ik aanschiet wijst me wel een bushalte, maar of er op zondagmiddag ook een bus zal komen?

Aangezien mijn vliegtuig terug naar Amsterdam over twee uur vertrekt, lijkt me het niet zo slim om op een bus te gaan wachten die al dan niet komt. Hemelsbreed zit ik zo’n 45 kilometer van het vliegveld van Cardiff af, maar hoe kom ik daar? Te voet naar het volgende plaatsje lijkt nu echt de enige optie. Gelukkig is het een zonnige middag geworden, zodat een wandeling van een uur een aangename bezigheid is. Het is twee uur als ik aankom in Pontypool. Mijn vraag “Waar is het station?” brengt een man tot de reactie “Er is hier geen station”. Ahum.

Volgens mij wel, maar ik zie ook geen spoor liggen en deze inwoner van het stadje zal het wel weten. Wat ze in Pontypool in ieder geval hebben is een bus naar Newport, een stad op zo’n 20 kilometer afstand van Cardiff. Deze rijdt ook op zondag, dus daar stap ik maar in voor de volgende etappe. Het is half drie als ik een taxichauffer aanspreek in Newport. “Hoe lang doet u er over om naar het vliegveld van Cardiff te rijden?” “Vijfenveertig minuten” is het antwoord. Ik heb echter nog maar een half uurtje. De taxichauffeur is wel in voor een avontuur en besluit er voor te gaan: veiligheidsriemen vast en racen maar.

Blaenavon
De weg van Blaenavon naar Pontypool.

Het is drie uur, en het is onvermijdelijk dat ik mijn vlucht naar Nederland zal missen. De taxichauffeur heeft zijn uiterste best gedaan, maar voor het eerst in twaalf jaar vliegen kom ik te laat voor een vliegtuig. Het zat er de hele dag al een beetje in. Echt zorgen maak ik me niet: gelukkig weet ik dat er meerdere vluchten per dag zijn tussen de hoofdstad van Wales, Cardiff, en Amsterdam, en dat er om 17.20 uur nog eentje vertrekt. Bij de balie zijn ze niet echt verbaasd, ik ben een van de vele laatkomers. Er is nog voldoende plaats op de volgende vlucht, mijn ticket wordt zonder kosten gewijzigd.

Het is half zes als ik vanuit de lucht definitief afscheid neem van Wales.