Reis om de Wereld
Voeding voor reizigers

In het spoor van de Bengaalse tijger

67

De Sundarbans zijn een onbedorven stuk natuur in het grensgebied van India en Bangladesh. Het is het laatste restant tropisch regenwoud in deze regio, en een van de grootste mangrovebossen ter wereld. Er leeft een grote verscheidenheid aan vogels. En Bengaalse tijgers, nog zo’n 400. ‘Niet ver van de bewoonde wereld van het stadje Mongla zien we hem: eerst de staart, even later ook zijn kop.’

Auteur – Els Slots

Al op mijn eerste avond in Bangladesh word ik geconfronteerd met de mythe rondom de Bengaalse tijger. Mijn gastheer Didar neemt me mee uit eten in een familierestaurant in Dhaka. Een vriend van hem is er ook bij. Didar stelt hem voor: dit is Mostafa – hij heeft de tijger gezien. ‘Het was afgelopen november’, vertelt Mostafa glunderend, ‘en ik maakte met een Oostenrijkse toeriste een dagtocht door de Sundarbans.

Niet ver van de bewoonde wereld van het stadje Mongla zien we hem: eerst de staart, even later ook zijn kop. Hij staat in het hoge gras aan de waterkant. We zijn te verbaasd en gefascineerd om foto’s te maken, en durven niet te bewegen. Pas na twee minuten, als de boot een voorzichtige beweging maakt om dichterbij te komen, gaat hij er vandoor.’

Bengaalse tijgers

De Sundarbans zijn een onbedorven stuk natuur in het grensgebied van India en Bangladesh. Het is het laatste restant tropisch regenwoud in deze regio, en een van de grootste mangrovebossen ter wereld. Er leeft een grote verscheidenheid aan vogels.

En Bengaalse tijgers, nog zo’n 400. Vlakbij het hotel in Mongla charteren we een van de toeristenbootjes om ons dit gebied in te varen. Als er al iets van toeristische infrastructuur is in Bangladesh, dan is het hier bij de Sundarbans. Eerst zijn we verplicht een permit te halen. Normaal krijg je bij deze verplichte toegangsprijs ook een gewapende gids mee, vanwege de dreiging van piraten diep in het natuurgebied. Maar vanwege de feestdagen rondom Eid zijn alle bewakers nog vrij en mogen we op eigen houtje verder.

Met de kostbare permit op zak varen we in een rustig gangetje vlak langs de rand van het dichte oerwoud. Hier en daar wordt dit woud onderbroken door stukjes hoog gras. Vooral dit gras schijnt bij de tijgers populair. We turen daarom scherp naar de oever. Veel meer dan de vrolijk gekleurde ijsvogels zien we echter niet. In het water beweegt er wel het een en ander. Een dolfijntje duikt op en neer schuin voor de boot. Ook een krokodil bekijkt ons van een afstandje.

Met de boot naar Harbaria.
Met de boot naar Harbaria.

Na een uur of vier tuffen met een vaartje van zo’n vijf kilometer per uur bereiken we Harbaria. Dit is het vrij recente bezoekerscentrum van de Sundarbans. Je mag hier aan wal, nadat een strenge opzichter eerst de permit heeft gecontroleerd. Er zijn in Harbaria o.a. een wandelroute en een uitkijktoren aangelegd, zodat je het woud (en wellicht ook de dieren) van dichtbij kunt bekijken.

Wij gaan de wandelroute doen. Nu krijgen we wel een man met geweer mee. Niet tegen de piraten, maar voor het geval een van de 400 tijgers hier ons pad kruist. Het wandelpad is smal en modderig. Aan weerszijden zijn bomen, bomen en nog eens bomen. Je kunt maar een paar meter ver kijken.

De man met geweer loopt voorop, daarachter volgt het hulpje van onze boot (een jongen van een jaar of 13), ikzelf in het midden en achter mij de rest van ons gevolg. Volgens mij heb ik wel de veiligste plek: waarom er alleen een man met geweer voorop loopt en niet ook nog eentje achterop is niet helemaal te verklaren. Onze kleine optocht doet me denken aan die tekenfilmscenes waarin jagers scherp voor zich uit spiedend op zoek gaan naar het af te schieten grote wild, terwijl een bruine beer of wild zwijn vrolijk als laatste in de rij aansluit en ongezien meeloopt.

Een wandeling door het Bengaalse bos.
Een wandeling door het Bengaalse bos.

Op een gegeven moment horen we geritsel. Nu wordt het echt spannend. De bewaker houdt stil en het jongetje voor me wil liefst achter mijn rug wegkruipen. De verhalen over de tijger spoken door ieders hoofd. 400 zijn er nog best veel, en er wordt er met regelmatig eentje gesignaleerd. Meer dan een hertje in de verte zien wij echter voorlopig niet.

We lopen langzaam verder tot de bewaker plots wijst op sporen in de modder: brede, stevige afdrukken van de kussentjes en puntige van de klauwen. Niet al te lang geleden heeft een tijger in tegenovergestelde richting ook dit pad afgelopen. Wat een idee.

Sporen van dieren in de modder.
Sporen van dieren in de modder.

Nog een stukje verderop bereiken we de uitzichttoren. Hier eindigt de dichte jungle en begint de geciviliseerde wereld van het bezoekerscentrum weer. Ik klim omhoog. Helemaal bovenin, met een uitzicht over heel veel bomen, ontmoet ik een Zwitsers gezin. Ze hebben een zoontje bij zich van een jaar of 4, en gaan ook de tijgerwandeling doen. Ik ontkom er niet aan te denken dat het jongetje wel eens een heel geschikte prooi zou kunnen zijn.