Reis om de Wereld
Voeding voor reizigers

Koninkrijk van de Kluizenaars

76

Zuid-Korea is een niet voor de hand liggende vakantie bestemming. Ten onrechte. Het land kent een eeuwenoude cultuur die van grote invloed is geweest op de regio. Hans Damen reisde naar Zuid-Korea en schreef er een reisverhaal over. Met veel humor en oog voor details beschrijft hij zijn ontmoeting met Master Kwon, over sojukramen en een bezoekje aan de Noord-Koreaanse grens. ‘In de bus terug naar Cheju-stad besef ik pas wat de fotosessie betekent; met alle nabestellingen mee kom ik in zo’n 5000 Koreaanse fotoalbums terecht.’

Hans Damen

Als ik voor het eerst in de bus naar Seoul zit, word ik meteen geconfronteerd met één van de minder aangename kanten van Zuid-Korea. De constatering dat de Koreanen enige last hebben van mondgeur is een understatement. Grover maar meer waarheidsgetrouw gezegd: Korea stinkt collectief uit de mond. De oorzaak hiervoor: Kimchi, het nationale gerecht.

Koreaanse huisvrouw

Het gerecht Kimchi is de voornaamste veroorzaker van de onaangename geur. Kimchi is een combinatie van witte kool, rode pepers en knoflook, die men een aantal weken, net als zuurkool, laat fermenteren in aardewerk potten. Iedere Koreaanse huisvrouw zorgt ervoor altijd voldoende Kimchi op voorraad te hebben en dus zie je op alle balkons en binnenplaatsen de bruine aardewerk potten staan. Kimchi wordt gegeten bij ontbijt, lunch en diner, eventueel aangevuld met rauwe tenen knoflook.

Het laat zich dus raden welke lucht er in de bus hangt. Ik probeer niemand recht aan te kijken, maar de bus is zo vol dat ontwijken niet lukt. Het probleem lost zich gelukkig snel op; na een paar dagen heb je zelf zoveel Kimchi op, dat je de stank niet meer ruikt. Intussen zit ik met het probleem dat ik niet weet waar ik uit de bus moet, dus breng ik, voorzichtig ademhalend, het probleem naar voren bij mijn medereizigers. Meteen richt de aandacht (en de adem!!) van een twintigtal passagiers zich rechtstreeks op mij. Na het uitgebreid bestuderen van de kaart en een flinke onderlinge discussie weet men met geruststellende gebaren duidelijk te maken, dat men mij op het juiste moment uit de bus zal helpen.

Goedkope herberg

Bij de desbetreffende halte wordt de chauffeur er door twintig man luidkeels op gewezen dat hij moet stoppen. Dankbaar stap ik de frisse lucht in, waar even later een tropische regenbui losbarst. In een portiek krijg ik van een portier een wegwerpparaplu van plastic en bamboe. Hiermee kan ik op zoek naar mijn goedkope herberg. De wegwerpparaplu houdt het niet lang uit, zodat ik na een half uur al doornat ben. Seoul heeft naast wolkenkrabbers ook stadsgedeeltes van meer dan een eeuw oud. In een van deze oude wijken bevindt zich mijn hotel, dat zich door de moeilijke manier van straatnaamgeving slechts met behulp van een tiental Koreanen laat vinden.

Na twee uur ronddwalen in een betrekkelijk klein gebied bereik ik mijn bestemming en houdt het ook op met regenen. De herberg, gebouwd op traditionele wijze met de kamers rond een (overdekte) binnenplaats, is meer dan een eeuw oud. De herbergier verwent me met een mok thee van een halve liter, waarna ik snel m’n bed opzoek om de jetlag weg te slapen.

De maaltijd wordt bereid.
De maaltijd wordt bereid.

Master Kwon

‘Welcome, welcome’, Master Kwon grijnst van oor tot oor terwijl hij me welkom heet in zijn herberg. De reisgids lijkt in ieder geval gelijk te hebben voor wat betreft de vriendelijkheid van de eigenaar van het Han Jin hostel in Kyong-Ju. Nog steeds breed grijnzend gaat hij me voor naar mijn kamer. In de goedkope herbergen van Korea moet je je daar trouwens niet al te veel van voorstellen.

De kamer bestaat uit een kale vloer, een dun matras en een dikke deken en heeft nog het meeste weg van een isoleercel. Gedurende mijn eerste week word ik dan ook op de vreemdste momenten wakker, omdat elke draai in mijn slaap zich vertaalt in een pijnscheut door mijn heupen. Opmerkelijk luxe is wel de ‘Ondol’, een systeem van vloerverwarming waarmee de Koreanen na de Romeinen op het moderne westen een voorsprong van vele eeuwen hebben.

Stenen beelden.
Stenen beelden.

Master Kwon is een harde onderhandelaar wat de kamerprijs betreft, maar laat even later mijn was doen voor een schijntje. Waar je je ook begeeft in de herberg, overal duikt het lachende gezicht van Kwon op. Hij kent de omgeving op zijn duimpje en zit boordevol tips voor wandelingen en dagtochtjes. De route die hij aangeeft voor de 550 meter hoge Namsa-berg blijkt bezaaid te zijn met duizend jaar oude boeddhabeelden en -rotstekeningen. Het pad naar boven is vrij steil en af en toe zelfs gevaarlijk.

Dit weerhoudt een zevental vrouwelijke pelgrims op leeftijd er niet van om ook naar boven te klimmen. Uit de grote aantallen tassen die ze meeslepen komt een maaltijd tevoorschijn, waaraan de naam picknick onvoldoende recht doet. Zoals zo vaak ontkom ik er niet aan om een hapje mee te eten. De gezamenlijke maaltijd onder de goedkeurende blik van Boeddha duurt ruim een uur. Terwijl ik nog wat zit bij te komen van de maaltijd, spurten de dames verder naar de top, die ik een uur na hen bereik.

Een spectaculaire kant van Kwon blijkt zijn beheersing van Yoga te zijn. Ondanks zijn 64 jaar haalt hij tussen zes en zeven uur ‘s avonds de meest halsbrekende toeren uit op zijn binnenplaats, dit tot groot vermaak van de hotelgasten. Een Zweedse gast die ingaat op de uitdaging om een van zijn oefeningen na te doen (dit met als inzet een gratis verblijf) faalt. Jammerlijk loopt de Zweed dagen later nog met een pijnlijke rug rond. Uit een briefje op het prikbord blijkt dat Master Kwon munten spaart.

Onder uit m’n rugzak komen nog wat guldens, dubbeltjes en kwartjes, die ik graag afsta aan de verzameling. Deze gift wordt gewaardeerd, want als ik ‘s avonds thuiskom staat Kwon me reeds op te wachten. Ik moet de tuin in en genieten van zijn zelfgebrouwen rijstwijn. Samen worden we die avond behoorlijk dronken. Kwon’s beheersing van de brouwkunst blijkt wel uit het feit dat ik de volgende morgen totaal geen last heb van een kater. Net voor m’n vertrek betaal ik m’n rekening en geef hem een paar ansichten van Nederland. Terwijl ik naar buiten loop houdt hij met tegen. ‘Wacht’, zegt hij en duikt in een kast. Hij komt te voorschijn met een paar witte sokken, die versierd zijn met ingeweven rode roosjes. ‘Alsjeblieft’ zegt hij en geeft me de sokken, ‘dan herinner je je master Kwon tenminste als je weer in Holland bent’.

Een koperen beeld.
Een koperen beeld.

Soju

Meer nog dan eten is drinken in Zuid-Korea een ervaring die je niet mag missen. Het gebruik van bier is wijdverbreid in Korea. De twee voornaamste merken Crown en OB zijn in een hevige concurrentieslag verwikkeld. Wanneer Crown een bar opent in een bepaalde straat, dan zal OB snel volgen en omgekeerd. Gevolg hiervan is dat je ook in de kleinste dorpen minstens twee bierbars aantreft. De laatste trend op dit gebied zijn bars met een ‘echt Duitse’ inrichting met veel vakwerk hout en zelfs obers in lederhosen.

Het echte drinken doe je echter niet in een bar, maar op straat. Overal in Het land worden tegen het vallen van de avond de sojukramen opgezet. Soju wordt gestookt van rijstwijn en heeft een alcoholpercentage van 25 procent. De smaak heeft iets weg van jonge jenever en een fles van 0,4 liter wordt verkocht voor omgerekend twee gulden. Naast soju verkopen de kramen ook snacks als gebakken pens, darmen en inktvis maar ook meer herkenbaar vlees als kip en hond. Het verkopen van voedsel heeft tot gevolg dat de mannen die na afloop van hun dagtaak een borreltje gaan drinken niet naar huis hoeven om te eten en pas vele uren later weer uit de kraam komen. De invloed van deze sojukramen op het gezinsleven in Korea laat zich aldus niet moeilijk raden. Nog een stapje lager op de horecaladder en je zit in de, zoals ik ze maar noem, stoepkroegen. Deze worden gevormd door een winkeltje van twee vierkante meter, een ijskast en een tafeltje met een aantal krukjes op het trottoir.

Gastvrij als de Koreanen zijn is het als westerling onmogelijk om een stoepkroeg te passeren zonder uitgenodigd te worden voor een drankje. Omdat ik geen liefhebber ben van sterke drank, weet ik deze uitnodigingen meestal vriendelijk af te wijzen. In Taejon ontkom ik er echter niet aan. De mannen, (drinken is een pure mannenzaak) zitten strategisch opgesteld over het hele trottoir en accepteren geen afwijzing. Zonder veel moeite laat ik me overtuigen. Drinken in Zuid-Korea is vooral een sociaal gebeuren, wat echter niet hetzelfde is als sociaal drinken. In principe schenk je nooit je eigen glas vol. De juiste procedure verloopt als volgt. Je krijgt door een van de gasten met twee handen zijn lege glas aangeboden. Dat glas accepteer je met twee handen en je houdt het zo, dat de aanbieder het glas kan volschenken.

Met een vrolijk ‘Kan Bei’ (proost) sla je het glas achterover, waarna niets je ervan weerhoudt om de aanbieder op dezelfde wijze terug te pakken. Het gezamenlijk gebruik van de glazen is niet erg hygiënisch, maar weigeren is een belediging en alcohol doodt de bacteriën. Het wordt een gezellige avond in Taejon. Terwijl de stemming stijgt ga ik steeds beter Koreaans spreken, terwijl de rest zelfs engelse klanken lijkt te produceren. De avond eindigt wanneer de eigenaar van de stoepkroeg zijn tent sluit. Ik krijg een gedroogde inktvis mee voor onderweg en loop, niet helemaal volgens de kortste weg, terug naar mijn guesthouse. Wanneer ik de trap van het hotel opstommel kijkt de eigenaresse me vanuit haar kantoortje begrijpend aan. Ze zegt slechts een woord: ‘Soju’.

Een beeld van een van de goden.
Een beeld van een van de goden.

5000 albums

De Sunrise-Peak bij het plaatsje Song-San-Po op Cheju-do is een echte toeristische attractie. Cheju-do is een eiland ten zuiden van het land en zonder meer de voornaamste trekpleister voor het binnenlands toerisme. Hoewel de reisbeperkingen die voorheen voor Zuid-Koreanen golden nagenoeg opgeheven zijn, blijft Cheju-do voor de meeste Koreanen reisbestemming nummer één. Een Koreaanse huwelijksreis is niet compleet zonder een bezoek aan Cheju-do. Als toeristen voldoen de Koreanen nagenoeg aan hetzelfde stereotype als de reizende Japanner. Een bezienswaardigheid is er niet om van te genieten, deze dient in zo kort mogelijke tijd gefotografeerd te worden. Daarnaast schijnen Koreaanse ontwikkelcentrales alleen foto’s te kunnen afdrukken, waarop ook mensen staan. Een object is pas fotogeniek als er een of meerdere leden van de familie of het reisgezelschap voorstaan. Ik incasseer dan ook regelmatig meewarige blikken wanneer ik een foto maak van een tempel waar niemand voorstaat.

Het komt zelfs voor dat mijn camera met zachte drang uit mijn handen wordt genomen, zodat men mij tegen de passende achtergrond kan fotograferen. Zoals het hoort. Sunrise Peak moet als attractie wedijveren met de talrijke Harubang- of grootvaderfiguren die Cheju-do rijk is. De Harubangs, twee meter hoge beelden van lavasteen, vertonen een opvallende gelijkenis met de beelden op Paaseiland. Je treft ze werkelijk overal op het eiland aan. Er is echter maar een Sunrise peak.

De Peak bestaat uit de krater van een uitgedoofde vulkaan en ligt op het oostelijk puntje van Cheju-do. Zoals de naam al aangeeft is dit de plaats om de allereerste stralen van de zonsopkomst mee te pikken. Dit vereist wel een zeer vroege aanwezigheid en dat is iets wat zich in de vakantie moeilijk laat opbrengen. Ik ben echter niet de enige die van uitslapen houdt. Als ik rond halfelf bij de Peak aankom arriveren ook de eerste tourbussen met Koreanen die net als ik de zonsopkomst gemist hebben.

De Koreanen storten zich massaal op de talrijke winkeltjes met souvenirs en snacks. De mini-harubangs en gedroogde inktvissen mogen zich in een grote belangstelling verheugen, terwijl ik, net voor de grote stroom uit, begin aan de beklimming van de peak. De 200 meter hoogteverschil naar de top mag dan niet echt een uitdaging vormen, de temperatuur van 33° Celsius zorgt er toch voor dat ik hijgend en nat van het transpireren boven arriveer. Ik zijg neer op een rotsblok, maar veel rust is me niet gegund. Na twee minuten staat er een meisje van een jaar of veertien voor me die in het Koreaans iets van me wil. Snappen doe ik het niet dus ik geef haar een ansichtkaart van Amsterdam. Die wordt in dank aanvaard, maar dat was toch niet de bedoeling. Ze probeert het nog even, maar wanneer ze merkt dat ik echt geen Koreaans spreek, grijpt ze me resoluut bij de arm. Ik word meegesleept naar de rand van de vulkaan en neergepoot tussen een zestal giechelende Koreaanse meisjes.

Nog een beeld.
Nog een beeld.

Op de foto

Inmiddels is me duidelijk geworden dat ik als exotisch element wordt gebruikt om de foto van de inderdaad ietwat saaie krater te verlevendigen. Braaf zeg ik een keer ‘cheese’ en herhaal dit een paar keer voor de camera’s van de andere meisjes. Hiermee is het hek echter van de dam. Binnen de kortste keren hebben ook de andere aanwezigen de fotografische mogelijkheden van mijn aanwezigheid door. Eén voor één of in groepen tot dertig personen willen ze met me op de foto. Omdat ze in een eindeloze stroom komen de berg opkomen, gaat ook het fotograferen achter elkaar door. Aanvankelijk probeer ik nog wat te protesteren, maar al erg snel ga ik er de lol van inzien.

Anderhalf uur lang neem ik de gevraagde poses aan en laat me braaf letterlijk honderden keren op de gevoelige plaat vastleggen. In de bus terug naar Cheju-stad besef ik pas wat de fotosessie betekend; met alle nabestellingen mee kom ik in zo’n 5000 Koreaanse fotoalbums terecht. Licht geamuseerd bedenk ik dat dit toch wel een aardige manier is om bij te dragen aan de toenadering tussen Oost en West. De kloof blijft echter bestaan. Ik weet niet in welke albums ik allemaal zit, terwijl zij zich eeuwig af zullen blijven vragen wie toch die lachende, lichtverbrande westerling.