Met de jeep door de middeleeuwen

door Reis om de Wereld
Gepubliceerd: Laatst ververst op 89 views

Volgens Fred Ameling bestaan de Middeleeuwen nog. Hij reisde tweeduizend kilometer door een van de eenzaamste en dunstbevolkte landen ter wereld: Mongolië. Hij reed over karrensporen, steppegras en woestijnpistes, kwam steevast de Grote Dzjengis Khan tegen en maakte kennis een echte Mongoolse nomadenfamilie. ‘Wie wil weten hoe de onderdanen van de Grote Dzjengis Kahn eigenlijk leefden, 700 jaar geleden, moet naar Mongolië gaan. Een handjevol toeristen bezoekt dit land.’

Fred Ameling

Mongolië, je moet er geweest zijn om het te kunnen geloven. De middeleeuwen bestaan nog, in het Verre Oosten, tussen Siberië en China. Daar is een westers lijkende hoofdstad met ruim een half miljoen inwoners, Ulaanbaatar. Maar verder is er een leeg land waar anderhalf miljoen nomaden wonen, anderhalf mens per vierkante kilometer. In een land drie maal zo groot als Frankrijk. Waar geen wegen zijn. Nou ja, 1200 kilometer asfaltweg, soms bar slecht, de afstand ongeveer van Amsterdam naar Marseille.

Dzjengis Kahn

Verder in hoofdzaak karrensporen die in de regentijd in modderpoelen veranderen. Wie wil weten hoe de onderdanen van de Grote Dzjengis Kahn eigenlijk leefden, 700 jaar geleden, moet naar Mongolië gaan. Een handjevol toeristen bezoekt dit land. Ongeveer 7000 per jaar, al jaren op een rij. Mijn vrouw en ik reisden tweeduizend kilometer door de middeleeuwen. Over karrensporen, steppegras en woestijnpistes. Samen met chauffeur Oolzi en gids Tunga, een pittige Mongoolse dame, in een Toyota Landcruiser.

Met als bagage twee tenten, voldoende eten en te weinig water. We zagen het land, de steppen, de woestijn en de enorme kudden vee. We zagen vooral ook de mensen. We bezochten de nomaden in hun gers, we zagen hoe primitief ze leven en we aten van hun lekkernijen. De start van elke Mongoliëreis is in de enige stad van betekenis in dit land, Ulaanbaatar. Na acht dagen kwamen we daar ook weer terug. Met buikloop en de nieren ietwat verzakt, maar dat gaat over, of het went. De westerse aanblik van Ulaanbaatar is te danken aan de Russen.

Ulan Bator

Tijdens zeventig jaar communistische afzondering heeft grote broer de stad volgebouwd met betonblokken, flats waarheen veel plattelandsbewoners vanuit hun nomadententen overgehuisd zijn. Toen heette de hoofdstad nog op z’n Russisch Ulan Bator. Sinds de val van het communisme is de ontwikkelingshulp uit Moskou gestaakt. Nu is er woningnood, want Mongolië is arm, straatarm. Gebouwd wordt er niet meer. Het grootste deel van de bevolking, de nomaden, heeft een economie van ruilhandel. Dat levert geen deviezen op voor aankoop van staal of vrachtwagens. Het land is wel rijk aan delfstoffen, maar die zijn moeilijk te exploiteren. En te transporteren over karrensporen. Ulaanbaatar betekent ‘grote held’. Daarmee moet wel bedoeld zijn de man die hier steevast de Grote Dzjengis Khan genoemd wordt, de vroegere veroveraar, de trots van modern Mongolië. Zijn portret kom je overal tegen. Het centrum van de stad is het Sukhbaatar plein, waaraan monumentale gebouwen: het parlement, het cultuurpaleis, het theater en de effectenbeurs anno 1992. De stad heeft verschillende musea. Het Natuurhistorisch Museum is heel informatief, maar opvallend interessant is het Zanabazar Museum voor Schone Kunsten. Hier is een collectie eeuwenoude kunstvoorwerpen tentoongesteld. Andere bezienswaardigheden van de stad zijn het winterpaleis van de koning, de Bogd Khan, en Gandantegchinlen Khiid, zeg maar het Gandan klooster. Mongolië heeft veel landschappen: bergen, bossen, meren, rivieren en woestijn.

Landschappen zoals je die op veel plaatsen in de wereld kunt vinden. Maar wat het land zo bijzonder maakt, dat zijn de schitterende steppen, de dieren en vooral de Mongoolse mensen. Dwalend op hun kleine paardjes over glooiende groene grasvlakten, leven ze nog precies zoals hun voorouders zeven eeuwen geleden. De enige vooruitgang lijkt het bezit van een verrekijker te zijn, handig om te zoeken naar verdwaald vee. Want kudden vee kom je overal tegen. Ook herders en elke paar kilometer kleine groepjes gers, ronde, witte nomadententen van dik vilt. In het Russisch heten zulke tenten joerts. Ze staan meestal in groepjes, de gers. Waar steeds met grote gastvrijheid airag, yakroom, gedroogde yoghurt en andere lekkernijen klaar staan voor elke bezoeker die aan de deur klopt.

Ovoo

Driehonderd kilometer maar de eerste dag. Een makkie, denken we. Dat klopt tot de eerste nederzetting, waar de asfaltweg ophoudt. Op onze kaart is één weg getekend naar het zuiden, naar Mandalgov, een provinciehoofdstad en ons doel van die dag. Maar vreemd genoeg heeft Tunga aangekondigd dat we die weg zullen mijden. Ze rijdt liever door de bergen, heeft ze gezegd terwijl ze met haar wijsvinger een onbestemde veeg over de kaart gaf. Buiten het eerste dorp, op een kruispunt van grindsporen, stopt Oolzi bij een berg stenen. “Dit is een ovoo,” zegt de gids, ‘hier moeten we drie maal omheen lopen, voor een behouden reis.” En daar gaat ze al, de chauffeur sjokt mee, driemaal in de rondte, en wij er achteraan.

Eigenlijk hadden we niet op grote gevaren gerekend. Alle vier gooien we enkele stenen op de hoop, anderen zijn ons al voorgegaan de ovoo groter te maken, soms met flessen, frisdrankblikjes of kleurige lappen. We zullen nog veel van die steenhopen tegenkomen, ze worden beschouwd als heilige plaatsen. Maar voor al die andere ovoo’s stappen we niet meer uit de auto, Oolzi rijdt wel altijd keurig links erlangs, want dat hoort zo.

De verlaten steppe van Mongolië.

De verlaten steppe van Mongolië.

Daarna begint de grote puzzelrit over sporen her en der, langs ontelbare kruisingen. Oolzi kiest dan weer een linker-, dan weer een rechterspoor. Steeds ongeveer in zuidelijke richting. De gids vertelt dat de chauffeur zich oriënteert op de zon en op een heuvelrug die soms in het westen schemert. Het uitzicht is heel bijzonder, grasgroene golven zover het oog reikt. Heel indrukwekkend, na elke groene heuvelrug steeds weer een nieuwe. En overal sporen die nergens naartoe lijken te leiden.

Af en toe zien we een herder te paard, dan weer enkele gers met kudden vee in de buurt. Koeien, schapen, geiten, yaks, veel paarden en hoe zuidelijker, hoe meer kamelen. Alleen ben je hier dus niet, maar dorpen of andere nederzettingen liggen ver uiteen. De steppe krioelt van de dieren, behalve vee zien we kraanvogels, gazellen, woestijnvossen, marmotten, grondeekhoorns, veel soorten muizen en andere kleine diertjes die hun hol invluchten zodra onze jeep dichtbij komt. Boven die gedekte tafel hangen opvallend veel roofvogels, arenden, buizerds, valken, die in dit boomloze landschap nogal makkelijk hun prooi kunnen verschalken.

Een complete nomadenfamilie staat hier keurig gereed om te poseren.

Een complete nomadenfamilie staat hier keurig gereed om te poseren.

Thuis bij de nomaden

We stoppen bij een ger. “Kennst du diese Leute, Tunga?” Nee, Tunga is er nog nooit geweest. Maar in dit land kan je bij elke familie aankloppen voor een bezoekje, verzekert ze. Een vrouw steekt haar hoofd buiten de houten toegangsdeur die beschilderd is met geometrische figuren. Gelukssymbolen, zegt Tunga. Kinderen drommen om ons heen om het bezoek uit de andere wereld te bekijken. Familieden uit andere gers komen ook aangelopen, we bukken voor de lage deuropening om door het gedrang naar binnen te komen.

De gastvrouw begroet ons vriendelijk, ze roert in een dampende pan op het kacheltje dat in elke ger het centrum is. Je weet niet wat je ziet als je voor het eerst zo’n nomadentent binnenkomt. Kleurige tapijten tegen de wand, bont beschilderde kastjes met enkele snuisterijen en een paneel vol familiefoto’s, in elke ger keurig gerangschikt naast het huisaltaartje. We worden naar de rechterkant gedirigeerd, naar een tafeltje met twee lage krukjes.

In elke ger hangt links aan de zijdeur een leren zak vol zure airag, de nationale lekkernij.

In elke ger hangt links aan de zijdeur een leren zak vol zure airag, de nationale lekkernij.

Onwennig kijken we rond vanuit deze nederige zetels. Behalve de kachel, enkele bedden, kastjes met kookgerei en het tafeltje is er geen spoor van comfort te ontdekken. Geen elektrisch licht, geen radio, geen kraan of pomp, geen ramen De krukjes lijken de ereplaatsen te zijn, om ons heen hebben mannen, vrouwen en kinderen een plekje op de bedden gezocht. En kijken ons aan. De gastvrouw gooit met een verlegen glimlach wat gedroogde uitwerpselen in het kacheltje zodat het vuur begint te snorren. Dan presenteert ze ons elk een kom met witte drank. Alle Mongolen zijn hier dol op. Het is gegiste paardenmelk, airag, een licht alcoholhoudende drank.

Vier tot zeven maal per dag worden de merries gemolken. De melk verdwijnt in een grote leren zak die in elke ger links van de deur hangt. Met een houten stamper wordt de inhoud ettelijke malen per dag geroerd. Na 600 maal stampen is de bovenste laag klaar, een zurige drank. Heerlijk … voor Mongolen dan. Wij nippen beleefd aan de kom en prijzen het gebodene. We maken foto’s en snoepen van het schaaltje yakroom dat intussen ook voor ons is klaar gezet. We lachen maar eens vriendelijk naar ons publiek. Dat lacht vriendelijk terug.

Bij het vertrek geven we de gastvrouw enkele cadeautjes, naaigerei en een ansicht uit Holland, die speciaal voor zulke gelegenheden zijn meegebracht. Zij stopt ons een handvol brokken gedroogde kwark toe, voor onderweg. Best lekker om te kauwen, aangenaam zuur en verfrissend. Later zien we dat deze kwark in de zon op het dak van de ger gedroogd wordt. Tijdens onze rondreis bezoeken we vaker nomadenfamilie’s. En steeds is er die vriendelijke ontvangst, de kleine hapjes, de schalen airag en soms een beker destillaat van melk (Milchschnaps, zegt Tunga), of een glaasje wodka, een erfenis van de grote broer uit het westen.

Eén ergernis heb ik achteraf aan die bezoekjes over gehouden. Tot drie maal toe zien we dat voor het maken van een foto van een keurig aangeklede baby, vlug het broekje uitgetrokken wordt en dat fier de blote onderbuik naar de camera wordt opgeheven. Soms is het een meisje, soms duidelijk niet. En finaal vergeten om aan de gids te vragen waar dat nou wel goed voor was. Hoe oliedom!

Slapen in een toeristenkamp

Behalve een enkele nacht in de meegenomen tent, zullen we meestal overnachten in toeristenkampen die hier en daar in het lege land zijn opgericht. Twee of vier reizigers delen een ger waarvan er enkele tientallen bij elkaar gezet zijn. Dit lijken betere onderkomens voor verwende westerlingen dan primitieve hotels in de armetierige stadjes die we in het binnenland zien. Onderweg naar het kamp in de buurt van Mandalgov volgen we ook even de hoofdweg vanaf Ulaanbaatar. Nu zien we waarom Tunga liever door de bergen dwaalt dan over deze ‘weg’ te reizen.

Tien, twaalf karrensporen naast elkaar, in de regentijd diep uitgesleten door het sporadische vrachtverkeer, onze Toyota hotst en botst er van de éne kuil naar de andere. We zijn verrast over de grote kudden paarden die we zien. We weten, Mongolen en paarden zijn onafscheidelijk, maar zoveel? De gids legt uit dat het bezit van paarden voor de nomaden geldbelegging is.

Banken kunnen immers failliet gaan en de rente kan dalen. Maar paarden zijn nuttig, ze houden lang hun waarde, ze zijn vervoermiddel en leveren melk en brandstof, en uiteindelijk vlees en leer. Rijke families kunnen wel tot duizend paarden bezitten. We vallen bijna uit de jeep van verbazing. Later, als onze picknickplaats op de kale steppe strategisch gekozen wordt in de buurt van rotsblokken, gaan we om de beurt daarachter discreet even ‘naar de paarden kijken’. Na twaalf uur dwalen en hobbelen door de groene wereld en veertig keer de weg vragen aan herders en bij gers, komt in de schemering eindelijk ons kamp voor die nacht in zicht. Twintig gers, een restauranttent en een toiletgebouw in de groene eenzaamheid.

We zijn de enige gasten, vier reizigers voor al die tenten. We boffen, want de generator doet het, we kunnen douchen met warm water en in de keuken is de kokkin direct al aan de slag gegaan. Het menu van die dag bestaat uit wat de Russen pelmeni noemen, Tunga ‘Maultäschen’ en de Italianen ravioli. Hier zijn ze zo groot als een flinke peer, gevuld met schapenvlees. Met drie van die peren bij elkaar, een fles bier en een flink bord tomatensla, worden honger en dorst met gemak verslagen. Later horen we dat Tunga de tomaten uit Ulaanbaatar meegebracht heeft. De zachte bedden in onze ger bieden zoete rust. In de stille steppe is het ronken van de generator de enige dissonant. Maar het huilen van verre wolven schept gelukkig toch een echte couleur locale. “Hoor je de wolven,” zegt mijn vrouw. Ik brom: “Er staat een raster rond het kamp,” en draai me lekker om onder de dikke deken.

Gobi woestijn

De rondreis brengt ons in de Gobi woestijn bij het zuidelijk gelegen Dalanzadgad, twee dagen heen en twee dagen terug. Wel ver voor bezoekjes aan een kleine kloof en aan Bayansag, de plek waar in 1922 door Amerikanen veel dinosauriërbotten en -eieren zijn opgegraven. De Gobi mist de schoonheid van bijvoorbeeld de Sahara, Taklamakan of de woestijn in Jordanië.

Wij zagen slechts grote vlakten, groenig begroeid met taaie rotsplantjes. Later kamperen we in Saikhan Ovoo bij de ruïnes van één van de honderden kloosters die in de tijd van Stalin verwoest zijn. Hier wast Tunga de groenten voor ons diner in de rivier. Helaas hebben we daarvan gegeten. Allebei vier dagen darmklachten. Vanuit Khujirt bezoeken we een kleine waterval van de schilderachtige Orkhon rivier. Om er te komen bonken we tachtig kilometer vice versa over scherpe lavarichels, een kwalijke aanslag op voertuig en nieren. In Kharkhorin bezoeken we het interessante Erdene Zuu klooster, dat in de 16e eeuw gebouwd werd op de plek waar eens de hoofdstad van het rijk van de Grote Dzjengis Kahn was. Erdene Zuu is omringd door een lange, lange muur waarbinnen eens honderd tempels stonden. Sinds de jaren dertig zijn daarvan nog drie over…

De Highlights van Mongolië?

De Highlights van Mongolië werd onze tocht genoemd in de brochure van de reisorganisator waar we deze rondreis kochten. Maar niet de opgesomde waterval, zandduinen (nauwelijks zes meter hoog), dinosauriërvindplaats of kloof waren voor ons de lange reis waard. Als hoogtepunten van dit land hebben wij ervaren de oneindig golvende, groene steppe, de indringende kennismaking met de leefwijze van de nomaden, hun gastvrijheid en vriendelijkheid en de musea van Ulaanbaatar. Ons plezier onderweg werd trouwens een beetje bedorven door de gids, toen halverwege de te kleine voorraad mineraalwater opraakte. We dronken teveel, zei ze daarover.

In de woestijn, bij temperaturen van 30-35 graden Celsius, bij ritten van 10-12 uur per dag, terwijl er full board op onze voucher stond. We kochten toen zelf maar voor onderweg in de ger-campings ons mineraalwater. Voor twee dollar per fles. Van een halve liter. Terug in de hoofdstad hield onze gids het voor gezien, hoewel we nog een dag sightseeing te goed hadden. Na beklag bij haar baas, de manager van reisbureau Juulchin, wees die ons gelukkig een andere gids toe, Battulga, een werkeloze journalist. Van deze vriendelijke man hebben we in een halve dag meer over het leven in Mongolië geleerd dan van Tunga in al die dagen ervoor.

Gerelateerd

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we er vanuit dat ermee instemt. Prima! Lees meer