Reis om de Wereld
Voeding voor reizigers

Met de trein door de Noorse bergen

119

Met de trein reist René Hoeflaak in november door Noorwegen en bezoekt hij de steden Bergen, Oslo en Trondheim. Een reis waarin regen overgaat in sneeuw. ‘Enkele straten verder is het Radhuset, het stadhuisplein van Oslo. Het blokken stadhuis zelf doet mij denken aan een DDR overheidsbouwwerk uit de jaren vijftig’, schrijft René. Een reis met voetbal- en schaatsherinneringen, forten en kanonnen, paleizen, parken en volle terrassen. Een reis door een kerstkaart. “Wat heeft u hier te zoeken? Er is hier niets anders dan regen” is de meest gestelde vraag. “Velkommen ombord”.

René Hoeflaak

Met de trein reist René Hoeflaak in november door Noorwegen en bezoekt hij de steden Bergen, Oslo en Trondheim. Een reis waarin regen overgaat in sneeuw. Een reis met voetbal- en schaatsherinneringen, forten en kanonnen, paleizen, parken en volle terrassen. Een reis door een kerstkaart. “Wat heeft u hier te zoeken? Er is hier niets anders dan regen” is de meest gestelde vraag. “Velkommen ombord” Einde van een novembermiddag. Aankomst op het vliegveld van Bergen. et is aardedonker, uitgestorven, het waait hard en de regen klettert op het asfalt. “Wat brengt u in Bergen? Meer als regen en wind heeft Bergen u namelijk niet te bieden”. Het zijn de welkomstwoorden van de vriendelijke chauffeuse van de Airport Shuttlebus. Dat belooft veel goeds.

Op twee kraaien na is er weinig te beleven bij de Bergenhus Festning. (foto: René Hoeflaak)
Op twee kraaien na is er weinig te beleven bij de Bergenhus Festning. (foto: René Hoeflaak)

Na aankomst in het Strand hotel in Bergen neem ik een pint in één van de vele pubs. “Wat doet u u in Bergen?” vraagt een lokale gaste. “Vakantie??!!!”, “waarom hier en waarom nu?”. Nog geen twee uur in Noorwegen en de vraag is nu al niet origineel meer. Tien minuten later zit ik aan tafel met enkele lokale dames en een vriendelijke drinkebroer uit Stavanger om het antwoord op deze vraag toe te lichten. Een pint bier kost 60 kronen (circa zes Euro).

Dat belemmert mijn “nieuwe vrienden” niet om flink door te drinken. Sinds enkele maanden geldt ook in Noorse horecagelegenheden een rookverbod. Veel cafés komen kleunende rokers tegemoet door buiten straalkachels en lampen op te hangen. Zo ook in deze pub. Ondanks een buitentemperatuur van 3 graden boven nul is het gezellig druk en dringen op het buitenterras. Bergen is de natste stad van Europa. Het regent hier driehonderd dagen per jaar en zo ook deze ochtend. De vismarkt tegenover het hotel aan de stadshaven maakt een trieste indruk. Het zeil van de marktkramen doet dienst als schuilplaats.

Regen gaat over in sneeuw. De trein kronkelt over besneeuwde bergen (foto: René Hoeflaak)
Regen gaat over in sneeuw. De trein kronkelt over besneeuwde bergen (foto: René Hoeflaak)

Bryggen

Onder een paraplu draaf ik naar de nabij gelegen Bryggen. De houten huisjes aan de Bryggen staan op werelderfgoed lijst en liggen aan de haven. Honderden jaren geleden was dit het hoofdkwartier van de Hanzeaten en hielden zij hier drink- en eetfestijnen. Over de natte, gladde houten vlonders glij ik door steegjes langs restaurants, knusse cafés en kleine winkeltjes.

Het gaat nog harder regenen en waaien. Dankzij de Noorse degelijkheid van mijn paraplu blijft de waterschade beperkt tot twee natte voeten. Ik spring verder over regenplassen naar de Bergenhus Festning. Helaas is de vestingtoren gesloten. Op twee kraaien na is hier geen leven te bekennen. Logisch, want onder deze weersomstandigheden is hier niets te beleven.

In de Floibanen naar de Floifjell zit ik in ieder geval droog. Deze kabelbaan/gondel brengt me in enkele minuten naar het bekendste uitzichtpunt van deze tweede stad van Noorwegen. Zelfs in de regen is het uitzicht op zee, fjorden, de stad en de havens de moeite waard. Volgens een aanwijsbord is dit het startpunt voor aanlokkelijke bergwandelingen. Maar als het ergens nu geen weer voor is, dan is het wel voor een bergwandeling. “Wat heeft een toerist nu hier te zoeken?” vraag ik toch ook mijzelf af. Het vooruitzicht van de treinreis naar Oslo morgen maakt veel goed.

Koninklijk Paleis. Oslo
Koninklijk Paleis. Oslo (foto: René Hoeflaak)

Bergensbanen

Het is donker als de trein stipt volgens dienstregeling in de vroege ochtend vertrekt uit station Bergen. De conducteur heet mij “velkommen ombord”. Blijkbaar gaan we sneeuw en kou tegemoet want de kachel draait op volle toeren. Na een uurtje wordt het licht en gaat de regen over in sneeuw. Als een slang kronkelt de trein over besneeuwde en verlaten alpenweiden, langs dorpjes, beken, bevroren meren en dennenbossen over de Bergensbanen. Een’”real life” kerstkaart?

De noordpool? Nee, de Noorse bergen. Volgens het routeboekje van de Noorse Spoorwegen rijden we op ongeveer 1.000 meter hoogte. Vanuit een luie stoel voor het raam in de restauratiewagon geniet ik van het fraaie natuurschoon van de Noorse bergen. We stoppen af en toe op de stations van verlaten (wintersport)plaatsen als Myrdal en Finse, het hoogstgelegen station van de Bergensbanen op ruim twaalfhonderd meter boven de zeespiegel. “Uitkijken bij het uitstappen” waarschuwt de conducteur, verwijzend naar de gladde perrons. De winter is hier al in volle gang.Onder een stralende zon laten we de bergen achter ons.

Sneeuw en regen hebben plaatsgemaakt voor een strak blauwe hemel. Enkele honderden kilometers rijdt de trein langs blauwe meren, fjorden en groene landschappen. In de restauratiewagon zit de stemming er goed in. Mijn gemijmer wordt onderbroken door vriendelijke supporters van voetbalclub Brann Bergen. Zij gaan naar Oslo voor de bekerfinale tegen Lyn. De voorbijrazende natuurfilm boeit hen niet. Zij hebben meer belangstelling voor de drankvoorraad en mijn parate voetbalkennis. Net zo min als de leden van een Italiaanse Jazzband, op tournee door Noorwegen. Zij beproeven de opgewarmde pizza’s. Na zeven keer “We beated PSV” en bijna vijfhonderd kilometer, bereiken we rond drie uur in de middag het moderne en gerenoveerde treinstation van Oslo.

stadhuis oslo
Stadhuis van Oslo doet mij denken aan een DDR bouwwerk. (foto: René Hoeflaak)

Oslo

Mijn hotel in Oslo, aan de rand van het overzichtelijke en kleine centrum ligt vlakbij Slottet, het gele werkpaleis van Koning Harald V.. Voor de paleistrappen staan twee wachters. Ik ben net op tijd voor de wisseling van de wacht. Ik hoor hierbij geen trompetgeschal. Dus de koning is niet thuis is. Eén wachter stampt met zijn voet en kijkt mij afkeurend aan.

De boodschap is duidelijk; Mijn voeten hebben een koninklijke grens overschreden. Het paleis ligt in het stadspark Slottsparken. Op het grindplein en bij het standbeeld van Koning Karl XIV voor het paleis zijn de toeristen op deze zaterdagochtend op één hand te tellen. Aan de overkant van het park beginnen de wandel- en winkelstraten van het centrum. Hier ook bevindt zich het merendeel van de historische en architectonische bezienswaardigheden.

De gebouwen zijn, net als het paleis, geelbruin gekleurd. Vooral het plein op de Karl Johans Gate is indrukwekken. Rondom dit plein staan statige en kolossale bouwwerken als de aula van het universiteitsgebouw met haar pilaren, het Historisk Museum en Nasjionallgalleriet. De straten rondom dit plein zijn opgebroken zoals een groot deel van het centrum.

Oslo moet er over vijf jaar anders uitzien. Op enkele supporters van Brann Bergen na is het ook hier weer erg rustig. Schuin tegenover dit plein loop ik via het Nationale Theater naar Stortinget, het parlementsgebouw. Het gebouw oogt erg klein en slecht onderhouden voor een doorsnee parlementsgebouw. De opengebroken straten en bouwputten rondom het gebouw maken de aanblik niet fraaier. Nee, dit moet één van de lelijkste, zo niet het lelijkste parlementsgebouw ter wereld zijn.

Op het plein voor het parlementsgebouw speelt de fanfare van voetbalclub Brann Bergen en start een optocht. Onder toeziend oog van twee politieagenten te paard houden de twee rivaliserende supporters optochten door de stad en vieren zij gezamenlijk feest. Op een geknalde ballon na, blijft de sfeer gemoedelijk. Dat zijn wij in Holland wel anders gewend.

Enkele straten verder is het Radhuset, het stadhuisplein van Oslo. Het blokken stadhuis zelf doet mij denken aan een DDR overheidsbouwwerk uit de jaren vijftig. Eén vierkant gebouw met twee torens. Op de trappen van het stadhuis staan beeldhouwwerken van ijverige arbeiders met gereedschap. Het radhuset ligt aan de Pipervika haven en naast de Akerhus Festning, de vesting van de stad.

Hier kan je wel enkele uren doorbrengen. Zo wandel ik over het vestingcomplex en over de vestingmuren. Binnen de vestingmuren wordt een peloton soldaten afgemarcheerd. Ook het oorlogs- en legermuseum is in de vesting. Op het plein voor het museum staan kanonnen en tanks. Binnen het museum krijg ik een indruk van de oorlogsgeschiedenis van de Noren en verkopen ze lekkere broodjes. Als ik het museum verlaat is het alweer donker.

Nevel en zon op het station van Otta . (foto: René Hoeflaak)
Nevel en zon op het station van Otta . (foto: René Hoeflaak)

Ard en Keessie

De volgende ochtend loop ik vanaf mijn hotel naar het Bislett stadion. Het stadion roept bij mij jongensachtige herinneringen op aan de gloriedagen van Ard en Keessie. Nu ik toch in de buurt ben, heb ik er wel een stevige wandeling voor over om een kijkje te nemen. Helaas, bij aankomst blijkt het stadion niet meer dan een bouwput te zijn.

Het stadion is afgebroken en de herbouw is onlangs gestart. Wat herinnert aan Bislett is het informatiebord van de aannemer aan de rand van het bouwterrein. Ik kijk over de bouwput en denk aan de vele baantjes die Ard Schenk en Kees Verkerk hier hebben geschaatst. Ik sta op een legendarische plaats. Niet ver van het Bislett stadion is het Frognerpark.

In dit park staan honderdvijftig beeldhouwwerken van Gustav Vigeland. Wat opvalt is de drukte. Niet eerder zag ik in Oslo zoveel mensen bij een attractie. “De beelden geven de diverse fasen van het leven weer”, zo lees ik in mijn reisgids. Op een brug aan het begin van de openluchttentoonstelling staan niet alledaagse beelden van mannen met baby’s, vrouwen met mannen, vrouwen met baby’s. De brug gaat over in een pad naar een zeventien meter hoge obelisk met ineengestrengelde personen. Vanaf hier kijk ik uit over het park en zie ik pas goed hoe druk het is.

Trondheim, Stiftsgarden
Trondheim, Stiftsgarden; logeerverblijf van de koning. (foto: René Hoeflaak)

Dovrebanen

Ook de trein naar Trondheim vertrekt precies op tijd. “Mijn stoel” in de restauratiewagon staat al klaar. Even voorbij Lilleström wordt het licht. De trein kronkelt langs het Mjøsa meer, omgeven door dennenbossen. Het aantal tunnels onderweg is aanzienlijk minder dan op de Bergenbanen. Naar mate we stijgen, hoe smaller de Mjøsa.

Mistpluimen steken uit boven de dennenbomen en onderbreken de zonnestralen. Vooral het zicht van de smalle miststroken boven de dorpjes in het dal, is een aparte ervaring. Op de stations is het zowel zonnig als nevelig. Vlak voor het station van Hamar zie ik het Olympisch stadion. We rijden nu in het hart van de Noorse bergen en temidden van de Noorse wintersportgebieden. Na Dombas rijdt de trein een uur over de Dovrefjell, een uitgestrekt natuurgebied dat mij doet denken aan de toendra.

Aan de horizon zie ik besneeuwde bergtoppen. We stijgen naar een hoogte van duizend meter. Vanuit mijn stoel kijk ik uit over uitgestrekte sneeuwvlaktes. Is dit de Noordpool, de Andes of de Himalaya. Nee, dit is Noorwegen. Bij Oppdal verdwijnt de sneeuw. Het asfalt op de verlaten snelwegen langs het spoor ziet er glad en gevaarlijk uit. “De winter komt hier ieder jaar weer als een verrassing”, aldus een medepassagier uit Beråk, de eerstvolgende stopplaats. Bij zonsondergang, rond half vier, arriveert de trein in Trondheim.

Trondheim
Trondheim, uitzicht vanaf de rode brug op Nedre Elvehavn. (foto René Hoeflaak)

Trondheim

Het centrum van Trondheim bestaat uit slechts enkele (winkel)straten. Er zijn opvallend veel kroegen. Tussen de kroegen en winkels loop ik bijna de Stiftsgarden mis. Deze voormalige patricierswoningen dienen nog steeds als logeerverblijf van de koning. Via de vrij toegangelijke achtertuin loop ik naar de Nidarasdomen.

De Nidarasdomen is de bekendste en grootste kathedraal van Noorwegen. Het is de blikvanger van Trondheim. De bouw van de kerk is duizend jaar geleden begonnen. Door de jaren heen is steeds weer een stuk aan de kerk gebouwd. Tot het begin van de vorige eeuw werden de Noorse koningen in de kerk gekroond. De geschiedenis van de kerk vertelt veel over de geschiedenis van het land. Zowel in als rond de kerk is het, net als overal in Noorwegen, een oase van rust.

En dan te bedenken dat de kerk in het hartje van de stad ligt. De binnenkant van de kerk is niet interessanter dan een gemiddelde kathedraal in ons eigen land. Het museum in het voormalige het paleis van de aartsbisschop is wat mij betreft meer de moeite waard. Het museum geeft een goed beeld van de geschiedenis van de stad en Noorwegen.

In de donkere kelder van het museum loop ik over de overblijfselen van de vloer van de Muntslagerij. Uit onzichtbare speakers wordt de sfeer uit de twaalfde eeuw ondersteund door het geluid van muntslagen. Even waan ik mij in de middeleeuwen. Ik ben de enige bezoeker. De conservator vraagt of hij de videofilm over de geschiedenis van Trondheim mag starten. “Special Service, Sir”.

Op de honderden jaren oude brug over de Nidelva is het glad. Stapvoets loop ik over de brug. Na een korte klim loop kom ik uit bij de Kristiansen Festning. Het fort beschermde Trondheim tegen invallen uit Zweden. Vanaf het fort overzie ik Trondheim en omgeving en volg ik de rails rondom het station.

Voor ik het weet is het weer donker en zit de laatste dag van de reis erop. Nog maar even naar het Wetenschapmuseum. De onderschriften bij de opgezette dieren is in het Noors. Uit de bijbehorende landkaartjes kan ik zien waar ik had moeten zijn om ze in levende lijve te zien. En ook hier ben ik weer de enige bezoeker. Ik moet denken aan het welkomstwoord in de taxi in Noorwegen, een week terug: “Wat heeft u hier in November te zoeken?” Wel, het Noorse rijk, geheel voor mijzelf alleen. “Velkommen ombord”.