Home Reisverhalen Reizen door Bryce Canyon, Zion en Death valley

Reizen door Bryce Canyon, Zion en Death valley

2597
0
DELEN
Bryce canyon
Otherworldly views’ in Bryce.

Teus Lebbing en haar reisgenote reden in hun 4WD Isuzu door het westen van de VS en bezochten onder meer Bryce Canyon, Zion en Death Valley, één van de warmste plekken op deze aarde. Ze rijden door de staat Utah, waar ze getroffen worden door de gezelligheid van de restaurants. ‘Ongelooflijk dat ze daar niet meer van weten te maken. TL-verlichting, oncomfortabele banken, plastic tafels: echt alles halen ze uit de kast om een zo ongezellig mogelijke sfeer te creëren.’

Teus Lebbing

Van ‘oh’, ‘ah’, tot ‘wauw’: wees niet verbaasd als je al toerend door de nationale parken Bryce Canyon, Zion (Utah) en Death Valley (Californië) vervalt in dit soort geluiden. Zó extreem en overweldigend heeft de natuur hier zijn werk gedaan, dat je de indrukken soms maar met moeite kan bevatten. De intens blauwe luchten in Utah (‘de blauwste ter wereld’, aldus de bewoners), de té zwoele temperaturen in Death Valley (het ‘warmste punt op aarde’, volgens de statistieken) en de bizarre vormen van bergen, rotsen en laagvlaktes doen je er het ene moment wanen op de maan, het andere moment in een waar paradijs. En dat is geen pr-praat.

Met de North Rim (minder toeristisch en rustieker dan de South Rim) van de Grand Canyon (Arizona) in onze rug, rijden we – Thelma & Louise uit Amsterdam – in onze stoere en zeer comfortabele four wheel drive Isuzu Rodeo (deze ‘sports utility vehicle’ blijkt zeer en vogue in de USA) naar Kanab, Utah.

Parry Lodge

Van dit kleine stipje op de kaart weten we niet veel meer dan dat het een ideale plek is voor een tussenstop op weg naar de natuurparken Bryce en Zion. Op het eerste gezicht doet Kanab aan als een slaapstadje midden in het Wilde Westen. Beelden doemen op uit bekende westernseries als ‘How the West was Won’. Niet zo gek, blijkt later, want Kanab en omgeving zijn het decor geweest van menig westernfilm en John Wayne en andere Hollywood-sterren waren er kind aan huis. We proberen een overnachting te regelen in Parry Lodge, dat in de plaatselijke folder wordt aangeprezen als ‘the place where the stars stay’. Het motel/restaurant ziet er voor Amerikaanse begrippen nogal sfeervol uit, en bovendien verhuren ze er ook ‘cabins’, onze ideale logies: een beetje afgezonderd, en toch ook weer niet helemaal. Meerdere mensen stellen dat op prijs, merken we. Parry Lodge is vol.

Tegen de diepblauwe luchten van Utah komen de herfstkleuren nog beter tot hun recht; hier in Bryce Canyon.
Tegen de diepblauwe luchten van Utah komen de herfstkleuren nog beter tot hun recht; hier in Bryce Canyon.

No deals

We rijden verder. Stapvoets. Want alles en iedereen in Kanab beweegt zich in slow motion. Hadden we ons dat maar nog beter gerealiseerd, dan waren we een dag later niet in de ‘speeding trap’ gereden, maar daarover later meer. De motelzoektocht eindigt tenslotte bij Motel 8 – dat aan de rand van het stadje ligt en voorzien is van een jaccuzi met een vrij uitzicht op de eindeloze bergen.

Na een vergeefse poging af te dingen bij de motelbaas (het advies van de Lonely Planet ‘to make deals’ heeft ons in drie en een halve week niet veel opgeleverd. Zetten we niet genoeg door of zijn de Amerikanen sinds de uitgave van de Lonely Planet in 1996 standvastiger geworden?) krijgen we voor $72 een kamer, die op zich niet zo bijzonder is, behalve dan dat het op twee stappen afstand van het bubbelbad ligt. Vooruit dan maar.

Speeding trap of Kanab

Parry Lodge mogen we dan wel niet bij nacht meemaken, op zoek naar een restaurant komen we er vanzelfsprekend toch weer terecht. Zo veel aantrekkelijke eetgelegenheden kent Kanab namelijk niet. Gelukkig maar, achteraf gezien. Parry Lodge serveert namelijk de allerbeste cheesecake. Die hadden we niet willen missen. Bovendien kun je er een glas wijn bij het eten bestellen.

Iets wat best uitzonderlijk blijkt in – het door strenge Mormonen geregeerde – Utah. Zo moet je ook goed op je kilometerteller letten. Voordat je het weet heb je een gierende sirene achter je aan! Dat ondervinden we als we na een rondritje naar Fredonia (een miniplaatsje 15 mile verderop net de grens met Arizona over, en dus een uur vroeger in tijd) via Hwy 89A Kanab weer binnenrijden.

De stoplichten staan op groen, op de 98A geldt er een speed limit van 65 mile en, dan opeens, staat daar het bordje dat 20 (!) aangeeft! Dat stukje weg, horen we later, staat bekend als de ‘speeding trap of Kanab’ en is daarmee de favoriete stek van de Kanab-police, zelfs om elf uur ‘s avonds. De officer die ons aanhoudt kent geen genade. Tachtig dollar boete geeft hij ons. En als we aanstalten maken om in discussie te gaan, haalt hij fel uit met ‘It’s eiter that or jail!’. Wij zeggen allang niets meer en gaan in op zijn voorstel de volgende morgen de judge te bezoeken om ons te verdedigen. Een ticket van tachtig dollar voor een beetje te hard rijden, en dat met geen kip op de weg!

Daar balen we van. De judge – een dikke man op gympjes met duidelijk veel aanzien – geeft toe dat de boete wat aan de hoge kant is, maar reageert verder onvermurwbaar op ons verhaal. Dat het donker en laat was en de speed limit binnen een korte afstand drastisch duikelde, daar lijkt hij niet van onder de indruk. En dat we uit het vooruitstrevende Amsterdam komen, draagt wellicht bij aan zijn stellige houding. ‘I want people to be safe in this town’ luidt zijn argument. En dus betalen we. Een bedrag van $50 weliswaar, een reductie van $30 dus. OK, dat valt allicht mee, maar we hebben het wel gehad met Kanab. En rijden na een snelle kop koffie zo rustig mogelijk weg.

De hele trip (nog twee weken lang) blijven we op onze hoede. Zo streng en als kleine kids toegesproken te worden, daar hebben we geen zin meer in. Wat een four wheel drive toevoegt aan je vakantieplezier is dat je er goed mee uit voeten kunt op de kleine, onverharde weggetjes. Dus verlaten we de US 98 en kiezen een grijze ‘scenic dirt road’, die ons via het Kodochrome Basin State Park naar Bryce Canyon voert. Wauw. Hobbels, rotsen, koeien, smalle paadjes: we trotseren ze allemaal. De gesprekken verstommen al gauw. Alle concentratie gaat uit naar de route. Hoe spannend kan een autorit worden voor twee meisjes die thuis niet eens een auto bezitten?

Maar de adrenaline vloeit en in onze overmoed suggereren we al dat het maar saai is eigenlijk, dat rijden op verharde wegen en dat we dit vaker moeten doen. En toch: na twee uur schommelen, wiegen en botsen, slaken we een zucht van verlichting als we de bewoonde wereld zien opdoemen. Want eerlijk is eerlijk, die kuilen en steile hellingen gaan je toch niet in de koude kleren zitten. Hoe veel kan die auto eigenlijk hebben? We krijgen een town in zicht én een verharde weg. Fjew. Tijd om uit te hijgen, ook voor de stomende auto.

Otherworldly views’ in Bryce.
Otherworldly views’ in Bryce.

Bryce Pioneer Village

We belanden in Tropic, een lieflijk plaatsje aan de voet van Bryce Canyon. En spotten na een kleine oriëntatierit ons ideale motel: Bryce Pioneer Village. Relatief goedkope ($42) motelhuisjes, met schitterende uitzichten én hot tub. De mensen zijn er bovendien uitzonderlijk vriendelijk. Zou dat komen door de gezonde omgeving en al die rust? Wat de gezelligheid van de eetgelegenheden betreft hebben ze het minder goed voor elkaar. Niet alleen in Utah, ook in de andere staten valt ons dat op. Ongelooflijk dat ze daar niet meer van weten te maken.

TL-verlichting, oncomfortabele banken, plastic tafels: echt alles halen ze uit de kast om een zo ongezellig mogelijke sfeer te creëren. De drang om na te tafelen wordt dan ook tot nul gereduceerd. De twee restaurants die Tropic telt, vormen geen uitzondering. Binnen een half uur krijg je je soep, T-bone en applepie voorgeschoteld, en dan heb je het wel weer gezien.

Een gemiste kans, oordelen we. Een omgeving als deze verdient beter. Ook voor de jongeren die, ‘s avonds buiten naast hun trucks staan te vernikkelen van de kou. Geen café te makken, dus waar moet je heen met je vrienden? Alcohol drinken is verboden, net als roken. Wat de vroegtijdige zwangerschappen betreft, blijken de regels een stuk soepeler: drie van de vier meisjes (leeftijd 18-) in Tropic lopen of met een dikke buik of achter een kinderwagen. Het gevolg van een gebrek aan voorlichting, gokken we. We zitten per slot van rekening in het land van extremen.

De rotsen in Zion national park
De rotsen in Zion: eindeloos steil.

Bryce Canyon National Park

Over de rare en kleurige rotspilaren in Bryce Canyon National Park hoorden we in Nederland de allerbeste verhalen. Amerikaanse brochures spreken zelfs over de ‘views that can be almost otherworldly’. Onze verwachtingen zijn dan ook hoog gespannen. Kan het nóg mooier worden dan de Grand Canyon? Maar of het nu de te hoge verwachtingen zijn, de drukte, of de ‘over-georganiseerdheid’, het park kan ons niet zo beroeren als het gebied van de Grand Canyon. Wellicht hebben we daar onze grootste shock al gehad?

En zijn we iets gemakkelijker verzadigd van de schoonheid om ons heen? In de lodge bij de ingang van het park (entree $20) bekruipt ons al een voorgevoel van wat er komen gaat: veel bussen, bejaarden en hard pratende Duitsers staan in de aanslag voor een ‘grand tour’. Zullen we wachten of vooruitgaan? We kiezen voor het laatste en bedenken tijdens een uitgebreide lunch ons plan van de dag: eerst gaan we met de auto alle viewpoints (zo’n twintig stuks!) langs en kijken ondertussen wat de mooiste trail is voor een mooie hike.

Bij de eerste stop komen we de bussen alweer tegen. De mensen die niet lopen willen, komen in Bryce prima aan hun trekken: om de vijf minuten vind je een afslag waar de mooiste panorama’s wachten .

Je hoeft niet eens de auto uit! Om sloom van te worden, vinden we. Maar toch: van grote hoogte zien de rode en witte rotspilaren, de zogenaamde hoodoos, en de kloven en hellingen van zandsteen er spectaculair uit. We schieten de fotorolletjes weer gemakkelijk vol. Het contrast van de – per uur veranderende – kleuren van het zandsteen met de intens blauwe lucht blijft adembenemend. Met de steile wandeling in de Grand Canyon nog in onze benen, kiezen we dit keer een bescheiden hike uit (Queen’s Garden vanaf Sunrise Point). En lopen al gauw tussen de hoodoos door. Het onvermijdelijke slaat dan eindelijk toe: we raken in de ban van deze bizarre omgeving, van de ‘red rocks standing like men in a bowl-shaped canyon’.

‘Cliff-and-canyon-landscape’
‘Cliff-and-canyon-landscape’ van Zion.

Zion National Park

Hoe heftig is dan ook de overgang als we de volgende ochtend tegen de eindeloos steile rotsen van Zion National Park opkijken.

Met pijn in ons hart hebben we de omgeving van Bryce verlaten. Maar niet na ons stellig voorgenomen te hebben hier ooit nog eens langere tijd door te brengen. Dit gebied biedt de sportieve natuurliefhebber, die enig comfort ook wel op prijs stelt, immers alles wat zijn hartje begeert. Nog geen twee uur later rijden we Zion binnen. En betalen de entree met de toegangskaart die een stel Nederlanders ons in Bryce verpatste en een week lang geldig is. Hoe Hollands! Maar het scheelt $20, dus vooruit.

Bovendien heet ons doel van de dag Death Valley (Californië), waar we, onder het mom van ‘als je het doet, moet je goed doen’ een – voor onze begrippen – schreeuwend duur hotel besproken hebben. En route ‘doen we toch nog even Zion’, en constateren al rijdend over de zeer steile Hwy 9 dat je ook in dit ‘cliff-and-canyon-landscape’ weken zou kunnen rondhangen zonder je een moment te vervelen.

Het stukje natuur dat wij zien tussen de east en west entrance beslaat nog geen kwart van het hele park. We pikken de torenhoge Zion Canyon mee, een stukje van de Virgin River en rijden door de spectaculaire mile lange tunnel, die ongetwijfeld met veel afzien in de jaren dertig gebouwd is en daarom ook een ‘engineering marvel of its time’ wordt genoemd. Ooit komen we terug voor de rest, nemen we ons voor. En dan gaan we logeren in Springdale, zo te zien een gezellig dorpje met – heel belangrijk – leuke, kleine bed & breakfasts en koffietentjes.

Twee uur rijden over de I-15 later doemt de smog van Las Vegas weer op. Stonden we een week eerder nog te trappelen om The Strip te verkennen, nu crossen we er in volle vaart langs om voor het einde van de middag via de Hwy’s 160, 178 en 190 Death Valley aan te doen. Het park wordt omschreven als een ‘inzinking in de bodem, een 193 kilometer lange en 6,5 tot 26 kilometer brede slenk tussen de gebergtes Panamint en Funeral, die eens geleden werd gevormd door een plooiing in de aardkorst.’ Simpel gezegd veranderde de vallei tijdens de ijstijd in een zee, die vervolgens verdampte en afwisselend modder- en zoutlagen achterliet, om uiteindelijk te verdrogen.

De gein van airconditioning is dat je het besef van de werkelijke temperatuur snel verliest. Zo zijn we dan ook totaal overdonderd door de hitte die op ons neerslaat als we in Furnace Creek de auto uitstappen. 45°C telt de thermometer. Een verschil van zo’n 40°C met Tropic, waar we dezelfde ochtend vroeg nog klappertandend onze muffins naar binnen hadden gewerkt. Fleeze jassen en lange broeken verdwijnen weer onder in de rugzak; de rokjes en topjes komen er uit.

Uniek uitzicht bij Zabriskie Point.
Uniek uitzicht bij Zabriskie Point.

Furnace Creek Range

We kiezen voor de Furnace Creek Range omdat het alternatief, de Furnace Creek Inn, toch echt boven onze pet gaat. Dit enorm statige, ‘four diamond, historic’ hotel dat zichzelf aanprijst met ‘the most uniquely situated resort in het U.S.’ is inderdaad een pareltje om te zien. Maar daarom kost het ook wat: een nachtje logeren komt neer op $150 voor een achterafkamertje met hillside view tot $350 voor een deluxe suite. Misschien ooit leuk voor een huwelijksreis, maar dan wel met een zeer rijke man.

Onze stek, de Furnace Creek Ranch, een paar kilometer verderop telt ‘two diamonds’ en bevalt ons vanaf het allereerste moment. Een soort park met kleine cabins, een zwembad, twee restaurantjes, twee tennisbanen en – het toppunt van decadentie – een golfbaan. Een wereld apart, vinden we, en verkeren de eerste paar uur dan ook in een aangename culture shock. Het schijnt dat er in deze vallei van mei tot oktober een doorlopende hittegolf woedt. De rest van het jaar liggen de temperaturen overdag rondom de 25°C.

Wij pikken het staartje van de hittegolf mee. En nemen alle waarschuwingen in de krantjes en brochures die we in onze kamer aantreffen al gauw serieus. Heel veel water drinken (zo’n vijf liter per dag), hoofd en lichaam bedekken en zo weinig mogelijk blootstellen aan de zon. Zelfs een plons in het zwembad kan ons niet afkoelen. Het water wordt niet kouder dan 30°C! Lang leve de airco dus. Ook die in de auto. Zonder auto en airco begin je niets in het uitgestrekte Death Valley.

 Furnace Creek Range
Van een plons in het zwembad van Furnace Creek Range koel je niet echt af.

Dante’s View

Op onze eerste toer bekijken we het zuidelijke gedeelte van het park: vanaf Dante’s View (1669 meter) verbazen we ons over de enorm droge diepte die zich voor ons uitspreidt; een uur later staan we zelf 86 meter beneden de zeespiegel op het punt dat Badwater heet, een zout, gemineraliseerd watertje omgeven door een gebied met bizarre onregelmatige formaties van zoutkristallen.

 

Death Valley.
Van 1669 meter hoogte biedt Dante’s View het meest uitgestrekte uitzicht over Death Valley.

Al toerend blijven we ons verbazen om dit maanlandschap. We vragen ons af hoe de twee honderd inwoners het toch trekken in deze hitte en het isolement. Het grootste gedeelte zal wel bestaan uit seizoenswerkers, die bereid zijn tijdelijk af te zien. Net als Sandy, onze overenthousiaste, bejaarde waitress in het restaurant, die avond. Onvermoeibaar is ze, en staat om de vijf minuten aan onze tafel met ‘you girls doin’ allright?’. Wat vriendelijkheid en interesse betreft, breekt Sandy alle records van de vakantie.

Ze schijnt het oprecht goed te menen met de gasten, voornamelijk buitenlandse toeristen. We horen wat Duits en Japans om ons heen, en aan de tafel naast ons zit een Frans groepje mannen. Niemand die Nederlands spreekt, zo te zien, dus bestuderen we hardop wie samen met ons in dit bizarre oord is beland. Geheel opgaand in onze roddels, schrikken we op van een Nederlandse stem: ‘Vermaken jullie je?’ Shit: die man sprak toch Frans? Méér dan dat, zo blijkt. Te midden van zijn Franse Volvo-collega’s heeft hij zich kennelijk erg vermaakt om onze girlstalk. Om nog iets te redden van de afgang – ‘wat hadden we ook al weer op hem aan te merken?’ – storten we ons in een geïnteresseerd gesprek.

Hij behoort tot het testteam van Volvo en brengt een paar weken per jaar in deze extreme omgeving door om de nieuwe modellen te keuren. Geen vervelende baan, lijkt ons, en we vragen hem wat er zoal mis kan gaan tijdens een rondrit in Death Valley. We schrikken een beetje van zijn verhalen: van oververhitting tot remmen die het plots begeven: alles kan hier gebeuren. Geen vrolijk verhaal voor mensen die niet eens weten hoe je een band moet verwisselen. Bovendien waarschuwt hij ons voor de schorpioenen, die hier zo in je schoenen wandelen, en de coyotes die hij regelmatig heeft gesignaleerd. We zien dan ook al gauw af van onze stoere ‘cross’-plannen en nemen ons voor het de volgende dag ‘heel kalm aan te doen’.

Badwater
Badwater: een zout, gemineraliseerd watertje 86 meter beneden de zeespiegel.

We doen het zo zelfs zo rustig aan dat we vergeten om te eten. Stom! Zeker als je ‘s avonds besluit om toch nog even een potje te tennissen op een van die mooie banen. We hebben onze rackets toch niet voor niets meegezeuld vanuit Holland?

Even is het leuk, maar na een half uur kappen we ermee en zoeken met bonkende hoofden en weeë lichamen onze bedden op, om een uur later misselijk wakker te worden. Nog net voor sluitingstijd (21.00 uur) kunnen we in het restaurant terecht. Zoute soep en patat helpt ons over het ergste dieptepunt heen. En toch kunnen we niet geloven dat we het zo ver hebben laten komen, we voelen ons naïeve toeristen: niet eten is funest in deze hitte. Dat wisten we toch?

Death Valley
Balanceren op de bizarre en onregelmatige formaties van zoutkristallen.

Death Valley

Death Valley verlaten we via het noordelijk gelegen Scotty’s Castle vlakbij de Ubehebe Crater, zo’n twee uur rijden vanaf Furnace Creek. De 25 kamers tellende reproductie van een Spaanse villa werd in de jaren twintig gebouwd als luxe optrekje van het miljonairsechtpaar Johnson uit Chicago. Hun beste vriend, de ongeschoolde goudzoeker Walter Scott of ‘Death Valley Scotty’, verbleef er echter regelmatiger, vandaar dat het kasteel al gauw de bijnaam Scotty’s Castle kreeg. Het is nogal bizar om in deze droge omgeving zo’n indrukwekkende residentie aan te treffen. Die Johnson moet veel centen hebben gehad om zoiets neer te zetten! Zelfs de meubelen liet hij uit Europa aanslepen.

De National Park Service koestert het kasteel dan ook. En zoals het trotse Amerikanen betaamt, verzorgt de organisatie er een rondleiding die veel weg heeft van een heuse show. Acteurs voeren ons aan de hand van een toneelstukje terug naar de tijd dat Johnson en Scotty nog leefden. Heel vermakelijk, al vinden wij nuchtere Hollanders het al gauw een beetje ‘too much’. En na afloop kijken we ontmoedigd toe hoe ons rondleidinggroepje als een gek naar de snackbar rent. Zouden we in Amerika ooit een plek aantreffen waar je niet kunt eten? Hwy 190 voert ons via Stovepipe Wells het park uit. En daar zijn we best blij om. Want hoe speciaal ook, die eindeloos droge leegte begint lichtelijk op de zenuwen te werken.

Panamint Dunes

Bomen! We willen weer bomen zien, en groen, en wat huizen ofzo. Gewoon weer deel uitmaken van de bewoonde wereld. Dat dat verlangen ons al na twee dagen velt, stemt even tot nadenken. Zijn we dan zulke gezelligheidsdieren? Veel gelegenheid om over dit onderwerp door te zagen, krijgen we niet. Het uitzicht vergt plotseling weer alle aandacht. Want met de Panamint Dunes in onze rug, bestijgen we de Inyo Mountains om vervolgens weer spectaculair af te dalen richting het opgedroogde Owens Lake.

De weidse blik van het diepste dal in de VS in combinatie met de late middag zon overrompelt ons. Dit is te mooi. State 136 brengt ons naar Lone Pine, een cowboydorp aan de voet van de Mount Whitney – met 4418 meter de hoogste top van het Amerikaanse vasteland. Hwy 395 naar rechts aanhoudend, worden we opeens omgeven door twee bergreeksen: links de Sierra Nevada, rechts de Inyonketen met bijbehorende bossen. De lege, warme droogte verruilen we voor de lege, koele hoogte. Op deze route en met Yosemite National Park als doel gaan wederom al onze wensen in vervulling. Reizen door de VS is één grote verwennerij.