Reis om de Wereld
Voeding voor reizigers

Terugkijken en Eilandvrouwen

115

Op deze uiterst hectische dag word ik teruggeworpen in de tijd. Het is de dag voor vertrek, de dag waarop de laatste dingen moeten worden gepakt, voordat de koffer sluit.

Het gevoel van afscheid nemen zat er van vroeg af aan al in. Op naar een nieuwe bestemming voelt als een nieuw begin, wat betekent dat het oude moet worden losgelaten. Ik ben er nooit een ster in geweest.

Had ik niet beter? Of, zou het toch anders hebben gemoeten? Uiterst verraderlijk liggen deze vragen op de loer. Rauw wordt het gevoel, wanneer ik ze probeer te beantwoorden. Melancholie vermengt zich met opwinding tot een cocktail van ‘door je tranen heen lachen.’

Monotone geluiden

Het resetten begint vaak al aan boord – van een schip of vliegtuig maakt in dezen niet zoveel uit. Het zijn de monotone geluiden die de rust brengen. Zo nu en dan schrik ik wakker als dat specifieke geluid plotsklaps wegvalt. Het blijkt dat ik juist op dat moment de diepere slaap induik, waarin het gehoor ontspant en de geluiden minimaliseren. Waakzaamheid en oplettendheid zijn weer geboden. Voor even dan.

De bestemming is om het even: bekend of onbekend. Het gaat om het reizen. Het achterlaten, maar ook de opwinding en naar ‘het zorgeloze’ afreizen, veroorzaken dit weeïge gevoel. Al weet ik inmiddels wel dat ik me slechts tegen een ander decor voortbeweeg. Vanaf mijn eerste reis naar midden Zweden tot aan de honderden die volgden, bekroop me telkens dit gevoel.

De afdruk van honderden muggen is mijn eerste beeld wanneer ik in de trein naar het vliegveld stap. Geplette insecten op het geel van de snelheidsduivel.

De check-in is tussen een groep mannen en vrouwen in witte gewaden met roze sjaaltjes – ik tel er achttien. De mannen hebben baarden, de vrouwen hun hoofddoek. In de rij bij de bagagecheck en paspoortcontrole vang ik duizenden gesprekken op. De meeste in staat van opwinding. Ongevraagde analyses en beschouwingen vliegen mijn oren binnen.  Het wachten duurt lang, op deze wijze veel te lang.

En daar is dan het blauw. Het blauw dat vliegt, alhoewel ik vandaag met een witte vlieg.

Bedevaartgangers

De hele groep van de incheckbalie bestaat uit negenendertig mensen. Ik zie overal om me heen het roze van de sjaaltjes die de vrouwen om hun hals dragen. Het blijkt een groep bedevaartgangers te zijn. Aan de plastic tasjes die ze stuk voor stuk bij zich dragen, zie ik dat ze ook Andalusië bezocht hebben.

De reisleider is niet nauwkeurig geweest want ze zitten her en der in het vliegtuig. Ik tel slechts een koppel of vijf, bestaande uit een mannen- en vrouwengroep en drie tweetallen. De rest zit ergens alleen. Onderweg worden zij wel vermaakt door een ‘live camera’ vanuit de cockpit en één aan de onderkant van het vliegtuig. Een diversiteit aan wolkenpartijen schiet onder het vliegtuig door. Het vijfstanden-raam blijkt ook een leuk speledingetje – je kunt zelf bepalen hoeveel licht er binnenvalt. Voortdurend verspringen ramen van kleur, van zwartblauw tot aan witblauw.

Tussenlanding op Istanbul Airport; het is één trap van Gelen Yolcu Kati, naar Giden Yolcu Kati – van het Arrival naar het Departure niveau. De laatste veertig minuten van de vlucht hadden me teruggebracht naar vroeger tijden, toen ik bij iedere vlucht last van mijn oren had gehad. Een bekertje met warme watten deed enigszins de pijn verzachten, maar niet meer dan dat.

Turkse buitenlucht

De drie uur overstaptijd is erg ruim genomen. Een kooi die over een uitstekend balkon – Teras – is geplaatst, is de enige plek waar je in de Turkse buitenlucht kunt staan. Van ‘een frisse neus halen’ is echter geen sprake, want het buiten zijn, gaat gepaard met grote hoeveelheden rookpluimen. De enige plek met buitenlucht van het vliegveld is die van de rookruimte. Het fijnmazige gaas biedt daarnaast ook nog eens een troebel uitzicht over de start- en landingsbaan. Vanaf hier ruik je de kerosinedampen.

Ik verlaat de smeltkroes van halfnaakte, gesluierde en in burka geklede vrouwen die flaneren in de shopping mall die Istanbul Airport heet. Ik kom terecht in een groep van 72 witte gewaden, met dit keer groene sjaaltjes én groene rugzakken. De mannen hebben óók in deze groep allemaal een baard. De tweeëndertig vrouwen boarden als eersten, de mannen blijven rustig hun beurt afwachten. Geduldig en rustig babbelen ze op de geel-zwarte stoelen in de wachtruimte van de gate die tegenover de mijne ligt. De roze groep meldt zich even later ook bij dezelfde gate en mengt zich met de groene mannen. De grote witte groep met verschillende accenten gaat op bedevaart. Naar Medina lees ik op het bordje van gate 19A.

Minstens één keer per reis popt de vraag op waarom ik dit blijf doen. De ongemakken, waaronder de hevige oorpijn, en het lange wachten zijn een terugkerende ergernis. Vergeet ik soms al die dingen bij thuiskomst? Neem ik mezelf niet serieus genoeg? Of schuilt er misschien toch een andere reden achter waarom ik dit allemaal op de koop blijf toe nemen?

Uçağimiza Hoş Geldiniz staat er te lezen in het schermpje voor mij. Welkom aan boord, ik lees er zelf ‘terug’ tussen. Nog ruim zeven uur en dan zal ik midden in de nacht op mijn bestemming in Oost-Afrika zijn.

Hoe snel zal ik nu de reis, maar vooral de dag ervoor, vergeten zijn? Ik zal morgen bij daglicht terugkijken!

Zuidelijke hemisfeer

Vliegtuigstrepen die verworden tot littekens vullen de lucht op de eerste avond. In rap tempo maken ze plaats voor de zuidelijke hemisfeer. Zeker wanneer de stroom opnieuw uitvalt – in de tropen meer regel dan uitzondering – komt het enige licht van de sterren. Het Zuiderkruis staat in vol ornaat laag aan de horizon het eind te markeren van de Melkweg. Mijn telefoon doet dienst als bijschijnend licht. Hier en daar zie ik mensen die uit noodzaak hetzelfde doen. Op dit uur, zo vlak voor zevenen – atardi genoemd in de Cariben – is de stroom om de haverklap je vriend of vijand. Het moment is ‘wel’ gekozen. Het kamermeisje komt juist de kamer inspuiten – desinfecteren – tegen de muskieten en de klamboe alvast voor de nacht uitrollen. In het pikkedonker inmiddels, vindt ze feilloos de weg. Het meubilair waar ik nog over struikel vormt voor haar geen enkel obstakel.

Ik word behoorlijk in beslag genomen door de nieuwe indrukken en uitdagingen, waaronder de haperende watertoevoer, waardoor ik nauwelijks tijd heb om terug te kijken. Het wennen aan de nieuwe omgeving zorgt er onbewust voor dat ik steeds verder verwijder van de reisdag en de hectische dag van daarvoor. Het wordt niet meer dan een vage herinnering.

De schoonheid van het Zuiderkruis boven de Afrikaanse nacht die gevuld is met dans – met onnavolgbare heupbewegingen – en muziek geeft het laatste zetje. Ik ben weg! Jambo! Hakuna Matata!

Tropische bui

De geïmporteerde rum doet er ook nog een schepje bovenop, terwijl een tropische bui losbarst. De druppels aan de bananen- en palmbladeren glinsteren in het felle licht. Alle lampen lijken dezelfde voltage te hebben met één stand: fel. Het constante geluid van plenzen werkt erg aanstekelijk op mijn blaas; om de haverklap zit ik op het toilet hetzelfde geluid te produceren. De uit beton opgetrokken muren weerkaatsen daarnaast het geluid ook nog eens. Hierdoor lijkt het nog eens een aantal decibellen meer, want de glazen shutters houden weinig tot niets tegen. Met druk op de blaas val ik uiteindelijk tegen middernacht in slaap.

Vanaf het moment dat de eerste tekenen van zonsopkomst zich aandienen, dringt het geluid van de jungle mijn kamer binnen. Hoge krijsen, roepende vogels en zoemende insecten vullen de ruimte. Het geluid van de generator die alle airconditioners aanjaagt voert nog wel de boventoon. De geur die mijn neus binnendringt wanneer ik even later naar buiten stap is een welbekende. Het zijn de eerste zonnestralen die het vocht van de nacht verdampen. Hier wordt zuurstof geproduceerd in ongekende mate.

De insecten weten me vrijwel meteen in grote getalen te vinden. De kriebelbeestjes vliegen en lopen af en aan; het meest gefocust ben ik op de uitzonderlijk grote mieren. Ik maak wat sleepbewegingen met mijn voet, om ze van me vandaan te houden. Mijn aandacht wordt ineens volledig verlegd en in beslag genomen door bewegende struiken en bomen. Ik sta oog in oog met een zevental rode Colobus aapjes die zich luidruchtig een weg banen richting mijn terras, op zoek naar eten.

‘I am Greet’, zegt een vrouw die naast me is komen staan terwijl ik uitkijk over het buitenrif. Door mijn lach heen zeg ik dat ze boft dat ik ook Nederlander ben, want je zo introduceren in het Engels is best bijzonder. De vrouw is hier met haar vriend Cees voor een paar weken op vakantie. Hij, gepensioneerd maar niet los kunnen komen van zijn bedrijf dat hij met eigen handen heeft opgebouwd, neemt een duik in zee.

Greet draagt een boek onder haar arm dat inmiddels twee keer zo dik is als in Nederland. Waarschijnlijk heeft ze het uit het boekenkastje van het resort geleend. Vier planken van touw en bamboe met Nederlandse – ik had Kluun en Saskia van Noort die ochtend weer naast elkaar gezet – maar voornamelijk Engelse literatuur. Het vocht had mijn boek hier in de tropen doen opzwellen. Zeewaardig telt ook hier in de tropen gewoon 196 bladzijden. Ze had blijkbaar de foto van de auteur nog niet bestudeerd. Een zwellende muggenbult op mijn hand voorkomt dat ik verder met haar in gesprek ga, want ik moet de plek gaan behandelen. Ter voorkoming van wat me in West-Afrika was overkomen, toen een ‘muggenbult’ een beet van een ander insect bleek te zijn geweest. De zwelling hield voor een aantal dagen aan en uiteindelijk had ik een rode plek als souvenir mee naar huis moeten nemen.

Reddingsboei

Een paar Masai duiken als koeien, die in het voorjaar voor het eerst naar buiten mogen, in het zojuist geopende zwembad. Ze hebben er maanden aan gewerkt en mogen met de aanwezige gasten als eerste een duik nemen. Uitgelaten en capriolen uithalend storten zij zich luid schreeuwend in het water. Eentje krijgt een reddingsboei toegeworpen; hij was vergeten het zwemmen niet machtig te zijn tot grote hilariteit van zijn collega’s. Het is voor het eerst dat ik ze zonder hun typerende rode kleding met bijbehorende attributen zie. Ze runnen aan het eind van de middag de souvenirshops en zien erop toe dat er geen ongenode gasten het terrein betreden. Met name ‘s nachts doen zij onzichtbaar werk. Zij zijn het die de veiligheid bewaken, bewapend met hun traditionele wapens. Een Masai vertelt me over zijn geboortedorp in het noorden van Tanzania. Vanaf hier eerst met de boot en dan tien uur met de auto richting het noordwesten. Met de lokalen hier communiceren ze in het Swahili, onderling praten ze Masai en met mij Engels.

Eilandvrouwen

Bij het krieken van de dag staan de eilandvrouwen klaar met hun grote jute en nylon zakken om de drooggevallen lagune in te lopen. Een kleurrijke verschijning; de meesten hebben bij hun hoofddoek passende kleding in dezelfde kleuren. Oranje, groen, bordeauxrood, wit, geel, blauw en paars bewegen zich behendig voort over de hagelwitte bodem. Hier en daar stukken rif en rotsen ontwijkend. Ook zeeslangen en achtergebleven visjes in de poelen gaan ze uit de weg.

Masai mannen

Hun zeewierakker is gemakkelijk te bereiken – ze zijn gemarkeerd door verticale stokken die in de bodem zijn gestoken. Het verschil tussen eb en vloed bedraagt hier zo’n 800 meter droogvallende lagune; het hoogteverschil is moeilijk in te schatten. Met honderden tegelijk struinen ze de zeebodem af. Stapels wier worden op het strand verzameld en gesorteerd onder toeziend oog van de Masai mannen. Sommigen vrouwen lopen tot aan het buitenrif dat wordt gemarkeerd door de witte streep in de verte. Daar waar de golven stuk slaan op het rif. Dat het water vandaag minder snel terugtrekt dan anders deert ze allerminst. De eilandvrouw in het paars komt verontwaardigd op mij af gelopen wanneer ze denkt dat ik haar fotografeer. Woeste kreten vullen deze verder rustige morgen op de zeebodem, alleen in de verte klinkt ander gebulder; dat van de golven.

Het is blijkbaar een lucratieve handel want het wordt met balen tegelijk geëxporteerd naar China. Het leger van het eiland is dan ook zichtbaar aanwezig wanneer het werk wordt verricht. Gezien het wapenarsenaal dat ze bij zich dragen, wellicht om plunderaars op afstand te houden.

Mijn oog valt op een rode knop. Op een houten paal nabij het zwembad is een geelzwart kastje met daarop de rode knop. Vanaf dit oogpunt heb ik geen idee waartoe het dient. De pontificale plaatsing lijkt aan te geven dat het een belangrijke functie heeft.

Het begeleidend schrijven geeft ook geen uitsluitsel – ‘Emergency stop push button.’ Wat moet er gestopt worden? Roltrappen zijn er niet en ik zie ook geen loopband of iets dergelijks. Ik zie niets dat draait, loopt of stroomt. Slechts een stroom aan gedachten word ik gewaar. Welke noodzaak is gerechtvaardigd? Is terugkijken een goede reden om op de rode knop te drukken? Er staat nergens vermeld dat onjuist gebruik strafbaar is. Zal ik een poging wagen?

Jakob, een Masai, spreekt goed Engels en verkoopt mij twee Masai beelden en twee maskers. De beelden van zo’n dertig centimeter hoog zijn op het vasteland gemaakt en tonen een man en vrouw in traditionele kleding en bijbehorende versieringen. De bekende kralenkettingen om de nek, armen en benen. Daarnaast heeft de vrouw een speer, terwijl de man een schild en knuppel vasthoudt. De symboliek ervan laat zich raden.

Dar es Salaam

Gedurende ons gesprek vaart er een reusachtig containerschip langs die snelheid mindert, omdat het aanstonds de haven van Dar es Salaam gaat binnenlopen. Er steekt een behoorlijke aanlandige wind op, waardoor het strookje strand geminimaliseerd wordt tot hooguit een meter of twee. Nog maar twee kleurschakeringen gescheiden door een witte streep zijn waarneembaar: donkerblauw en turquoise.

Jakob zegt zijn familie te missen, wanneer ik hem die avond opnieuw tegen het lijf loop. Hij zal deze avond met een aantal leden van zijn stam drie traditionele dansen opvoeren. Jakob is drie maanden van huis om op dit eiland te komen werken. Hij kan niet wachten om de boot terug te nemen en zijn familie weer te kunnen omarmen. Het zijn vooral zijn kinderen die hij het meest mist. Mama Masai woont iets verderop op het eiland en maakt de bekende arm- en enkelbandjes die hier gretig aftrek vinden. De houten maskers en beelden zijn van het vasteland meegekomen. Het hout – ebbenhout – dat daarvoor gebruikt wordt is niet voorradig op het eiland.

De dansen die de vijftien Masai uitvoeren worden door eigen gezang begeleid. Losse kreten boven een monotone a capella brom verwoorden het gevecht met een leeuw. Het indrukwekkendst zijn de onwaarschijnlijk hoge sprongen die de mannen ten tonele brengen. Ik schat dat ze vanuit stand zo’n 60 á 70 centimeter de lucht in springen, met in hun rechterhand steevast een stok. Kaarsrecht springen ze loodrecht omhoog als een gymnast op een trampoline.

Het monotone gebrom blijft in mijn hoofd rondzingen; zonder variatie en op aangename sterkte val ik ermee in slaap.

Op zondagmorgen – net te laat voor zonsopkomst – staat er een luik van één bij één meter open, pal naast de paal met de rode knop. Een trapje – geen roltrap – leidt naar beneden, naar een gang onder het zwembad.

Het monotone gebrom heeft inmiddels plaats gemaakt voor een heftige ruis. De zee beukt er op dit uur behoorlijk op los, nauwelijks afgeremd door het rif. Geen eilandvrouwen en nauwelijks een strook strand. Hier en daar een hoopje zeewier en een egaal grijsblauwe zee. De witte schuimkoppen van het buitenrif zijn minimaal en nauwelijks waarneembaar.

Kleine plukjes zeewier

Klokslag half acht betreden de eilandvrouwen het strand; het teken dat het eb gaat worden. De kleine plukjes zeewier verdwijnen als sneeuw voor de zon in hun lege zakken. Met z’n twaalven op nog geen stukje van tien bij twee. Luid pratend en zingend vormen ze een rij die gezamenlijk de zee tegemoet treedt. De vrolijke geluiden laten blijken dat het voor hen ook zondag is. Een vrolijke wedstrijd ontstaat wanneer ze voor elkaars neus het wier uit het water plukken. Het samenwerkende schouwspel levert in het eerste half uur weinig gevulde zakken op. Het is wachten op de zee die hen hun land weer teruggeeft.

Het buitenrif wordt weer duidelijk zichtbaar. In de zonnestralen zie ik het water boven het rif als een soort gordijn, als dauw die optrekt. Het omhoog spattende water markeert hier duidelijk diep en ondiep. Langzaam schuiven de vrouwen op. Al is het maar meter voor meter. Voor het middaguur zullen sommigen het buitenrif hardwerkend bereikt hebben.

Ik word vermaakt door een groenblauwe gekko die langzaam vanaf mijn stoel naar mijn lege koffiemok kruipt. Langzaam komt zijn rode tongetje tevoorschijn en likt de rand af. Even later wordt zijn aandacht getrokken door de prooi van twee mieren. Als een bliksemschicht heeft hij het te pakken, de twee mieren verbaasd achterlatend. Op vier poten, met aan iedere poot vier zuignaptenen, en met een wijd open bek maakt hij zich uit de voeten. Zijn blauw omringde ogen houden mij voortdurend in de gaten wanneer hij omhoog klimt. Mijn blik volgt de gekko totdat ik halverwege blijf steken bij een reusachtig schip dat opdoemt aan de horizon. Weer de Wallenius Wilhelmsen? Een bulkcarrier die ik overal ter wereld tegenkom. Hij lag afgemeerd in Papeete, Tahiti – Frans Polynesië waar hij trimarans vervoerde voor de Ocean race. In de haven van Savannah in Georgia, Verenigde Staten, in de containerhavens van Malaga in Spanje en Hamburg in Duitsland. Op volle zee in de westelijke Cariben passeerde het ons richting Cartagena in Colombia. Tijdens de oversteek van Australië naar Nieuw-Zeeland passeerde het ons aan bakboordzijde en ten noorden van Ísafjörður, IJsland aan stuurboordzijde. Op de één of andere manier is het knaloranje gevaarte nooit ver weg. Het tegenlicht zorgt er echter voor dat ik moeilijk de kleur kan onderscheiden, laat staan de letters kan lezen die toch als huizen zo hoog op de romp geschilderd staan. Het formaat is er naar, dat zeker. Het aloude hulpmiddel: het fototoestel zal hopelijk uitsluitsel geven. Ik maak een foto met mijn telelens en zoom daarna in op het geschoten plaatje. Nou ja zeg! Ook hier in de westelijke Indische Oceaan weet het Deense schip mij te vinden. Ik benijd de kapitein, die zonder pijn aan zijn oren hier is beland. Hij zal het Suezkanaal genomen hebben aangezien hij zuidwaarts naar vermoedelijk Dar es Salaam vaart. Hoewel zijn vaart doet vermoeden dat hij op een zuidelijker gelegen haven mikt. Wellicht een haven op Madagaskar, in Mozambique of wellicht nog zuidelijker naar het Zuid-Afrikaanse Kaapstad.

Iets voor half tien loopt een eilandvrouw al op een vierde van de lagune. Al snel volgen er meer.

Kwart voor elf; de eersten hebben het rif al bereikt. Zwarte verticale streepjes op een horizontale witte streep. Ik zie ze nauwelijks terugkijken, ze kijken naar beneden en vooruit. Waar ligt het beste wier, waar loop ik daarna naartoe. De getijden hoeven ze niet in de gaten te houden, dat is inmiddels instinctief geworden. Ze werken zich acht uur uit de naad zonder maar een minuut te pauzeren. Zo nu en dan nemen ze een slokje water wanneer de balen richting het strand gedragen worden. De heel zware balanceren op hun hoofden, de half gevulde in hun hand.

Om één uur is de lagune nagenoeg drooggevallen en is de wandeling naar het strand niet meer dan een loopje geworden. Vanaf dat uur begint de zee echter ook met het verjagen van de eilandvrouwen van het rif. De zee neemt langzaam weer bezit van de lagune en rond drieën zijn alle akkers alweer verdwenen onder water. Slechts het drooggevallen rif, op een tiental meters van het strand, is nog zichtbaar. Het zal hooguit nog een half uurtje duren voordat het turquoise het wit van het strand opnieuw zal raken.

Vanaf vier uur waagt niemand zich meer in het water. De zee is ruw geworden en het buitenrif lijkt buiten werking. De schuimkoppen daar en hier zijn eender geworden.

De witte afdruk van de bal op zijn zwarte voorhoofd leidt mij af van zijn balkunsten. Op het kleine strookje strand houden twee locals een balletje hoog, af en toe rennen ze voor de heftige branding weg. Twee soldaten volgen het tafereel vanuit de schaduw onder een mangrove boom het tafereel. Het bruisende water verjaagt hen echter. Ze zoeken een veilig heenkomen in hun werk: surveilleren. Wat ze overigens met verve doen. Van de eilandvrouwen geen spoor te bekennen, dus ze houden blijkbaar ook andere zaken in de gaten.

Het Zuiderkruis laat zich net voor zevenen zien. Ik heb het in de gaten, want ik loerde er naar. De twee meest rechtse in de constellatie laten zich als laatste zien, de andere drie wezen me al eerder het zuiden aan. Ik moet terugkijken bij het zien van het Zuiderkruis. Ik zie hem staan vlak boven de horizon op Rarotonga, Cook Islands. De hemel kleurde wit op het nauwelijks verlichte eiland. Ik zie hem staan vanaf het noordelijk halfrond toen ik langs Saint Lucia in de Cariben voer en de kapitein mij erop attendeerde. Een uitzonderlijke situatie die zich maar een paar weken per jaar voordoet. Ik zag hem in Nieuw Zeeland en Australië; uiteraard, want daar prijkt hij prominent op de nationale vlag. Zo ook in Samoa en Brazilië. En nu sta ik hier op Unguja Zanzibar in Oost-Afrika en word ik opnieuw geraakt door de schoonheid van de vijf sterren. Ontroerend mooi.

Hoe later op de avond, hoe schever die zakt, maar hij wijst altijd naar het zuiden. Zijn taak te volbrengen, althans die is hem later toebedeeld. De scheve, horizontale stand dat het nu aan de hemel rond tienen heeft aangenomen, is dezelfde als die ik aanneem.

De taxichauffeur die me naar Stone Town – het oude centrum van Zanzibar stad – brengt kijkt geregeld in zijn achteruitkijkspiegel. Hij kijkt terug naar waar we net vandaan komen. Naar het gat in het wegdek dat we zojuist op een haar na gemist hebben. De wegen verkeren in erbarmelijke staat en het rijgedrag van de eilanders is nog erbarmelijker. Het verhaal gaat dat een rijbewijs tegelijkertijd met een auto wordt aangeschaft.

Stone Town

Ik word afgezet in het hartje van Stone Town. Ik drink koffie op het dakterras van het Marumaru hotel waar je een goed uitzicht hebt over de stad. Vlakbij het hotel is de Sint-Jozefskathedraal gelegen die op menig schilderij prijkt. Vier stenen torentjes waarvan er twee, met zilvergrijze daken, hoog boven de andere gebouwen uitsteken. Ernaast staat de minaret van de grootste moskee. Verder zie ik alleen bruin verroeste golfplaten daken met hier en daar een nieuw rood, zilverkleurig, blauw of geel dak. De stenen ruïne steekt schril af tegen de azuurblauwe zee, die het eiland van het vaste land scheidt. Wanneer ik mijn ogen toeknijp zie ik iets van het vasteland van Tanzania.

Ik loop langs het House of Wonders -Beit-al-Ajaib het eerste huis (paleis) van Oost-Afrika waar al in de 19e eeuw water en elektriciteit was. Het werd gebouwd in 1883 in opdracht van Sayyid Barghash bin Said Al-Busaid – de toenmalige sultan. Het grootste gebouw van de stad wordt momenteel grondig gerestaureerd, zoals de meeste huizen in het Unesco werelderfgoed gebied. Nagenoeg het hele centrum valt hieronder.

Rond drieën loop ik de lokale markt op. Een Afrikaanse markt in al zijn facetten. Een kakafonie van geluid, geuren en kleuren. Ik koop een zakje korianderkorrels op de specerijenafdeling van de markt. Zelfs hier overheerst de penetrante lucht van de visafdeling die even verderop gesitueerd is. In de smeltkroes van Afrikaanse, Aziatische, Arabische en Europese invloeden zijn de mensen, op in het verkeer na, vrij gemoedelijk en relaxed. In de nauwe steegjes, waar op sommige stukken naast elkaar lopen onmogelijk is, scheuren brommers en scooters je al claxonnerend voorbij. Zeker nadat de ferry uit Dar es Salaam gearriveerd is en het nog drukker wordt.

Het zitten en kijken heeft men hier tot kunst verheven. Hakuna Matata – maak je niet druk – in woord en beeld.
Onder de indruk raak ik van het slavernijmonument dat door een Zweedse kunstenares is gemaakt. Vijf levensechte sculpturen staan tot hun middel in de grond, waarvan er vier aan elkaar verbonden door een halsbandketting. Het staat op de plek waar de slaven in vroeger tijden geketend en verhandeld werden. Pal naast de Anglicaanse kathedraal was de slavenmarkt. De exacte rol die de kerk hierin speelde is mij niet bekend, maar enigszins dubieus lijkt het wel. De kathedraal staat daar niet ter nagedachtenis. Het monument: Kumbukumbu ya historia ya watumwa – Memory for the Slaves – uit 1997/’98 van Clara Sörnäs daarentegen wel.

Ik arriveer aan de oostkust van het eiland als het Zuiderkruis zich alweer heeft laten zien. Gebiologeerd kijkend plof ik neer in mijn stoel met een lokaal Kilimanjaro biertje. Ik kijk terug op de dag onder een reusachtige sterrenhemel.

Een bewolkt begin van de ochtend op het paradijselijke eiland, maar de temperatuur is er niet minder om. Een Picasso Triggerfish wordt met een golf op het strand gesmeten. Een jonkie nog die wacht op de volgende golf om weer terug de lagune in te komen. Naast het visje drijft een plastic zakje. Vrij uitzonderlijk, want het plastic wordt hier zorgvuldig gescheiden en niet eens meer verstrekt. Het wordt min of meer als misdaad gezien wanneer je het zelfs maar invoert. Ik had dan ook op Schiphol vriendelijk bedankt voor het gele See Buy Fly tasje. Plastic tasjes – de bekende flinterdunne roze wit gestreepte – zijn volledig in de ban. Ook hier worden duurzame nylon en jute tasjes gepromoot. Tasjes van hetzelfde materiaal als de zakken van de eilandvrouwen. De witte zakken die gebruikt worden voor de handel, met daarop in blauw, rood of zwart het product en land van herkomst gedrukt. Ik ben ze overal in de tropen tegengekomen. In Curaçao stond er ‘Venezuela’ op, in St. Kitts and Nevis ‘East Caribbean Feeds’ en op de Seychellen, net als hier, voor mij onleesbare Chinese tekens. In Nederland zag ik ze in de wereldwinkel.

De maan, als de bovenkant van een eierschil – en ‘s nachts als een bootje zoals je alleen rond de evenaar kunt waarnemen – kijkt neer op de eilandvrouwen. Ze zijn vandaag met weinig in getal. Slechts vier vrouwen wandelen in slow motion in de lagune, een zak achter zich aan sleurend. Zal dit de dag van de week zijn waarop een Chinees vrachtschip hun waar komt ophalen?

Een emmertje dragen ze ditmaal ook in hun hand mee, vermoedelijk voor een bijproduct. Krabbetjes en schelpdiertjes zijn er in overvloed in de lagune.

Ik ben in het dorp van de eilandvrouwen aangekomen op twintig minuten rijden van de lagune. Het dorp Mwa Nampambe telt 2500 inwoners en ligt een stuk verderop aan dezelfde weg als mijn onderkomen. De zijweg erheen is zoals alle andere: hobbelig en vol met gaten door de ondergrond van hard koraalsteen en zand. Een slingerpad van een kleine kilometer tussen lage begroeiing en bananenbomen.

Het islamitische dorp omvat een school, een moskee en verder naast twee stenen huizen slechts hutten op rode zand- en aardegrond. De hutten zijn vervaardigd van losse stenen en de daken van kokosnootbladeren bijeengehouden door touw dat ook weer van de kokosnoot afkomstig is. Het proces daarvan wordt mij uitgelegd en aanschouwelijk gemaakt door één van de dorpsoudsten. In nog geen vijf minuten laat de vrouw zien hoe ze van het haar van de kokosnootschil een touw maakt. Een touw dat sterker wordt als er meer kracht op komt. De hutten staan her en der verspreid tussen bananenplantages, onnavolgbare paadjes en hopen afval. Kippen en geiten eten het laatst eetbare van de restjes op. Van de twee baobabs die het dorp rijk is, heeft de ene al een leeftijd van vijfhonderd jaar bereikt. Vijftien volwassenen zijn nodig om gezamenlijk – elkaars hand vasthoudend – rond de stam te kunnen staan.

Eén van de twee stenen huizen – in het andere woont een volksvertegenwoordiger – is de plek waarvandaan het zeewier verpakt en verhandeld wordt. Een ruim opgezet gebouw met twee openslaande deuren en een paar vensters. Vanachter de tralies, die voor de weinige openingen zitten, komt een sterke zeelucht naar buiten. Het is duidelijk dat hier het wier wordt verwerkt.

Met de zakken vers geoogst zeewier, die zo’n twintig kilo wegen, lopen de eilandvrouwen in 45 minuten van de lagune naar het dorp. Nadat het drie weken in de zon gedroogd heeft, maken ze voor eigen gebruik onder andere schoenen en zeep van het wier. Maar het meeste wordt, zoals eerder vermeld, geëxporteerd naar China. Eén kilo gedroogd zeewier levert vijftig dollarcent op. Een schijntje voor het werk dat verzet moet worden. De hele middag en avond vertoeven ze hier en leveren zelfs dan nog noeste arbeid. Morgenochtend zie ik ze weer bij mij in de lagune.

Ik besluit terug te lopen, zodat ik me een voorstelling kan maken van de afstand in deze hitte. Ik draag alleen geen twintig kilo op mijn hoofd, maar slechts een fototoestel om mijn nek.

Ik geniet van de wolken die voor de zon trekken. Vanaf zonsopkomst was de temperatuur al niet te harden. Een eilandvrouwloze morgen. Waar ik ook kijk, geen eilandvrouw te bekennen. Waren het er gisteren nog vier, nu blijft het zeewier onaangetast. Ik was gisteren vergeten te vragen waar ze die ochtend hadden verbleven. Het is nu donderdag; weekend in de meeste islamitische landen. Wellicht is dat het, maar dat verklaart gisteren nog allerminst. Op hun laatste ‘werkdag’ van de week waren ze in het dorp gebleven, hoewel het ook daar rustig was geweest. Zouden ze ook de afstand naar de andere kant van het eiland afleggen om hun waar aan de man te brengen? Zanzibar-stad, die de enige haven van het eiland herbergt, is toch al gauw een uur rijden. Er zal toch wel een vrachtwagen rijden vanaf het stenen gebouw in het dorp naar de overslagterminal in de haven? Eerder deze week had ik meerdere schepen zien liggen. Vier voor anker in de baai en een Chinees schip aan de kade naast de ferry van Dar es Salaam.

Het zou ze een dag kosten om er te komen. Van heen- en teruglopen kan absoluut geen sprake zijn. Het zou ze minimaal anderhalve dag kosten.

Getijdewisseling

Misschien ligt het antwoord verscholen in de lagune. Het water blijft vandaag extreem lang aan de hoge kant. De getijdewisseling laat op zich wachten. Op dit uur zouden de eilandvrouwen al op een derde zijn, maar in plaats daarvan is het strand slechts een meter breder geworden. Gisteravond zag ik dat de maan sterk gegroeid was: van een bootje was geen sprake meer. Een doorgesneden sinaasappel kwam meer in de buurt. Wellicht heeft de stand van de maan in de tropen een sterkere invloed dan bij ons hoog in het noorden op het noordelijk halfrond. Na enige rondvraag blijkt het laatste het juiste antwoord te zijn. Na vier dagen low tide volgt een even aantal dagen high tide. Het antwoord ligt dus inderdaad in de lagune verscholen, maar wel in samenspraak met de maan.

Vanuit mijn vliegtuigraampje kijk ik twee dagen later uit over de drooggevallen lagunes. Wanneer ik verder terugkijk zie ik zwarte stipjes. Het zijn er veel dit keer. Het zijn de eilandvrouwen die niet terugkijken, maar slechts naar beneden of vooruit.

Over de auteur:

Gerard Vermeeren is schrijver van autobiografische reisverhalen. In de drie boeken die hij publiceerde neemt hij de lezer mee naar alle uithoeken van de wereld. Gedetailleerde beschrijvingen en persoonlijke ontmoetingen gedreven door nieuwsgierigheid vormen de rode draad in zijn oeuvre.

Daarnaast is hij ook werkzaam als columnist. Ook hierin staat het reizen centraal. De columns zijn na de lezen op de Facebookpagina: Gerard Vermeeren – Schrijver.

In dit verhaal ‘Terugkijken en Eilandvrouwen’ doet hij verslag van zijn reis naar Zanzibar.

Verder lezen?

De volgende boeken van Gerard Vermeeren zijn te bestellen bij uw eigen boekhandel:
– Zeewaardig (2016) ISBN 978-94-0222-860-1
– Een raar seizoen en een rare vogel (2017) ISBN 978-94-0223-925-6
– Onder water (2019) ISBN 978-94-6389-814-0