Home Wereldlanden Guadeloupe

Guadeloupe

Arawak Petroglief Guadeloupe
Een Arawak Petroglief op Guadeloupe. Ongeveer negentig procent van de bevolking bestaat uit een Afrikaans-Indiaanse mix. Vijf procent is blank.

Guadeloupe dankt zijn naam aan een heilige: de heilige Maria van het klooster van Guadeloupe in Spanje. Andere heiligen hebben hun namen gegeven aan de dorpjes op het eiland en verder lijkt elke heilige er zijn privé-strand te hebben.

Niet alleen de heiligen voelen zich thuis op Guadeloupe, ook geesten zijn er in overvloed. Van de oorspronkelijke bevolking van het eiland is geen spoor meer te vinden, maar in de wirwar van geesten die boven het eiland zweven, is ook zij nog aanwezig. Meer op de officiële website van het bureau voor toerisme: Les iles de Guadeloupe

Op 1 november (Allerheiligen!) dalen de levenden massaal af naar de begraafplaatsen om, beladen met bloemen en lichtjes en niet zelden gewapend met een fles rum, de doden te eren en te mijmeren over de geesten die ronddwalen over het eiland. Zo talrijk zijn deze geesten dat behalve priesters ook vele soorten zieners en waarzeggers er goed hun brood mee verdienen.

Afrikaanse slaven

Guadeloupe is deel van Frankrijk en dat is te merken. De wegen van Guadeloupe voeren langs suikerrietvelden en bananenplantages, maar de bewegwijzering is hetzelfde als in Frankrijk en op de uitstekende wegen rijden vaak Franse auto’s. De ruim 400.000 inwoners van Guadeloupe stammen voornamelijk af van Afrikaanse slaven, maar de taal die zij spreken is onmiskenbaar Frans, weliswaar wat langzamer dan de Europese variant, maar het hele leven op Guadeloupe is nu eenmaal wat langzamer dan in Frankrijk.

Frans zijn de “tabacs” en de “boulangeries”, de banken en de supermarktketens, Frans zijn de euro’s. Ook de bloedige revolutie die hier in 1789 op gang werd gezet was Frans tot in de details – zelfs de guillotines ontbraken niet. En behalve naar de sensuele klanken van de zouk, de populaire lokale variant op de lambada, luistert men op Guadeloupe ook gewoon naar Franse klassiekers als Julien Clerc (wiens moeder van Guadeloupe kwam) en Jacques Brel (wiens laatste vrouw er vandaan kwam).

Franse invloed Guadeloupe

De officiële werkelijkheid mag op Guadeloupe dan Frans zijn, je hoeft geen scherp observator te zijn om te zien dat veel op het eiland volstrekt anders is dan in het Europese Frankrijk: de vegetatie is er weelderiger, de geuren scherper en de kleuren feller, de hitte meedogenlozer. Vanaf juli tot december kan het er on-Europees hard regenen, om nog maar te zwijgen van de orkanen die er vooral rond september kunnen huishouden.

Ook de keuken is scherper en krachtiger dan die in Frankrijk en samengesteld uit ingrediënten die in Europa vaak amper bekend zijn. Aan de andere kant is de bijna religieuze benadering van het koken (en van de kunst van het eten en drinken) weer typisch Frans. Een mooi voorbeeld is het spectaculaire “Feest van de Koks” dat ieder jaar in augustus wordt gevierd.

Feestdagen

Over feesten gesproken: de Fransheid en “on-Fransheid” van het eiland worden mooi geïllustreerd aan de hand van twee belangrijke feestdagen. Op 14 juli viert men “gewoon” de Franse nationale feestdag, maar een minstens zo veelzeggende feestdag is 27 mei, als de afschaffing van de slavernij wordt herdacht.

Caribische atleten

“Mooi en atletisch”, noemde Columbus de bewoners van de Cariben, en hij had alle kans om dat te beoordelen, want “zij liepen naakt zoals hun moeders hen gebaard hadden”. De oorspronkelijke Caribische bevolking is inmiddels al vele eeuwen verdwenen en behalve op de naturistenstranden vindt men op Guadeloupe geen naaktlopers meer, maar mooi en atletisch zijn nog steeds twee goede woorden om de Guadeloupers te omschrijven.

Men hoeft – voor dat atletische aspect – slechts naar een wedstrijd van het Franse voetbalelftal te kijken: Thierry Henry, Angloma, Wiltord en Thuram komen allen van Guadeloupe. Hetzelfde geldt voor Marie-José Perec, de hardloopster die Frankrijk op verschillende Olympische Spelen goud bezorgde.

Grand Terre

Het gezang van de vele vogels, de geuren, de kleuren, het waren de aspecten van de Cariben die Columbus deden verzuchten nooit meer terug te willen naar Europa. Nog steeds is Guadeloupe groen en vruchtbaar.

En wie de geschiedenis van het eiland even vergeet, kan zich nog steeds in Columbus’ aardse paradijs wanen; de lange blauwe dagen, de kleuren boven en onder water, de geuren van vanille en citroenen, de ananassen, de suiker. Net als het paradijs, heeft ook Guadeloupe een boom waarvan men niet mag eten: de Manchineel lijkt op een onschuldige appelboom, maar is zeer giftig.

Vanuit de lucht lijkt Gaudeloupe op een vlinder met opengeslagen vleugels. De twee vleugels heten Grande-Terre en Basse-Terre. Grande-Terre is in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden het kleinste gedeelte van Guadeloupe, en ook het meest toeristische. Hier vind je de suikerrietvelden en de eindeloze zandstranden.

En aan de oostkust bevindt zich het prachtige Pointe des Châteaux, een rotsformatie die doet denken aan een serie kastelen. De grootste en meest levendige stad is Pointe-à -Pitre (ofwel “de punt van Pieter”, genoemd naar de Nederlandse koopman die hier zijn waren verkocht).

Basse-Terre

Basse-Terre is rustiger en heeft een zeer gevarieerde natuur (zeker als men bedenkt dat het amper half zo groot als de provincie Utrecht is). Er is het dichte regenwoud, waartussen beekjes, watervallen en rivieren stromen die verklaren waarom de indianen het eiland oorspronkelijk “het eiland van het mooie water” noemden.

Maar er is ook “de oude dame”, de permanent op de achtergrond pruttelende vulkaan (de officiële naam is la Soufrière) en daaromheen de maanlandschappen. Dit gedeelte van het eiland is zeer geschikt voor wandelingen. Wie de twee vleugels van de vlinder heeft bereisd, kan op zoek naar de andere eilandjes die de Fransen tot het “overzeese departement” Guadeloupe rekenen en waarvan de meeste nauwelijks een uur varen van Guadeloupe zijn.

Met name de eilandengroep van Les Saintes spreekt tot de verbeelding. Niet alleen omdat Columbus deze eilanden op Allerheiligen ontdekte en ze daarom “de Heiligen” noemde, ook omdat het panorama iets “heiligs” heeft: de uit het water tevoorschijn schietende rotsen behoren tot de mooiste panorama’s die de Cariben te bieden hebben.